1. De Verwoesting van Jeruzalem

“Och of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dienté Maar nu is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen. En zullen u tot de grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en ze zullen in u de ene steen op de andere steen niet laten; daarom dat gij de tijd van uw bezoeking niet bekend hebt.”

Van de top van de Olijfberg zag Jezus op Jeruzalem neer. Schoon en vredig was het toneel, dat vor Hem uitgebreid lag. Het was in de Paastijd, en van alle landen waren de kinderen Jakobs daar bijeengekomen om het grote volksfeest te vieren. Te midden van tuinen en wijngaarden, en groene hellingen, bezet met de tenten van de pelgrims, verrezen de terrasvormige heuvels, de statige paleizen en hechte bolwerken van Israels hoofdstad. De dochter Zions scheen in haar trots te zeggen: “Ik zit als een koningin, en zal geen rouw zien;” even liefelik toen, en zichzelf even veilig achtende in de gunst des Hemels, als toen de koninklike zanger eeuwen tevoren zong: “Schoon van gelegenheid, een vreugde van de ganse aarde, is de berg Zion, ... de stad van de grote Koning.” De prachtige gebouwen van de tempel lagen in het volle gezicht. De stralen van de ondergaande zon verlichtten zijn wit marmeren muren, en weerkaatsten zich in het goud van poorten, torens en tinnen van zijn grootse bouwwerken. Als “de volmaakt schone” stond hij daar, de trots van het Joodse volk. Welk kind van Israël kon de blik op dit toneel laten rusten, zonder een trilling van genot en bewondering te gevoelen I Maar gans andere gedachten hielden Jezus’ gemoed bezig. “En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar.” Te midden van de algemene vrolikheid van de zegevierende intocht, terwijl de palmtakken wuifden, de blijde hosanna’s de heuvelen deden weergalmen, en duizenden stemmen Hem als koning huldigden, werd de Verlosser der wereld door een plotselinge en geheimzinnige droefheid overweldigd. Hij, Gods Zoon, de Beloofde van Israël, Wiens macht de dood had overwonnen, en hen, die het graf gevangen hield, had opgeroepen, weende, niet tengevolge van een gewone droefheid, maar tengevolge van diepe en onweerstaanbare zielsontroering.

Zijn tranen waren niet om Hemzelf, ofschoon Hij wel wist waarheen Zijn schreden Hem leidden. Vor Hem lag Gethsémané, het toneel van Zijn naderende foltering. De Schaapspoort was evenzeer zichtbaar, waar eeuwen lang de offerdieren door gebracht waren, en die zich ook voor Hem zou openen, wanneer Hij “als een Lam ter slachting” zou worden geleid. Niet veel verder lag Golgotha, de plaats van de kruisiging. Over het pad, dat Christus spoedig zou betreden, moest de verschrikking van een grote duisternis vallen, wanneer Hij Zijn ziel stellen zou tot een offer voor de zonde. Toch was het niet de beschouwing van die tonelen, welke een schaduw op Hem wierp in deze vreugdevolle ure. Geen voorgevoel van Zijn eigen bovenmenselike zielsangst drukte die onzelfzuchtige geest. Hij weende over de gedoemde duizendtallen van Jeruzalem,— over de blindheid en onboetvaardigheid van hen, voor wie Hij gekomen was om hen te zegenen en te redden.

De geschiedenis van Gods biezondere gunst en bewarende zorg, gedurende meer dan duizend jaren aan het uitverkoren volk bewezen, lag open voor Jezus’ oog. Daar was de berg Moria, waar de zoon der belofte als een gewillig slachtoffer op het altaar was gebonden,— tot voorafschaduwing van het offer van de Zoon van God. Daar was het verbond des zegens, de heerlike Messiasbelofte, aan de vader der gelovigen bevestigd. Daar hadden de vlammen van het offer, ten hemel stijgende van de dorsvloer van Ornan, het zwaard van de verwoestende engel afgekeerdm—een passend beeld van het offer van de Heiland en Zijn tussentreden ten behoeve van de schuldige mensheid. Jeruzalem was méér dan de ganse aarde door God geëerd geworden. De Heer had “Zion verkoren”, Hij had “het begeerd tot Zijn woonplaats”. Daar hadden heilige profeten eeuwen lang hun waarschuwende boodschap geuit. Dáár hadden priesters hun wierookvaten gezwaaid, en was de wierookwolk met de gebeden van de aanbidders tot God opgestegen. Dáár was dageliks het bloed van de lammeren opgeofferd, heenwijzende op het Lam Gods. Dáár had Jehova Zijn tegenwoordigheid geopenbaard in de wolk der heerlikheid boven het verzoendeksel. Daar rustte de voet van die geheimzinnige ladder, die de hemel met de aarde verbond, — die ladder, waarop Gods engelen af- en opklommen, en die de wereld de weg naar het heilige der heiligen opende. Was Israël als volk aan God getrouw gebleven, Jeruzalem, als Gods uitverkorene, zou eeuwig zijn blijven staan. Maar de geschiedenis van dat uitverkoren volk was een aaneenschakeling van afkerigheid en opstand. Ze hadden de genade des hemels weerstaan, hun voorrechten misbruikt, en de hun geschonken gelegenheden veronachtzaamd.

Ofschoon Israël had “gespot met de boden Gods, Zijn woorden had veracht, en zij zichzelven verleidden tegen zijn profeten” had Hij Zich toch aan hen geopenbaard “als de Here God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid;” niettegenstaande herhaaldelike verwerping, was Zijn barmhartigheid blijven pleiten. Met meer medelijdende liefde dan die van een vader voor zijn zoon, had God tot hen gezonden “door de hand van Zijn boden, vroeg op zijnde om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.” Toen vermaning, bede en bestraffing zonder uitwerking bleven, zond Hij hun de beste gift des hemels, ja, schonk hun de gehele hemel in die éne Gift.

