12. De Hervorming in Frankrijk

Het Protest van Spiers en de Augsburgse Konfessie, welke de triomf van de Hervorming in Duitschland kenmerkten, werden gevolgd door jaren van strijd en donkerheid. Verzwakt door verdeeldheden onder de medestanders ervan, en door machtige vijanden aangevallen, scheen het Protestantisme gedoemd om geheel en al uitgeroeid te worden. Duizenden verzegelden hun getuigenis met hun bloed. Burgeroorlog brak uit; de zaak van de Protestanten werd door een van zijn voornaamste aanhangers verraden; de edelsten onder de hervormde prinsen vielen in de handen van de keizer, en werden gevangen van de ene stad naar de andere gesleept. Maar op het ogenblik van zijn schijnbare triomf leed de keizer een nederlaag. Hij zag zich de prooi uit de hand gerukt, en werd ten slotte genoodzaakt, de leer te dulden, de vernietiging waarvan de eerzucht van zijn leven geweest was. Hij had zijn rijk, zijn schatten en zelfs zijn leven op het spel gezet, om de ketterij uit te roeien. Nu zag hij zijn legers door de strijd vernield, nu was zijn schatkist ledig, nu bedreigde opstand zijn vele koninkrijken; terwijl het geloof, dat hij tevergeefs had trachten te onderdrukken, zich overal verbreidde. Karel V. had tegen een alvermogende macht gekampt. God had gezegd, “Daar zij licht,” maar de keizer had getracht, de duisternis onverstoord te laten. Zijn plannen waren mislukt, en, oud vor zijn tijd, uitgeput door de lange strijd, deed hij afstand van de troon, en trok zich in een klooster terug.

In Zwitserland, zowel als in Duitschland, braken er donkere dagen voor de Hervorming aan. Terwijl in vele kantons het hervormde geloof werd aangenomen, bleven andere met blinde hardnekkigheid aan het geloof van Rome hangen. Hun vervolging van hen, die de waarheid wensten aan te nemen, gaf eindelik aanleiding tot burgeroorlog. Zwingli en velen, die hem bijgestaan hadden in de Hervorming, vielen op het bloedige slagveld van Cappel. Oecolampadius stierf spoedig daarna, overstelpt door deze vreselike onheilen. Rome triomfeerde, en scheen op vele plaatsen alles te zullen herwinnen, wat het verloren had. Maar Hij, wiens raadslagen van eeuwigheid zijn, had Zijn zaak noch Zijn volk verlaten. Zijn hand zou hun verlossing brengen. In andere landen had Hij arbeiders verwekt, die de Hervorming zouden voortzetten.

In Frankrijk was de dag reeds begonnen te lichten, voordat Luthers naam als die van een hervormer vernomen was. Een van de eersten, die het licht aanschouwden, was de oude Lefèvre, een man van uitgebreide geleerdheid, professor aan de Universiteit te Parijs, en een oprecht en ijverig pausgezinde. Bij zijn nasporingen in de oude litteratuur vestigde zich zijn aandacht op de Bijbel, en hij voerde de studie ervan onder zijn studenten in.

Lefèvre was een ijverig aanbidder van de heiligen, en had het schrijven van een geschiedenis van de heiligen en marte-laren op zich genomen, gelijk die in de legenden van de Kerk aangegeven is. Dit was een werk, dat grote arbeid vereiste, maar hij had er reeds aanmerkelike vorderingen mede gemaakt, toen hij, denkende dat de Bijbel hem nuttige hulp zou kunnen verlenen, deze met dat doel begon te bestuderen. Hier vond hij inderdaad heiligen beschreven, maar niet zulken, als in de Roomse kalender voorkwamen. Een stroom van Goddelik licht baande zich een weg tot zijn ziel. Met ver-wondering en verachting keerde hij zich af van de taak, die hij zichzelf had opgelegd, en wijdde zich aan Gods woord. Het duurde niet lang, of hij begon de kostbare waarheden, die hij daarin ontdekte, te onderwijzen.

In 1512, vor nog Luther of Zwingli het werk van de hervorming had begonnen, schreef Lefèvre: “Het is Gods werk, die ons door het geloof die gerechtigheid schenkt, welke alleen ons door genade rechtvaardigt ten eeuwigen leven.” Peinzende over de geheimen van de verlossing, riep hij uit, “O, de onuitsprekelike grootheid van die verwisseling,— de Zondeloze wordt veroordeeld, en hij, die schuldig is, gaat vrij; de Zegen draagt de vloek, en de gevloekte wordt gezegend ; het Leven sterft, en de doden leven; de Heerlikheid wordt in duisternis gehuld, en hij, die niets dan beschaamheid des aangezichts kende, wordt met heerlikheid bekleed.”