Gods Zoon werd zelf gezonden om met de onboetvaardige stad te pleiten. Het was Christus, die Israël uit Egypte had gebracht als een goede wijnstok. Zijn eigen hand had de heidenen vor hen uitgedreven. Hij had hen geplant op een “vette heuvel.” Door Zijn zorgende hoede was de wijngaard omtuind geworden. Zijn dienstknechten waren uitgezonden om hem te onderhouden. “Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard,” zo riep Hij uit, “hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb?” Doch toen Hij verwachtte “dat hij goede druiven voortbrengen zou, heeft hij stinkende vruchten voortgebracht,” en toch kwam Hij, nog vol verlangen om vrucht te vinden, in eigen persoon naar Zijn wijngaard, ten einde te zien, of Hij hem misschien nog voor ondergang zou kunnen bewaren. Hij groef om Zijn wijnstok; Hij snoeide en verzorgde hem. Hij was onvermoeid in Zijn pogingen om deze wijnstok, die Hijzelf geplant had, te redden.

Drie jaren lang was de Heer van licht en heerlikheid onder Zijn volk in- en uitgegaan. “Hij ging het land door goed doende”, “genezende allen, die van de duivel overweldigd waren”, helende de gebrokenen van hart, aan de gebondenen opening van de gevangenis uitroepende, blinden het gezicht terug gevende, kreupelen in staat stellende om te wandelen en doven om te horen, melaatsen reinigende, doden opwekkende, en aan de armen het evangelie verkondigende. Tot alle klassen zonder onderscheid werd de genadige roepstem gericht: “Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.”

Ofschoon Hem kwaad voor goed vergolden werd, en haat voor Zijn liefde, volhardde Hij standvastig in Zijn zending van barmhartigheid. Zij, die Zijn genade zochten, werden nooit teruggewezen. Als een zwerveling zonder tehuis, met smaad en armoede tot Zijn dageliks deel, leefde Hij slechts om te voorzien in de behoeften van de mensen, hun lijden te verzachten, en met hen te pleiten, dat zij de gift van het eeuwige leven zouden aannemen. De golven van genade, welke op deze hardnekkige harten afsloegen, rolden terug met een nog sterker vloed van medelijdende, onuitsprekelike liefde. Maar Israël had zich af gekeerd van zijn beste vriend en enige helper. Het pleiten van Zijn liefde was veracht geworden; Zijn raadgevingen waren verworpen, Zijn waarschuwingen bespot.

De ure van hoop en genade was snel aan het voorbijgaan; de beker van Gods lang weerhouden toorn was bijna vol. De wolken, die zich gedurende eeuwen van afval en opstand hadden samengepakt, waren nu zwart van onheilen, en stonden weldra los te breken over een schuldig volk; en Hij, die alleen in staat was, hen te redden van hun naderende ondergang, was door hen miskend, mishandeld, verworpen, en zou spoedig gekruisigd worden. Wanneer Christus op het kruis van Golgotha zou hangen, zou Israëls tijdperk als een van God begunstigd en gezegend volk ten einde zijn. Het verlies van één enkele ziel is een onheil, dat van oneindig meer belang is dan de winst en de schatten van een wereld; maar toen Christus op Jeruzalem neerblikte, zag Hij het doodvonnis van een gehele stad en een geheel volk vor zich; die stad, dat volk, die eens Gods uitverkorenen geweest waren, en Zijn biezondere schat.

Profeten hadden geweend over Israëls afval, en de vreselike verwoestingen, waarmede het bezocht werd om zijn zonden. Jeremia wenste, dat zijn ogen een sprinkader van tranen waren, dat hij dag en nacht de verslagenen van de dochter van zijn volk kon bewenen, en de kudde des Heren, die gevankelik was weggevoerd. Hoe groot moest dan de droefheid zijn van Hem, wiens profetiese blik geen jaren maar eeuwen overzag! Hij zag de verwoestende engel met het zwaard opgeheven tegen de stad, die zo lang Jehova’s woonplaats was geweest. Van de top van de Olijfberg, dezelfde plaats, die later door Titus en zijn leger werd bezet, blikte Hij over het dal heen op de heilige hoven en zuilegangen neder, en zag met ogen, door tranen verduisterd, het vreselik schouwspel van muren, door vreemde benden omsingeld. Hij vernam het gedruis van de legerscharen, zich in orde stellende tot de aanval. Hij hoorde de stem van moeders en kinderen in de belegerde stad, roepende om brood. Hij zag zijn heilig en prachtig huis, zijn paleizen en torens, overgegeven aan de vlammen, en niets meer dan een hoop smeulende bouwvallen op de plaats, waar ze eens gestaan hadden.

Door de eeuwen heen blikkend aanschouwde Hij het verbondsvolk in ieder land verstrooid, als wrakken op een woeste kust. In de tijdelike straf, die hun kinderen zou treffen, zag Hij slechts de eerste teug uit die beker des toorns, die ze bij het laatste oordeel tot de bodem toe zouden moeten ledigen. Goddelik medelijden, smachtende liefde uitten zich in de smartelike woorden: “Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen; en gijlieden hebt niet gewild!” O dat gij, een volk begunstigd boven ieder ander, de tijd van uw bezoeking gekend hadt, en de dingen, die tot uw vrede dienen! Ik heb de gerichtsengel teruggehouden; heb u tot berouw aangespoord, maar tever-geefs. Het zijn niet alleen dienstknechten, afgevaardigden en profeten, die gij teruggewezen en verworpen hebt, maar de Heilige Israëls, uw Verlosser. Indien ge vernietigd wordt, hebt ge het alleen uzelf te wijten. “Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.”

Christus zag in Jeruzalem een beeld van de wereld, verhard in ongeloof en opstand, en zich haastende naar het gericht Gods. De ellende van een gevallen geslacht, op Zijn ziel drukkend, perste die uiterst bittere kreet van Zijn lippen. Hij zag het verhaal van de zonde geschetst in menselike ellende, tranen en bloed; Zijn hart was vervuld met oneindig medelijden voor de bezochten en lijdenden op aarde; Hij smachtte er naar, hen allen te mogen verlichten. Maar zelfs Zijn hand vermocht de vloed van de menselike ellende niet te stuiten; weinigen zouden zoeken naar hun enige Hulpbron. Hij was gewillig, Zijn ziel uit te storten in de dood, om de zaligheid binnen hun bereik te brengen; maar slechts weinigen wilden tot Hem komen, opdat zij het leven mochten hebben.