En terwijl hij leerde, dat de eer van des mensen behoud alleen aan God toekomt, verklaarde hij tevens, dat op de mens de plicht van gehoorzaamheid rust. “Indien ge een lid zijt van de kerk van Christus,” zei hij, “zo zijt ge een lid van Zijn lichaam; indien ge van Zijn lichaam zijt, zo zijt ge vol van de Goddelike natuur. ... O, indien de mensen zich dit voorrecht maar konden indenken, hoe rein, kuis en heilig zouden ze leven, en hoe verachtelik, vergeleken met de heerlikheid in zichzelven,— die heerlikheid, welke het vleselik oog niet zien kan,— zouden ze al de heerlikheid van deze wereld rekenen. “

Er waren er sommigen onder Lefèvre’s studenten, die met gretigheid naar zijn woorden luisterden, en die, lang nadat de stem van de leermeester verstomd zou zijn, voortgaan zouden met de waarheid te verkondigen. Eén van die was Willem Farel. De zoon van godvruchtige ouders, en opgevoed tot onbeperkt vertrouwen in de leer van de kerk, kon hij met de apostel Paulus van zichzelf gezegd hebben, dat hij “naar de bescheidenste sekte van zijn godsdienst, als een Farizeër geleefd had.” Een toegewijd aanhanger van Rome, brandde hij van ijver om allen, die zich tegen de kerk durfden verzetten, te vernietigen. “Ik knarste op mijn tanden als een woedende wolf,” zei hij later, doelende op dit tijdperk van zijn leven, “wanneer ik iemand tegen de paus hoorde spreken.” Hij was onvermoeid geweest in zijn aanbidding van de heiligen, was in het gezelschap van Lefèvre de kerken van Parijs rond gegaan, had bij de altaren aangebeden, en de beelden der heiligen met giften vereerd. Maar deze kerkelike gebruiken konden zijn ziel geen vrede aanbrengen. Overtuiging van zonde begon hem te drukken, en wat boetedoeningen hij ook verrichtte, hij slaagde er niet in, om die weg te krijgen. Als naar een stem uit de hemel luisterde hij naar de stem van de hervormer: “De zaligheid is uit genade.” “De Onschuldige is veroordeeld, en de overtreder vrijgesproken.” “Het is alleen het kruis van Christus, dat de poorten des hemels opent, en de poorten der hel sluit.”

Farel nam met vreugde de waarheid aan. Door een bekering, op die van Paulus gelijkend, keerde hij zich van de slavernij Van de overlevering tot de vrijheid van de kinderen Gods. “In plaats van met het. moordzuchtige hart van een verslindende wolf, kwam hij terug,” zei hij, “rustig als een zacht en schuldeloos lam, met zijn hart volkomen afgetrokken van de paus, en aan Jezus Christus overgegeven.” Terwijl Lefèvre de verbreiding van het licht onder zijn studenten voortzette, ging Farel, even ijverig in de zaak van Christus als hij geweest was in die van de paus, uit om de waarheid in het publiek te verkondigen. Een hoge geestelike van de kerk, de bisschop van Meaux, voegde zich spoedig bij hem. Andere leraren, die hoog stonden aangeschreven om hun bekwaamheid en geleerdheid, hielpen mede aan de verkondiging van het evangelie, en het won zich aanhangers onder alle klassen, van de woningen van de werklieden en boeren af, tot in het paleis van de koning toe. De zuster van Frans I., toentertijd de regerende vorst, omhelsde het hervormde geloof. De koning zelf, en de koninginmoeder, schenen het een tijdlang gunstig gezind, en vol hoop zagen de hervormers uit naar de dag, wanneer Frankrijk voor het evangelie zou gewonnen worden.

Maar hun hoop zou niet worden verwezenlikt. Beproeving en vervolging wachtten de discipelen van Christus. Dit was echter genadig verborgen voor hun ogen. Een tijd van vrede ging eraan vooraf, opdat ze kracht zouden vergaderen om de storm te weerstaan; en de Hervorming maakte snelle vorderingen. De bisschop van Meaux arbeidde ijverig in zijn eigen bisdom, geesteliken zowel als leken onderwijzende. Onwetende en zedeloze priesters werden verwijderd, en zoveel mogelik door geleerde en vrome mannen vervangen. De bisschop wenste vurig, dat zijn volk voor zichzelf toegang tot Gods woord zou kunnen hebben, en dit werd spoedig teweeggebracht. Lefèvre nam de vertaling van het Nieuwe Testament op zich, en terzelfder tijd, dat Luthers Duitse Bijbel te Wittenberg van de pers kwam, werd het Franse Nieuwe Testament te Meaux uitgegeven. De bisschop spaarde arbeid noch kosten tot verspreiding ervan in zijn gemeenten, en spoedig was de boerebevolking van Meaux in het bezit van de Heilige Schriften.

Gelijk reizigers, die van dorst versmachten, met vreugde een borrelende bron verwelkomen, zo ontvingen deze zielen de boodschap des hemels. De arbeiders in het veld, de ambachtslieden in de werkplaats, vervrolikten hun dagwerk door te spreken over de kostbare waarheden van de Bijbel. In stede van ‘s avonds naar de wijnhuizen te gaan, vergaderden ze in elkanders woningen om Gods woord te lezen, en zich te verenigen tot gebed en lofzang. Een grote verandering was spoedig in deze gemeenten waarneembaar. Hoewel tot de nederigste klasse van ongeleerde en hardwerkende boeren behorende, werd de hervormende en opheffende kracht van de Goddelike genade in hun leven aanschouwd. Nederig, liefhebbend en heilig, werden ze getuigen van wat het evangelie doet voor hen, die het in oprechtheid ontvangen.

Het licht, te Meaux ontstoken, spreidde zijn stralen wijd en zijd. Iedere dag groeide het aantal bekeerlingen aan. De woede van de geestelikheid werd een tijd lang door de koning in toom gehouden, die de bekrompen dweperijen van de monniken verachtte; maar de pausgezinde hoofden verkregen ten laatste de overhand. Nu werd de brandstapel opgericht. De bisschop van Meaux, gedwongen om te kiezen tussen de vlammen en herroeping, koos het gemakkelikste pad; maar ondanks de val van de aanvoerder bleef zijn kudde standvastig. Velen getuigden voor de waarheid uit het midden van de vlammen. Door hun moed en getrouwheid op de branstapel spraken deze eenvoudige Christenen tot duizenden, die in de dagen van vrede hun getuigenis nooit vernomen hadden.

Het waren niet alleen de eenvoudigen en de armen, die te midden van lijden en spot voor Christus durfden getuigen. In de rijke zalen van kasteel en paleis waren koninklike zielen, die de waarheid hoger, schatten dan weelde of rang, of zelfs het leven. Een ridderlike wapenrusting dekte een edeler en standvastiger geest, dan het kleed en de mijter van de bisschop. Lodewijk de Berquin was van edele geboorte, een dapper en hoffelik ridder, hield van studie, was beschaafd van manieren, en vlekkeloos van zeden. “Hij was,” zegt een schrijver, “een ijverige volgeling van de pauselike instellingen, en een getrouw bijwoner van missen en predikatieën, ... en hij kroonde al zijn andere deugden door een biezondere afschuw voor het Lutheranisme.” Maar gelijk zoveel anderen door de Voorzienigheid tot de Bijbel geleid, was hij verbaasd, “daarin niet de leer van het pausdom, maar Luthers leer te vinden.” Van toen af gaf hij zich met algehele toewijding aan de zaak van het evangelie.

“De geleerdste onder de edelen van Frankrijk zijnde,” werd hij om zijn genie en welsprekendheid, zijn onbedwingbare moed en heldhaftige ijver, zowel als zijn invloed aan het hof — want hij was een gunsteling van de koning — door velen aangezien als bestemd om de hervormer van zijn land te worden. Beda zegt: “Berquin zou een tweede Luther geweest zijn, indien hij in Frans I. een tweede keurvorst gevonden had.” “Hij is erger dan Luther,“ riepen de pausgezinden. Inderdaad werd hij door de Roomsgezinden in Frankrijk meer gevreesd. Ze wierpen hem in de gevangenis wegens ketterij, maar de koning stelde hem in vrijheid. Jaren lang werd de strijd voortgezet. Frans, die geslingerd werd tussen Rome en de Hervorming, duldde en weerhield afwisselend de vurige ijver van de monniken. Berquin werd drie malen op pauselik gezag gevangen gezet, maar slechts om weder door de vorst te worden bevrijd, die, uit bewondering voor zijn genie en karakteradel, weigerde om hem op te offeren aan de kwaadaardigheid van de priesterschap.

Berquin werd herhaaldelik gewaarschuwd voor het gevaar, dat hem in Frankrijk dreigde, en men drong er op aan, dat hij de voetstappen zou volgen van hen, die veiligheid gevonden hadden in vrijwillige ballingschap. De schroomvallige en mensevrezende Erasinus,— welke met al de glans van zijn geleerdheid die zedelike grootheid miste, welke waarheid hoger doet schatten dan leven en eer — schreef aan Berquin: “Vraag om als gezant naar een vreemd land te worden gezonden ; ga in Duitschland reizen. Ge kent Beda en de mannen van zijn soort — hij is een duizendhoofdig monster, dat gift spuwt naar alle kanten. Uw vijanden zijn legio. Zelfs indien uw zaak beter was dan die van Jezus Christus, zouden ze u nog niet laten gaan, voordat ze u ellendig hadden omgebracht. Verlaat u niet te veel op de bescherming van de koning. In ieder geval, breng mij niet in gevaar bij de fakulteit van de godgeleerdheid.”