De Majesteit des hemels in tranen! De Zoon van de oneindige God bewogen in de geest, nedergebogen door zielsangst! De gehele hemel was met verwondering vervuld over het schouwspel. Dit toneel openbaart ons het verschrikkelike van de zonde; het toont aan, hoe moeielik de taak is, zelfs voor de oneindige macht, om de schuldige te redden van de gevolgen van het overtreden van de wet Gods. Jezus, neerblikkende op het laatste geslacht, zag de wereld medegesleept door een bedrog, gelijkend op hetgeen de ondergang van Jeruzalem ten gevolge had. De grote zonde van de Joden was hun verwerping van Christus; de grote zonde van de Christenwereld zou zijn hun verwerping van Gods wet, het fondament van Zijn heerschappij in hemel en op aarde. De geboden van Jehova zouden versmaad en geminacht worden. Miljoenen, gebonden door de zonde, slaven van Satan, veroordeeld om de tweede dood te ondergaan, zouden weigeren te luisteren naar de woorden der waarheid in hun dag van bezoeking. Vreselike blindheid! Verwonderlike begoocheling!

Twee dagen vor het Pascha, toen Christus voor de laatste maal uit de tempel vertrokken was, nadat Hij de Joodse oversten van schijnheiligheid had beschuldigd, ging Hij wederom uit met Zijn discipelen naar de Olijfberg, en zette zich met hen neder op een met gras begroeide helling, die uitzicht gaf over de stad. Nogmaals liet Hij de blik op zijn muren, torens en paleizen rusten. Nogmaals aanschouwde Hij de tempel in zijn verblindende pracht, een schitterende diadeem, die de heilige berg kroonde.

Duizend jaren tevoren had de psalmist Gods gunst over Israël in de keuze van dit heiligdom tot Zijn woonplaats geprezen: “In Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Zion.” Hij “verkoos de stam van Juda, de berg Zion, die Hij liefhad. En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten.” De eerste tempel was gebouwd gedurende het tijdperk van de grootste voor spoed in Israëls geschiedenis. Grote schatten waren tot dit doel door Koning David verzameld, en de bouwplannen waren onder Goddelike ingeving vervaardigd. Salomo, de wijste van Israëls vorsten, had het werk voltooid. Deze tempel was het prachtigste gebouw, dat de wereld ooit gezien had. Toch had de Heer van de tweede tempel door de profeet Haggaï ver-klaard : “De heerlikheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste.” “Ik zal al de Heidenen doen beven, en ze zullen komen tot de wens van alle Heidenen, en Ik zal dit huis met heerlikheid vervullen, zegt de Heer der heirscharen.”

Na de verwoesting van de tempel door Nebukadnezar werd hij ongeveer vijf honderd jaren vor de geboorte van Christus weder opgebouwd, door een volk dat uit een levenslange ballingschap teruggekeerd was naar een woest en bijna verlaten land. Er waren oude mannen onder hen, die de heerlikheid van Salomo’s tempel gezien hadden, en die weenden bij het leggen van het fondament van dit nieuwe gebouw, omdat het zo ver moest achterstaan bij het eerste. Het algemeen heersende gevoelen werd krachtig door de profeet uitgedrukt: “Wie is onder ulieden overgebleven, die dit huis in zijn eerste heerlikheid gezien heeft? en hoedanig ziet gij hetzelve nu? Is dit niet als niets in uw ogen?” Toen werd de belofte gegeven, dat de heerlikheid van dit laatste huis groter zou zijn dan die van het eerste.

Doch de tweede tempel is de eerste niet gelijk geweest in heerlikheid; noch ook werd hij gewijd door die zichtbare tekenen van de Goddelike tegenwoordigheid, die in de eerste tempel gezien werden. Er was geen openbaring van bovennatuurlike kracht om Zijn inwijding aan te tonen. Men zag geen wolk der heerlikheid het nieuw opgerichte heiligdom vervullen. Geen vuur daalde neder uit de hemel om het offer op zijn altaar te verteren. De Shechina rustte niet langer tussen de cherubijnen in het heilige der heiligen; de ark, het verzoendeksel, en de tafelen van de wet werden er niet in gevonden. Geen stem klonk uit de hemel om de vragende priester Jehova’s wil bekend te maken.

Eeuwen lang hadden de Joden tevergeefs getracht aan te tonen, waarin Gods belofte, door Haggaï gegeven, vervuld was geworden; maar trots en ongeloof verblindde hun verstand, zodat ze de ware betekenis van de woorden van de profeet niet verstonden. De tweede tempel werd niet geëerd door de wolk van Jehova’s heerlikheid, maar door de levende tegenwoordigheid van Één, in Wie de volheid der Godheid lichamelik woonde,— die God-zelf was, geopenbaard in het vlees. De “Wens van alle Heidenen” was waarlik tot Zijn tempel gekomen, toen de Man van Nazareth in de gewijde hoven leerde en genas. Door de tegenwoordigheid van Christus, en daar-door alleen, stond de tweede tempel in heerlikheid boven de eerste. Maar Israël had de Gift, hun van de hemel aangeboden, verworpen. Met de nederige Leraar, welke die dag zijn gouden poort uittrad, was de heerlikheid voor altijd van de tempel geweken. Reeds waren de woorden van de Heiland vervuld: “Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.”

De discipelen waren vervuld geweest met ontzetting en verwondering, toen Christus de verwoesting van de tempel voorspelde, en ze begeerden de betekenis van Zijn woorden beter te verstaan. Meer dan veertig jaren lang waren schatten, arbeid en bouwkunst met kwistige hand aan de verhoging van zijn pracht besteed geworden. Herodus de Grote had er zowel Romeinse rijkdommen als Joodse schatten aan ten koste gelegd, en zelfs de keizer van de wereld had hem met zijn giften verrijkt. Zware blokken wit marmer, van bijna fabelachtige grootte, met dit doel van Rome gezonden, vormden een deel van zijn bouw; en het was daarop, dat de discipelen de aandacht van hun Meester vestigden, toen ze zeiden: “Zie, hoedanige stenen, en hoedanige gebouwen!”

Op deze woorden gaf Jezus het plechtige en verbazingwekkende antwoord: “Voorwaar zeg Ik u: Hier zal niet één steen op de andere gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.”Matth. 24:2, 3.

De discipelen verbonden aan de verwoesting van Jeruzalem de gebeurtenissen in verband met Christus’ parsoonlike komst in tijdelike heerlikheid, om bezit te nemen van de troon van het algemene rijk, de onboetvaardige Joden te straffen, en het volk van het Romeinse juk te bevrijden. De Heer had hun gezegd, dat Hij ten tweeden male zou komen. Vandaar dat bij de vermelding van gerichten, die over Jeruzalem komen zouden, hun gedachten zich bij die komst bepaalden; en toen ze om de Heiland geschaard zaten op de Olijfberg, vroegen ze: “Wanneer zullen deze dingen zijn? en welk zal het teken zijn van Uw toekomst en van de voleinding van de wereld?”

De toekomst was genadiglik verborgen voor de discipelen. Hadden ze in die tijd ten volle de twee vreselike feiten begre-pen,— het lijden en sterven van de Verlosser, en de verwoesting van hun stad en tempel,— dan zou ontzetting hen overstelpt hebben. Christus gaf hun een schets van de voornaamste gebeurtenissen, die plaats zouden vinden vor het einde der tijden. Zijn woorden werden toen niet ten volle verstaan; maar hun betekenis zou ontvouwd worden, naarmate Zijn volk het onderricht, daarin bevat, zou behoeven. De profetie, die Hij uitsprak, was van tweevoudige betekenis: terwijl hij de verwoesting van Jeruzalem voorafschaduwde, beeldde hij tevens de verschrikkingen van de laatste grote dag af.

Jezus verklaarde aan de luisterende discipelen de oordelen, die het afvallige Israël treffen zouden, en in het biezonder de straffende wraak, die over hen zou komen wegens hun verwerping en kruisiging van de Messias. Onmiskenbare tekenen zouden de vreselike vervulling voorafgaan. Het gevreesde uur zou plotseling en snellik komen. En de Zaligmaker waarschuwde Zijn volgelingen: “Wanneer gij dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats (die het leest, die merke daarop), dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen.” Wanneer de afgodiese standaards van de Romeinen geplant zouden worden op de heilige grond, die zich over enige afstand buiten de stadsmuren uitstrekte, dan moesten de volgelingen van Christus veiligheid zoeken in de vlucht. Wanneer het waarschuwende teken gezien zou worden, moesten zij, die wensten te ontkomen, niet vertoeven. Door het land van Judea, zowel als binnen Jeruzalem zelf, moest het teken tot ontvluchting onmiddellik gehoorzaamd worden. Hij, die op het dak was, moest niet afkomen in zijn huis, zelfs niet om zijn meest gewaardeerde schatten te redden. Zij, die in de velden of wijngaarden werkten, moesten zich niet ophouden om terug te gaan en hun opperkleed te halen, dat ze afgelegd hadden, terwijl zij in de hitte des daags arbeidden. Ze moesten geen ogenblik verzuimen, ten einde te ontvlieden aan de algemene verwoesting.

Gedurende de regering van Herodus was Jeruzalem niet alleen zeer verfraaid geworden, maar door de oprichting van torens, muren en vestingen, die de natuurlike sterkte van de ligging ervan nog verhoogden, was het zo goed als onneembaar gemaakt. Wie te dier tijd de verwoesting ervan openlik zou hebben voorspeld, zou als Noach in zijn tijd een onzinnige rustverstoorder genoemd zijn. Maar Christus had gezegd: “De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.” Ten gevolge van haar zonden was de wraak over Jeruzalem uitgesproken, en hardnekkig ongeloof maakte haar val gewis.

De Heer had door de profeet Micha verklaard: “Hoort nu dit, gij hoofden van het huis Jakobs, en gij oversten van het huis Israëls, die van het gericht een gruwel hebt, en al wat recht is verkeert, bouwende Zion met bloed, en Jeruzalem met onrecht. Haar hoofden rechten om geschenken, en haar priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld; nog steunen zij op de Heer, zeggende: Is de Heer niet in het midden van ons? ons zal geen kwaad overkomen.”

Deze woorden geven een getrouwe beschrijving van de bedorven en eigengerechtige inwoners van Jeruzalem. Bewerende de voorschriften Gods stipt na te komen, overtraden ze al de beginselen ervan. Ze haatten Christus, omdat Zijn reinheid en heiligheid hun goddeloosheid aan het licht bracht; en beschuldigden Hem van de oorzaak te zijn van ai de onheilen, die hen troffen ten gevolge van hun zonden. Ofschoon ze wisten, dat Hij zondeloos was, verklaarden ze, dat Zijn dood noodzakelik was voor hun veiligheid als een volk. “Indien wij Hem alzo laten geworden”, zeiden de Joodse leiders, “zij zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk.” Als Christus werd opgeofferd, konden ze wellicht weer een sterk, eendrachtig volk worden. Alzo redeneerden ze, en stemden in met het besluit van hun hogepriester, dat het beter zou zijn, dat één man stierf, dan dat het gehele volk zou omkomen. Op die wijze hadden de Joodse oversten “Zion opgebouwd met bloed, en Jeruzalem met onrecht.” En toch, terwijl ze hun Zaligmaker doodden, omdat Hij hun zonden bestrafte, was hun eigengerechtigheid z— groot, dat ze zichzelven beschouwden als Gods geliefde volk, en verwachtten, dat de Heer hen zou verlossen van hun vijanden. “Daarom,” vervolgt de profeet, “om uwentwil zal Zion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van een woud.”