Maar bij het vermeerderen van de gevaren werd Berquin’s ijver slechts groter. Verre van de politieke en zelfzuchtige raad van Erasmus te volgen, besloot hij om nog stoutmoediger maatregelen te nemen. Hij wilde niet alleen pal staan in het verdedigen van de waarheid, maar wilde ook de dwaling aanvallen. De aanklacht van ketterij, die de Roomsen tegen hem trachtten in te brengen, wilde hij op henzelven terugwerpen. De ijverigste en bitterste van zijn tegenstanders waren de geleerde doktoren en monniken van het theologiese departement van de grote Universiteit van Parijs, een van de hoogste gezagvoerende lichamen op geestelik gebied, zowel in de stad als bij het volk. Aan de geschriften van deze doktoren ontleende Berquin twaalf stellingen, die hij openlik verklaarde “tegen de Bijbel, en ketters” te zijn; en hij beriep zich op de koning om als rechter in de strijd op te treden.

De koning, die niet ongaarne de kracht en schranderheid van de strijdende partijen tegen elkander gesteld zag, en zich verheugde over een gelegenheid, om de trots van die hoogmoedige monniken te vernederen, vroeg de Roomsen om hun zaak uit de Bijbel te verdedigen. Ze wisten zeer goed, dat dit wapen hun weinig zou baten; gevangenneming, marteling en de brandstapel waren wapenen, die ze beter wisten te hanteren. Nu waren de zaken omgekeerd, en zagen ze zich aan de rand van de afgrond gebracht, waarin ze gehoopt hadden, Berquin te zullen werpen. In ontsteltenis zagen ze om naar een uitweg ter ontkoming.

“Juist in die tijd werd er een beeld van de heilige maagd, dat op de hoek van een van de straten stond, verminkt gevon-den.” Er heerste grote opgewondenheid in de stad. Het volk stroomde in menigten naar de plaats, en drukte hun rouw en verontwaardiging uit. De koning was evenzeer ontsteld. Hier bood zich een kans aan, waarvan de monniken goed gebruik konden maken, en ze lieten hem niet voorbijgaan. “Dat zijn de vruchten van de leer van Berquin,” riepen ze. “Alles zal omvergeworpen worden,— godsdienst, wetten, en de troon zelf,— door deze Lutherse samenzwering.”

Nogmaals werd Berquin in hechtenis genomen. De koning trok zich uit Parijs terug, en dus hadden de monniken vrij spel. De hervormer werd verhoord, en ter dood veroordeeld, en opdat Frans nog niet misschien zou tussenbeide treden om hem te redden, werd het vonnis op dezelfde dag, waarop het uitgesproken werd, voltrokken, ‘s Middags om twaalf uur werd Berquin naar de plaats van de terechtstelling gevoerd. Een ontzaglike menigte stroomde samen om getuige te zijn van de gebeurtenis; en velen waren er, die met verwondering en een angstig voorgevoel zagen, dat het slachtoffer gekozen was uit de beste en dapperste van de adellike familieën van Frankrijk. Verbazing, verontwaardiging, verachting en bittere haat verduisterden de aangezichten van die golvende menigte; maar op één gelaat lag er geen schaduw. De gedachten van de martelaar waren ver verwijderd van dat woelige toneel; hij was zich slechts van de tegenwoordigheid van zijn Heer bewust.

De ellendige kar, waarop hij reed, de gefronste aangezichten van zijn vervolgers, de vreselike dood, die hij tegemoet ging,— dat alles achtte hij niet; Hij, die leeft en dood is geweest, en leeft in alle eeuwigheid, en die de sleutelen der hel en des doods heeft, was aan zijn zijde. Berquins gelaat glansde van het licht en de vrede des hemels. Hij had zich met zorg gekleed, en droeg “een mantel van fluweel, een wambuis van satijn en damast, en een goudgele broek.” Hij stond op het punt van zijn geloof te betuigen in tegenwoor-digheid van de Koning der koningen en het toeschouwende heelal, en geen teken van rouw zou zijn blijdschap logenstraffen.

Terwijl de processie langzaam door de volle straten trok, merkte het volk met verwondering de onbewolkte vrede en de blijde triomf op, die uit zijn blik en houding spraken. “Hij is,” zeiden ze, “als een, die in een tempel zit, en over heilige dingen peinst.”

Op de brandstapel staande trachtte Berquin enige woorden tot het volk te richten; maar de monniken, het gevolg hiervan vrezende, begonnen te schreeuwen, en de soldaten sloegen met hun wapenen tegen elkander, zodat hun rumoer de stem van de martelaar onhoorbaar maakte. Zo gaf in 1529 de hoogste letterkundige en geestelike macht van het beschaafde Parijs “aan de bevolking van 1793 het lage voorbeeld van op het schavot de heilige woorden van de stervenden te smoren.”

Berquin werd geworgd, en zijn lichaam door de vlammen verteerd. De tijding van zijn dood vervulde de vrienden van de Hervorming door geheel Frankrijk met droefenis. Maar zijn voorbeeld was niet vergeefs. “Wij zijn eveneens bereid,” zeiden de getuigen voor de waarheid, “om de dood blijmoedig tegemoet te gaan, met onze ogen gericht op het leven, dat te komen staat.”

Gedurende de vervolging te Meaux werden de leraars van het hervormde geloof van hun vrijheid om te prediken beroofd, en vertrokken naar andere velden. Lefèvre ging na een tijd naar Duitschland. Farel vertrok naar zijn geboorteplaats in Oostelik Frankrijk, om het licht te verspreiden in het land van zijn geboorte. De tijding van wat te Meaux was voorgevallen, was daar reeds doorgedrongen, en de waarheid, die hij met onversaagde ijver predikte, vond toehoorders. Spoedig legden de overheden hem het zwijgen op, en werd hij uit de stad gebannen. Ofschoon hij niet meer in het openbaar kon werken, trok hij door de vlakten en dorpen, leerde in private huizen en afgelegen weiden, en vond een schuilplaats in wouden en tussen de rotsspelonken, die hij in zijn jongensjaren zo druk bezocht had. God bereidde hem voor op nog groter beproevingen. “De kruisen, vervolgingen, en listige plannen van Satan, waar ik tevoren voor gewaarschuwd was, ontbraken niet,” zei hij; “ze waren zelfs veel harder, dan ik in mijn eigen kracht zou hebben kunnen dragen; maar God is mijn Vader; hij heeft mij de nodige kracht toegedeeld, en zal mij die altijd schenken.”

Gelijk in de dagen van de apostelen, was de vervolging “meer tot bevordering van het evangelie gekomen.” Uit Parijs en Meaux verdreven, “gingen zij, die verstrooid waren, het land door, en verkondigden het woord.” En z— vond het licht een baan naar vele van de verstgelegen provincieën van Frankrijk.

God bereidde nog meer arbeiders voor, om Zijn zaak uit te breiden. In een van de scholen van Parijs was een ernstige, stille jongeling, die reeds blijken gaf van een krachtige en onderzoekende geest, en niet minder gekenmerkt werd door de vlekkeloosheid van zijn leven dan door zijn studieijver en toegewijdheid aan de godsdienst. Zijn genie en leergierigheid maakten hem spoedig de trots van de hogeschool, en men vertrouwde te mogen verwachten, dat Johannes Calvijn een van de kundigste en geëerdste verdedigers van de kerk zou worden. Doch er drong een straal van Goddelik licht zelfs tot binnen de muren van de scholastiek en het bijgeloof door, waardoor Calvijn zich zag omgeven. Hij hoorde met een rilling van de nieuwe leer, en twijfelde er geenszins aan, dat de ketters het vuur, waaraan ze overgegeven werden, verdiend hadden. Toch werd hij onwetend met de ketterij in aanraking gebracht, en gedwongen, de kracht van de Roomse godgeleerdheid te toetsen in het bestrijden van de Protestantse leer.

Een neef van Calvijn, die zich bij de hervormers had aangesloten, was te Parijs. De twee bloedverwanten ontmoetten elkander dikwels, en bespraken samen de zaken, die de Christenheid verontrustten. “Er zijn maar twee godsdiensten in de wereld,” zei Olivetan, de Protestant. “De ene soort van godsdiensten zijn die, welke door de mensen uitgedacht zijn, volgens alle welke de mens zichzelf redt door ceremonieën en goede werken; de andere is die éne godsdienst, die in de Bijbel geopenbaard is, en die de mensen leert, hun zaligheid alleen van Gods vrije genade te verwachten.”

“Ik wil niets weten van uw nieuwe leer,” riep Calvijn uit; “denkt ge dat ik al mijn dagen in dwaling heb geleefd?”

Maar er waren gedachten bij hem opgewekt, die hij niet zo gemakkelik van zich afzetten kon. In de eenzaamheid van zijn kamer peinsde hij over de woorden van zijn neef. Overtuiging van zonde maakte zich van hem meester; hij aanschouwde zichzelf zonder Middelaar in de tegenwoordigheid van een heilige en rechtvaardige Rechter. De tussenkomst van de heiligen, goede werken, de ceremonieën van de kerk, waren alle onvoldoende om de zonde te verzoenen. Hij kon niets vor zich uit zien dan de duisternis van eeuwige wanhoop. Tevergeefs trachtten de doktoren van de kerk zijn smart te verlichten. Zonder gevolg werd er toevlucht genomen tot biecht en boetedoening; ze konden de ziel niet met God verzoenen.