Bijna veertig jaren lang, nadat de vloek over Jeruzalem door Christus zelf was uitgesproken, toefde de Heer met Zijn oordelen over stad en volk. Gods lankmoedigheid jegens de verwerpers van Zijn evangelie en de moordenaars van Zijn Zoon was verwonderlik. De gelijkenis van de onvruchtbare vijgeboom was een beeld van Gods handelwijze met het Joodse volk. Het gebod was uitgegaan: “Houw hem uit, waartoe beslaat hij ook onnuttelik de aarde?” Maar Goddelik mededogen had hem nog een weinig langer gespaard. Er waren er nog velen onder de Joden, die geen kennis droegen aan het karakter Gods en het werk van Christus. En de kinderen hadden de voordelen niet genoten, of het licht ontvangen, door hun ouders verworpen. Door de prediking van de apostelen en hun vrienden wilde God het licht over hen laten schijnen; het zou hun vergund worden te zien, hoe de profetieën vervuld waren, niet alleen door de geboorte en het leven van Christus, maar door Zijn dood en opstanding. De kinderen werden niet veroordeeld om de zonden van de ouders; maar toen de kinderen met de kennis van al het licht, dat aan hun ouders geschonken was, het meerdere licht, hunzelven verleend, verwierpen, erlangden zij deel aan de zonden van hun ouders, en vervulden de maat van hun ongerechtigheid.

Gods lankmoedigheid jegens Jeruzalem versterkte de Joden slechts in hun hardnekkige onboetvaardigheid. In hun haat en wreedheid tegen de discipelen van Jezus verwierpen ze het laatste aanbod van genade. Toen nam God Zijn bescherming over hen weg, trok Hij Zijn weerhoudende macht over Satan en zijn engelen in, en werd het volk overgegeven aan de heerschappij van de leider, die ze zichzelven gekozen hadden. Zijn kinderen hadden Christus’ genade veracht, die hen in staat zou gesteld hebben, hun boze neigingen te onderdrukken, welke nu de overwinning behaalden. Satan bracht de sterkste en laagste hartstochten van de ziel in beweging. De mensen gebruikten hun verstand niet; ze hadden hun rede verloren,— ze lieten zich beheersen door opwelling en blinde woede. Ze werden satanies in hun wreedheid. In de huiselike kringen en onder het volk, bij de hoogste zowel als de laagste klassen, werd verdenking, nijd, haat, strijd, opstand en moord gevonden. Er was nergens veiligheid. Vrienden en famieliebetrekkingen verrieden elkander. Ouders doodden hun kinderen, en kinderen hun ouders. De leiders van het volk hadden geen macht om zichzelven te beheersen. Onbedwongen hartstochten maakten hen tot tirannen. De Joden hadden valse getuigenis aangenomen om de onschuldige Zone Gods te veroordelen. Nu maakten valse beschuldigingen hun eigen leven onzeker. Door hun handelingen hadden ze reeds lang gezegd: “Laat de Heilige Israëls van ons ophouden.” Nu was hun wens vervuld. De vreze Gods verontrustte hen niet langer. Satan had zich aan het hoofd van het volk gesteld, en de hoogste wereldlike en geestelike overheden stonden onder zijn macht.

De leiders van de tegenovergestelde partijen verenigden zich bij tijden om hun ongelukkige slachtoffers te plunderen en te kwellen, en dan weder vielen ze elkanders troepen aan, en slachtten zonder genade. Zelfs de heiligheid van de tempel kon hun gruwelike wreedheid niet in bedwang houden. De offeraars werden vor het altaar neergehouwen, en het heiligdom werd verontreinigd door de lichamen van de verslagenen. En toch verklaarden de drijvers van dit helse werk openlik in hun blinde en godslasterlike trots, dat ze niet bang waren, dat Jeruzalem verwoest zou worden, omdat het de Godstad was. Om meer macht in handen te krijgen kochten ze valse profeten om, die verkondigen moesten, zelfs terwijl de Romeinse benden de tempel belegerden, dat het volk wachten moest op verlossing van God. Tot het laatste toe hield de menigte zich vast .aan het geloof, dat de Allerhoogste tussenbeide zou komen, tot vernietiging van hun tegenstanders. Maar Israël had de Goddelike bescherming veracht, en had nu geen verdediger. Ongelukkig Jeruzalem! Verscheurd door inwendige onenigheden, de straten gekleurd door het bloed van zijn kinderen, die elkander verslagen hadden, terwijl vreemde legers zijn vestingen afbraken en zijn krijgers doodden!

Al de voorspellingen, die Christus gedaan had betreffende de verwoesting van Jeruzalem, werden letterlik vervuld. De Joden ondervonden de waarheid van Zijn waarschuwende woorden: “Met welke maat gij meet, zal u wedergemeten worden.”

Er werden tekenen en wonderen waargenomen, welke ongeluk en ondergang voorspelden. In het midden van de nacht scheen er een onnatuurlik licht over de tempel en het altaar. Bij zonsondergang werd het beeld van wagenen en krijgsknechten, zich verzamelende ten strijde, in de wolken gezien. De priesters, die ‘s nachts in het heiligdom dienst deden, werden opgeschrikt door geheimzinnigge geluiden; de aarde beefde, en men hoorde een menigte stemmen roepen: “Laat ons van hier gaan.” De grote poort naar het oosten, die zo zwaar was, dat hij door twintig mannen nauweliks gesloten kon worden, en die verzekerd was door ontzaglike ijzeren bouten, diep in het hecht stenen plaveisel bevestigd, opende

zich te middernacht, zonder dat iemand de oorzaak ervan kon aangeven.

Zeven jaren achtereen liep er een man gedurig de straten van Jeruzalem op en neer, en kondigde de onheilen aan, die de stad zouden treffen. Bij dag en bij nacht zong hij de wilde treurzang: “Een stem van het oosten! een stem van het westen! een stem uit de vier winden! een stem tegen Jeruzalem en de tempel! een stem tegen de bruidegom en de bruid! een stem tegen al het volk!” Dit vreemde wezen werd gevangen gezet en gegeseld, maar geen klacht kwam over zijn lippen. Op belediging en verwijt antwoordde hij slechts: “Wee, wee over Jeruzalem! wee, wee over zijn inwoners!” Zijn waarschuwende roepstem werd eerst gestild, toen hij sneuvelde bij het beleg, dat hij voorspeld had.