Terwijl deze vruchteloze strijd hem nog bezighield, gebeurde het op een dag, dat Calvijn een van de publieke pleinen bezocht, en daar getuige was van het verbranden van een ketter. De uitdrukking van vrede op het gelaat van de martelaar vervulde hem met verbazing. Te midden van de martelingen van die vreselike dood, en onder de nog vreseliker veroordeling van de kerk, openbaarde hij een geloof en moed, die de jonge student met smart vergeleek met zijn eigen wanhoop en duisternis, terwijl hij toch in de strikste gehoorzaamheid aan de kerk leefde. Op de Bijbel, dit wist hij, grondden de ketters hun geloof. Hij besloot hem te bestuderen, en zo mogelik te ontdekken, wat het geheim van hun vreugde was.

In de Bijbel vond hij Christus. “O Vader,” riep hij uit, “Zijn offerande heeft Uw toorn bevredigd; Zijn bloed heeft mijn onreinheid weggewassen; Zijn kruis heeft mijn vloek gedragen; Zijn dood heeft voor mij verzoening aangebracht. Wij hadden voor onszelven vele nutteloze dwaasheden uitgedacht, maar Gij hebt Uw Woord vor mij geplaatst als een fakkel, en gij hebt mijn hart bewogen, opdat ik een afschuw zou krijgen van alle verdiensten, behalve die van Jezus.”

Calvijn was voor het priesterambt opgeleid. Toen hij nog slechts twaalf jaar oud was, werd hem het kapelaanschap van een kleine kerk toegewezen, en was zijn hoofd door de bisschop geschoren in overeenstemming met de wet van de kerk. Hij werd niet gewijd, en vervulde ook niet de plichten van een priester; maar hij werd een lid van de geestelikheid, droeg de titel van zijn ambt, en ontving een toelage uit hoofde daarvan.

Daar hij nu gevoelde, dat hij nooit priester kon worden, gaf hij zich voor een tijd aan de studie van de wet, maar liet dit plan eindelik varen, en besloot, zijn leven aan het evangelie te wijden. Hij aarzelde echter om in het openbaar als leraar op te treden. Van nature was hij beschroomd, en ging gebukt onder het gevoel van de gewichtige verantwoordelikheid van het ambt; daarbij verlangde hij, zich nog verder aan de studie te wijden. Eindelik echter gaf hij gehoor aan de ernstige aandrang van zijn vrienden. ” Verwonderlik is het,” zei hij, “dat iemand van een z— lage afkomst tot zulk een grote waardigheid zou verheven worden.”

Calvijn begon zijn werk zonder ophef, en zijn woorden waren als de dauw, die verfrissend op de aarde nederzijgt. Hij had Parijs verlaten, en was nu in een provinciestad, onder de bescherming van prinses Margaretha, die, daar ze het evangelie liefhad, haar bescherming tot de volgelingen ervan uitstrekte. Calvijn was nog een jongeling met een zachtzinnig, stil voorkomen. Zijn werk begon bij het volk in hun woningen. Omringd door de leden van het huisgezin las hij de Bijbel, en legde de waarheden van de verlossing open. Zij, die de boodschap hoorden, brachten de goede tijding aan anderen, en al spoedig vertrok de leraar uit de hoofdstad naar de rondom liggende dorpen en gehuchten. Hij vond toegang tot kasteel en hut, en arbeidde voort, het fondament leggende van kerken, waaruit onversaagde getuigen voor de waarheid zouden voortkomen.

Na enige maanden bevond hij zich weder te Parijs. Er heerste een ongewone opschudding in de kring van geleerden en studenten. De studie van de oude talen had de mensen naar de Bijbel gedreven, en velen, wier harten koud bleven voor de waarheden, daarin vervat, bespraken ze met gretigheid, en bestreden zelfs de kampvechters van het Romanisme. Ofschoon Calvijn een vaardig strijder was op het gebied van godsdienstige twistvragen, had hij een hogere roeping te vervullen dan die van deze praatzieke scholasten. De geest van de mensen was wakker geschud, en nu was het tijd, om hun de waarheid te ontvouwen. Terwijl de zalen van de universiteiten weerklonken van de galm van de godsdienstige twistgesprekken, ging Calvijn van huis tot huis, verklaarde de Bijbel aan het volk, en sprak tot hen van Christus en die gekruist.