Geen enkele Christen kwam om bij de verwoesting van Jeruzalem. Christus had Zijn discipelen gewaarschuwd, en allen, die Zijn woorden geloofden, zagen uit naar het beloofde teken. “Wanneer gij zult zien, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt”, had Jezus gezegd, “zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is. Alsdan die in Judea zijn, dat ze vlieden naar de bergen, en die in het midden ervan zijn, dat ze daaruit trekken.” Nadat de Romeinen onder Cestius de stad hadden omsingeld, braken ze onverwachts het beleg op, terwijl alles gunstig scheen voor een onmiddellike aanval. De belegerden, wanhopende aan het goed gevolg van tegenstand, stonden op het punt van zich over te geven, toen de Romeinse veldheer zijn leger terugtrok, schijnbaar zonder de minste reden. Maar Gods genadige voorzienigheid leidde de gebeurtenissen tot welzijn van Zijn eigen volk. Het beloofde teken was aan de afwachtende Christenen gegeven, en nu werd aan allen, die de waarschuwing van de Heiland gehoorzaam wilden zijn, een gelegenheid aangeboden. De gebeurtenissen werden z— beschikt, dat Joden noch Romeinen de vlucht van de Christenen zouden verhinderen. Bij de aftocht van Cestius deden de Joden cen uitval uit Jeruzalem, en zetten het aftrekkende leger na; en terwijl beide machten aldus beziggehouden werden, hadden de Christenen gelegenheid, de stad te verlaten. Op die tijd was het land ook vrij van vijanden, die zouden hebben kunnen trachten hen op te houden. Ten tijde van het beleg waren de Joden te Jeruzalem vergaderd om het Loofhuttefeest te vieren; en dus konden de Christenen het gehele land door ongehinderd ontkomen. Zonder oponthoud vloden ze naar een veilige schuilplaats,— de stad Pella, in het land van Perea, aan de overzijde van de Jordaan.

De Joodse macht, die Cestius en zijn leger achtervolgde, viel met zulk een geweld op hun achterhoede aan, dat algehele vernietiging hen dreigde. Het was met de grootste moeite, dat het de Romeinen gelukte, terug te trekken. De Joden leden bijna geen verlies, en trokken in triomf met hun buit naar Jeruzalem terug. Maar dit schijnbare sukses bracht hun niets dan ongeluk. Het wekte in hen die geest van hardnekkige tegenstand tegen de Romeinen op, die al spoedig onuitsprekelik onheil over de veroordeelde stad bracht.

Vreselik waren de onheilen, die Jeruzalem troffen, toen het beleg door Titus hervat werd. De stad werd belegerd ten tijde van het Pascha, toen er miljoenen Joden binnen de muren vergaderd waren. Hun mondvoorraad, die, zorgvuldig bewaard, de inwoners verscheidene jaren had kunnen voeden, was tevoren vernield door de afgunst en wraakzucht van de strijdende partijen, en nu leden ze al de verschrikkingen van de hongersnood. Een maat tarwe werd voor een talent verkocht. Z— hevig waren de smarten van de honger, dat de mannen het leder van hun gordels en sandalen en het overtreksel van hun schilden kauwden. Het volk sloop in groten getale ‘s nachts de stad uit, om wilde planten te verzamelen, die buiten de muren groeiden, hoewel er velen gegrepen en onder wrede martelingen ter dood gebracht werden, en zij, die in veiligheid terugkeerden, dikwels beroofd werden van wat ze met zoveel gevaar hadden bijeengegaard. De alleronmenselikste martelingen werden toegepast door de hooggeplaatsten, om van het behoeftige volk de laatste ellendige voorraad af te persen, die ze misschien verborgen hadden. En deze wreedheden werden niet zelden begaan door mensen, die zelven goed gevoed waren, en die slechts de begeerte hadden om voorraad voor de toekomst op te leggen.

Duizenden kwamen om door hongersnood en pest. Natuurlike liefde scheen verdwenen te zijn. Mannen beroofden hun vrouwen, en vrouwen hun mannen. Men zag de kinderen het voedsel uit de mond van hun bejaarde ouders rukken. De vraag van de profeet: “Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten?” vond zijn antwoord binnen de muren van die veroordeelde stad: “De handen van de barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; ze zijn haar tot spijze geworden in de verbreking van de dochter mijns volks.” Wederom werd de waarschuwende profetie vervuld, die veertien eeuwen tevoren gegeven was: “Aangaande de tedere en wellustige vrouw onder u, die niet verzocht heeft haar voetzool op de aarde te zetten, omdat ze zich wellustig en teder hield; haar oog zal kwaad zijn tegen de man van haar schoot, en tegen haar zoon en tegen haar dochter; ... en tegen haar zonen, die ze gebaard zal hebben; want ze zal hen eten in het verborgene, vermits gebrek van alles; in de belegering en in de benauwing waarmede uw vijand u zal benauwen in uw poorten.”

De Romeinse hoofden trachtten de Joden schrik aan te jagen, en hen op die wijze te dwingen, zich over te geven. De gevangenen, welke zich verzetten, nadat ze gevat waren, werden vor de stadsmuur gegeseld, gepijnigd, en gekruisigd. Honderden werden er dageliks op die wijze ter dood gebracht, en het vreselike werk hield aan, totdat in het dal van Josafat en op Golgotha het aantal kruisen z— groot was, dat er bijna geen plaats was om er zich tussen te bewegen. Z— vreselik werd dat ergerlike woord bezocht, dat vor Pilatus’ rechterstoel uitgesproken was: “Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen.”

Titus zou gaarne aan dit verschrikkelike toneel een einde gemaakt, en Jeruzalem alzo de volle mate van haar doem be-spaard hebben. Zijn ziel vervulde zich met afschuw, wanneer hij de lichamen van de doden op hopen in de valleien zag liggen. Als iemand in vervoering blikte hij van de top van de Olijfberg op de prachtige tempel neer, en gaf bevel dat er geen steen van zou aangeraakt worden. Alvorens te trachten zich van deze sterkte meester te maken, deed hij een ernstig beroep op de Joodse hoofden, dat ze hem niet dwingen zouden, de heilige plaats met bloed te verontreinigen. Indien ze uit wilden treden, en op een andere plaats vechten, zou geen Romein de heiligheid van de tempel schenden. Josephus zelf smeekte hen op hoogst welsprekende wijze, zich over te geven, om zichzelven, hun stad, en hun plaats van aanbidding te redden. Maar zijn woorden werden met bittere vloeken beantwoord. Men schoot pijlen op hem af, terwijl hij, hun laatste aardse bemiddelaar, met hen stond te pleiten. De Joden hadden zelfs niet op het smeken van Gods Zoon geacht, en nu maakten verwijt en smeking hen slechts vaster besloten, om tot het laatst toe vol te houden. Tevergeefs waren de pogingen van Titus om de tempel te redden; Één, groter dan hij, had verklaard, dat er niet één steen op de andere steen zou gelaten worden.

De blinde hardnekkigheid van de Joodse leiders, en de verachtelike misdaden, die binnen de belegerde stad gepleegd werden, wekten de afschuw en verontwaardiging van de Romeinen op, en Titus besloot ten laatste om de tempel te bestormen en in te nemen. Hij nam zich echter voor, dat de tempel, indien mogelik, voor verwoesting bewaard zou blijven. Maar er werd niet gelet op Zijn bevelen. Nadat hij zich ‘s nachts in zijn tent teruggetrokken had, vielen de Joden, een uitval uit de tempel doende, de soldaten buiten aan. In de strijd werd er door een soldaat een brandende fakkel door een opening in het portaal geworpen, en onmiddellik geraakten de met cederhout betimmerde vertrekken in lichte laaie vlam. Titus spoedde zich naar de plaats, gevolgd door zijn generaals en hoofdlieden, en beval de soldaten de vlammen te blussen. Er werd geen gehoor gegeven aan zijn woorden. In hun woede wierpen de soldaten brandend hout in de vertrekken, die aan de tempel grensden, en slachtten dan met hun zwaarden in groten getale degenen, die er toevlucht in genomen hadden. Het bloed vloeide als water van de tempeltrappen. Duizenden en duizenden Joden kwamen om. Boven het krijgsgedruis uit klonk de kreet: “Ichabod!”, de eer is weggevoerd.

“Het was Titus onmogelik om de woede van de soldaten te keren; hij ging met zijn officieren naar binnen, en bezag het inwendige van het heilige gebouw. De pracht vervulde hem met verbazing; en daar de vlammen nog niet tot de heilige plaats waren doorgedrongen, deed hij nog een laatste poging om die te redden, en vooruit springende, maande hij wederom de soldaten aan, om de voortgang van de brand te stuiten. Liberalis, een hoofdman over honderd, trachtte gehoorzaamheid af te dwingen met behulp van zijn staf; maar zelfs het ontzag voor de keizer week voor de woedende vijandschap tegen de Joden, de wilde opwinding van de strijd, en de onverzadigbare hoop op plundering. De soldaten zagen alles rondom zich schitteren van het goud, welks glans verblindde bij het helle licht van de vlammen; en ze veronderstelden dat er onberekenbare schatten in het heiligdom bewaard werden. Een soldaat wierp ongemerkt een brandende fakkel tussen de hengsels van de deur, en het gehele gebouw stond in een ogenblik in vlam. De verblindende rook en het vuur noodzaakten de officieren, zich terug te trekken, en het statige gebouw werd aan zijn lot overgelaten.

“Het was een ontroerend schouwspel voor de Romein; wat was het voor de Jood? De gehele top van de heuvel, die het uitzicht over de stad gaf, gloeide als een vulkaan. Het ene gebouw na het andere viel in, met ontzetténd gekraak, en werd verzwolgen in de vurige afgrond. De cederen daken waren vlammende platen gelijk; de vergulde koepels gloeiden als spitsen van rood licht; de torens van de poorten wierpen grote kolommen van vlammen en rook op. De omliggende heuvels werden verlicht; men zag donkere groepen van mensen in vreselike angst de voortgang van de verwoesting aanschouwen ; de muren en hoogten van de bovenstad waren vol aangezichten, sommige bleek van de angst der wanhoop, terwijl andere grijnsden van machteloze wraak. Het schreeuwen van de Romeinse soldaten, die heen en weer liepen, en het gekerm van de opstandelingen, die in de vlammen omkwamen, mengden zich met het knetteren van de brand en het donderend geluid van de vallende balken. De echo’s van de bergen herhaalden of weerkaatsten de kreten van het volk op de hoogten; langs alle muren weerklonken geschrei en klaagtonen; mannen, die stervende waren van de honger, spanden hun laatste krachten in om een kreet van angst en vertwijfeling uit te stoten.

“De slachting binnen de muren was nog vreseliker dan het schouwspel buiten af. Mannen en vrouwen, ouden en jongen, opstandelingen en priesters, zij, die vochten en zij, die om genade smeekten, werden zonder onderscheid in de algemene slachting neergehouwen. Het getal van de verslagenen was groter dan dat van de moordenaars. De soldaten moesten over hopen doden klimmen om hun vernielend werk voort te zetten.”

Na de verwoesting van de tempel viel de gehele stad al spoedig in handen van de Romeinen. De Joodse leiders trokken zich terug uit hun onneembare torens, en Titus vond ze verlaten. Met verwondering beschouwde hij ze, en verklaarde, dat God ze in zijn handen gegeven had; want geen machines, hoe krachtig ook, konden enige schade gedaan hebben aan die ontzaglike vestingen. Zowel stad als tempel werd tot op de fondamenten geslecht, en de grond, waarop het heiligdom gestaan had, werd “als een akker geploegd.” Bij het beleg en de slachting, die er op volgde, kwamen meer dan een miljoen mensen om; zij, wier leven gespaard bleef, werden als gevangenen weggevoerd, als slaven verkocht, naar Rome gesleept om de triomftocht van de keizer op te luisteren, in de amfitheaters voor de wilde beesten geworpen, of als zwervelingen zonder tehuis over de aarde verspreid.