Onder Gods voorzienigheid zou Parijs nogmaals een uitnodiging ontvangen om het evangelie aan te nemen. De roepstem van Lefèvre en Farel was verworpen, maar opnieuw zouden alle klassen in die grote hoofdstad de boodschap horen. De koning had om staatkundige redenen nog niet geheel en al de partij van Rome tegen de Hervorming gekozen. Margaretha klemde zich nog vast aan de hoop, dat het Protestantisme in Frankrijk de overwinning zou behalen. Ze besloot, het hervormde geloof te Parijs te laten prediken. Tijdens de afwezigheid van de koning gelastte ze een Protestantse leraar, het in de kerken van de stad te verkondigen. Toen dit door de pauselike geesteliken verboden werd, zette de prinses het paleis ervoor open. Een vertrek werd tot kapel ingericht, en er werd bekend gemaakt, dat er iedere dag op een bepaald uur zou gepredikt worden, en dat het volk van alle rang en stand uitgenodigd werd om te komen. Scharen stroomden naar de diensten. Niet alleen de kapel, maar ook de voor-zalen en gangen waren bezet. Duizenden kwamen er iedere dag samen,— edellieden, staatsmannen, wetgeleerden, koopmannen en ambachtslieden. De koning, in plaats van de Ver-gaderingen te verbieden, beval dat twee van de kerken van Parijs zouden opengesteld worden. Nooit tevoren was de stad z— bewogen geweest door het woord van God. De geest des levens uit de hemel scheen over het volk uitgestort te zijn. Matigheid, reinheid, orde en nijverheid namen de plaats in van dronkenschap, losbandigheid, twist en luiheid.

Maar de priesterschap zat niet stil. De koning bleef nog weigeren, om een einde aan het prediken te maken, en daarom richtten ze zich tot de bevolking. Geen middelen werden gespaard om de angst, de vooroordelen, en de dweepzucht van de onwetende en bijgelovige menigten op te wekken. Zich blindelings aan zijn valse leraren overgevende, bekende Parijs, gelijk Jeruzalem van ouds, de tijd van zijn bezoeking niet, noch de dingen, die tot zijn vrede dienden. Twee jaren lang werd het woord Gods in de hoofdstad gepredikt; maar terwijl er velen waren, die het evangelie aannamen, verwierp de meerderheid van het volk het. De verdraagzaamheid van koning Frans was slechts voor de schijn geweest, om zijn eigen doeleinden te bereiken, en de pausgezinden slaagden erin, het gezag te herwinnen. De kerken werden weder gesloten, en de brandstapel opgericht.

Calvijn was nog te Parijs, en bereidde zich door studie, overpeinzingen en gebed voor op zijn toekomstige werk, en hield aan, het licht te verspreiden. Eindelik echter kwam hij onder verdenking. De overheden besloten hem naar de vlammen te brengen. Zichzelf veilig wanende in zijn afzondering, dacht hij niet aan gevaar, toen er vrienden zijn kamer binnenstormden met de tijding, dat er beambten op weg waren om hem gevangen te nemen. Op hetzelfde ogenblik hoorden ze een luid kloppen aan de buitendeur. Er was geen tijd te verliezen. Sommige van de vrienden hielden de beambten aan de deur aan de praat, terwijl anderen de hervormer hielpen om zich uit een venster neer te laten, zodat hij zich in aller ijl naar de voorsteden kon begeven. Hier vond hij schuilplaats in de woning van een werkman, die een vriend van de Hervorming was, vermomde zich in de klederen van zijn gastheer, en begaf zich met een schoffel over de schouder op weg. Zuidwaarts reizende, vond hij opnieuw bescherming binnen Margaretha’s gebied.

Hier vertoefde hij enige maanden, veilig onder de bescherming van machtige vrienden, en zich als tevoren met de studie bezighoudende. Maar hij had zijn hart gezet op de evangelisatie van Frankrijk, en kon niet langer werkeloos blijven. Z— spoedig de storm enigszins bedaard was, zocht hij een nieuw arbeidsveld te Poitiers, waar er een hogeschool was, en waar de nieuwe inzichten reeds gunstig waren ontvangen. Personen van alle klassen luisterden gaarne naar het evangelie. Er was geen openbare prediking, maar aan de woning van de hoofdmagistraat, in zijn eigen tehuis, en somtijds ook in een publieke tuin, verklaarde Calvijn de woorden van het eeuwige leven aan hen, die wensten te luisteren. Mettertijd groeide het aantal toehoorders aan, en werd het veiliger geacht, buiten de stad samen te komen. Een grot aan de kant van een diepe, nauwe kloof, waar bomen en overhangende rotsen de afzondering nog volkomener maakten, werd tot plaats van samenkomst gekozen. Kleine groepjes, die de stad langs verschillende wegen uitgingen, slopen ongemerkt daarheen. In dit afgelegen oord werd de Bijbel gelezen en uitgelegd. Hier werd het Avondmaal des Heren voor de eerste maal door de Protestanten van Frankrijk gevierd. Van deze kleine kerk werden verscheidene trouwe evangelisten uitgezonden.

Nog eenmaal keerde Calvijn naar Parijs terug. Hij kon zelfs nu nog de hoop niet opgeven, dat Frankrijk als een volk de Hervorming zou aannemen. Maar hij vond bijna iedere deur gesloten voor zijn werk. Het evangelie onderwijzen was de rechte weg naar de brandstapel inslaan, en hij besloot eindelik om naar Duitschland te vertrekken. Nauweliks had hij Frankrijk verlaten, of een storm barstte over de Protestanten los, die, was hij gebleven, hem stellig zou hebben medegesleept in de algemene ondergang.