De Joden hadden hun eigen ketenen gesmeed; ze hadden zelven de beker der wraak gevuld. In de algehele vernietiging, die hun als volk trof, en in al de ellende, die hen in hun verstrooiing volgde, oogstten ze slechts wat ze met hun eigen handen hadden gezaaid. De profeet zegt: “Het heeft u bedorven,

o Israël! want zij zijt gevallen om uw ongerechtigheid.” Hun lijden wordt dikwels voorgesteld als een straf, die hen trof door een direkt besluit Gods. Op die wijze zoekt de grote bedrieger zijn eigen werk te verbergen. Door hardnekkige verwerping van de Goddelike liefde en genade waren de Joden oorzaak geworden, dat God hun Zijn bescherming onttrokken had, en het Satan vergund werd hen volgens zijn wil te beheersen. De vreselike wreedheden, die bij de verwoesting van Jeruzalem begaan werden, zijn een voorbeeld van Satans wrekende macht over hen, die zich aan zijn heerschappij overgeven.

Wij kunnen niet beseffen, hoeveel we Christus verschuldigd zijn voor de vrede en de bescherming, die we genieten. Het is Gods terughoudende macht, die het voorkomt, dat de mensheid zich geheel en al onder de leiding van de Satan stelt. De ongehoorzamen en ondankbaren hebben grote reden tot dankbaarheid wegens Gods genade en lankmoedigheid in het betomen van de wrede, kwaadaardige macht van de boze. Maar wanneer de mens de grens van de Goddelike lankmoe-digheid overschrijdt, wordt dat bedwang weggenomen. God staat niet tegenover de zondaar in de verhouding van uitvoerder van het vonnis op overtreding; maar Hij laat hen, die Zijn genade verwerpen, aan zichzelven over, om te oogsten wat ze gezaaid hebben. Iedere straal van licht, die verworpen wordt; iedere hartstocht, waaraan wordt toegegeven; iedere overtreding van Gods wet, is een zaad, dat gezaaid wordt, om een nimmer missende oogst op te leveren. Gods Geest, voortdurend weerstaan, wordt ten laatste van de zondaar teruggetrokken, en dan is er geen macht meer om de boze hartstochten van de ziel in bedwang te houden, en geen bescherming meer tegen de kwaadaardigheid en vijandschap van de Satan. De verwoesting van Jeruzalem is een vreselike en ernstige waarschuwing voor allen, die het aanbod van de Goddelike genade licht achten, en zich verzetten tegen het pleiten van de Goddelike barmhartigheid. Er is nooit een beslister getuigenis gegeven van Gods haat tegen de zonde, en van de gewisse straf, die de schuldige zal treffen.

De profetie van de Heiland aangaande het komen van oordelen over Jeruzalem zal nog een verdere vervulling hebben, waarvan die vreselike vernieling slechts een flauwe afbeelding is. In de doem van de verkoren stad kunnen we de val van een wereld aanschouwen, die Gods genade verworpen en Zijn wet met voeten getreden heeft. Duister zijn de registers van menselike ellende, waarvan de aarde gedurende zijn lange eeuwen van misdaad getuige is geweest. Het hart ontzinkt ons, en het hoofd duizelt bij de beschouwing ervan. Vreselik zijn de gevolgen geweest van het verwerpen van het gezag des Hemels. Maar een nog donkerder schouwspel wordt ons in de openbaring van de toekomst afgetekend. Hetgeen van het verleden staat opgetekend, — de lange rij van oproeren, oorlogen en omwentelingen, toen “de ganse strijd dergenen, die streden, met gedruis geschiedde, en de klederen in het bloed gewenteld werden,” — wat zijn deze in vergelijk met de verschrikkingen van die dag, wanneer Gods beteugelende Geest geheel en al van de goddelozen zal afgetrokken worden, en de uitingen van menselike hartstocht en sataniese woede niet langer in toom houden zal! De wereld zal dan, als nooit tevoren, de gevolgen van Satans heerschappij aanschouwen.

Maar op die dag, gelijk ten tijde van de verwoesting van Jeruzalem, zal Gods volk verlost worden, “elkeen, wiens naam opgeschreven wordt gevonden onder de levenden.” Christus heeft verklaard, dat Hij voor de tweede maal komen zal, om Zijn getrouwen tot Zich te nemen; “dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen de Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlikheid. En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en ze zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.” Dan zullen zij die het evangelie niet gehoorzamen, verdaan worden door de verschijning Zijner toekomst. Gelijk Israël van ouds, zo ook doen de goddelozen zichzelven te niet; ze vallen door hun eigen ongerechtigheid. Door een leven in de zonde hebben ze zich dermate van God vervreemd, is hun natuur z— laag gezonken door het kwade, dat de openbaring van Zijn heerlikheid hun een verslindend vuur wordt.

Laten de mensen zich in acht nemen, en de onderwijzing niet veronachtzamen, die ze in de woorden van Christus vinden. Gelijk Hij Zijn discipelen waarschuwde vor de verwoesting van Jeruzalem, hun een teken gevende van de naderende val ervan opdat ze mochten ontkomen, zo ook heeft Hij de wereld gewaarschuwd vor de dag van de laatste verwoesting, en tekenen aangegeven van de nadering daarvan, opdat allen, die willen, ontvlieden zouden aan de toekomende toorn. Jezus verklaart: “Er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid der volken, met twijfelmoedigheid.” Zij, die de voorlopers van Zijn komst aanschouwen, moeten weten “dat het nabij is, vor de deur.” “Zo waakt dan,” 3 zijn Zijn vermanende woorden. Zij, die acht geven op de waarschuwing, zullen niet in duisternis gelaten worden, opdat die dag hen niet als een dief zou bevangen. Maar over hen, die niet willen waken, “zal die dag komen, gelijk een dief in de nacht.”

De wereld is tans niet meer gereed om de boodschap voor deze tijd te geloven, dan de Joden het waren, om des Heilands waarschuwing betreffende Jeruzalem te ontvangen. Wat er ook gebeuren moge, Gods dag zal onverwacht komen voor de goddelozen. Wanneer het leven zijn gewone gang gaat; wanneer de mensen zich verliezen in het zoeken naar gnot, in hun wereldse zaken en verkeer, en het jagen naar rijkdom; wanneer godsdienstige leiders de voortgang en verlichting van de wereld prijzen, en het volk gesust wordt in een valse gerustheid, — dan zal, zoals de dief te middernacht de onbewaakte woning besluipt, plotselinge verwoesting de zorgelozen en goddelozen overvallen, “en zij zullen het geenszins ontvlieden.”