De Franse hervormers, begerig om hun land gelijke tred te zien houden met Duitschland en Zwitserland, besloten, de bijgelovigheden van Rome zulk een stoute slag toe te dienen, dat het gehele volk opgeschrikt zou worden. Gevolgelik werden er op één nacht door geheel Frankrijk plakkaten aangeplakt, waarin de mis werd aangevallen. In plaats van de Hervorming aan te helpen, bracht deze voortvarende maar slecht overlegde beweging niet alleen de bewerkers ervan, maar ook de vrienden van het hervormde geloof door geheel Frankrijk ten val. Het verschafte aan de Roomsen dat, waarnaar ze reeds lang hadden uitgezien,— een voorwendsel, om de algehele uitroeiing van de ketters te eisen als onruststokers, die gevaarlik waren voor de veiligheid van de troon, en voor de vrede van de natie.

Door de ene of andere geheime hand — hetzij van een onvoorzichtige vriend of slimme vijand, dat is nooit aan het licht gekomen — werd een van die plakkaten aan de deur van de private kamer van de koning gehecht. De vorst stond verslagen. In dit stuk werden bijgelovigheden, die eeuwen lang geëerd geworden waren, met een onverbiddelike hand aangevallen. En de voorbeeldeloze stoutmoedigheid van deze krachtige en overwachte uitspraken aan de koning op te dringen, wekte de toorn van de vorst op. In verbazing stond hij enige tijd bevend en sprakeloos. Toen uitte zich zijn woede in de vreselike woorden: “Grijpt allen zonder onderscheid, die verdacht worden van Lutherse ketterij. Ik zal ze allen uitroeien.” De teerling was geworpen. De koning had besloten, zich algeheel aan de kant van Rome te stellen.

Dadelik werden er maatregelen genomen voor de gevangenneming van iedere Lutheraan, te Parijs woonachtig. Een arme ambachtsman, aanhanger van het hervormde geloof, die gewoon geweest was de gelovigen op te roepen tot bijwoning van de geheime vergaderingen, werd gegrepen; en onder bedreiging van onmiddellik op de brandstapel gedood te zullen worden, ontving hij last, de pauselike afgezant naar de woning van iedere Protestant in de stad te brengen. Hij schrikte met afschuw van dit lage voorstel terug, maar eindelik nam de vrees voor de vlammen de overhand, en stemde hij erin toe, de verrader van zijn broederen te worden. Voorafgegaan van de hostie, en door een stoet van priesters, wierookdragers, monniken en soldaten omgeven, trok Morin, de koninklike speurder, met de verrader langzaam en zwijgend door de straten van de stad. De demonstratie was schijnbaar ter ere van het “heilige sakrament,” een boetedoening voor de belediging, die door de Protestanten aan de mis was aangedaan. Maar onder de praal van deze optocht lag een dodelik doel verborgen. Tegenover het huis van een Lutheraan aangekomen, gaf de verrader een teken, doch er werd geen woord gesproken. De processie hield stil, men trad het huis binnen, de familie werd eruit gesleept en geketend, en de ellendige troep ging verder om naar nieuwe slachtoffers te zoeken. “Geen huis, groot of klein, zelfs niet de scholen van de Universiteit van Parijs, werd gespaard. . . . Morin deed de gehele stad sidderen. . . . “Het was een schrikbewind.”

De slachtoffers werden onder wrede martelingen ter dood gebracht, daar er bepaald gelast was, het vuur laag te houden, om hun doodsangst te verlengen. Maar ze stierven als overwinnaars. Hun standvastigheid bleef ongeschokt, hun vrede onbewolkt. Hun vervolgers, niet bij machte om hun onwrikbare standvastigheid te doen wankelen, gevoelden, dat ze de nederlaag leden. “De schavotten werden in al de wijken van

1 D’Aubigné, ” History of the Reformation in the Time of Calvin,” boek 4, kap. 10. Parijs opgericht, en het verbranden geschiedde op achtereenvolgende dagen; het doel hiervan was om de schrik van de ketterij te verspreiden door de terechtstelling over een langere tijd uit te strekken. Het evangelie trok hier echter in het einde voordeel uit. Geheel Parijs werd in staat gesteld om te zien, wat soort van mensen de nieuwe meningen konden voortbrengen. Er was geen preekstoel, die aan de brandstapel van de martelaar gelijk stond. De kalme vreugde, die het aangezicht van deze mensen verhelderde, wanneer ze . . . naar de plaats van de terechtstelling gevoerd werden, hun heldemoed, als de vreselike vlammen rondom hen opstegen, hun zachtmoedige vergiffenis van het ondergane leed, veranderden in niet weinig gevallen toorn in medelijden, en haat in liefde, en pleitte met onweerstaanbare welsprekendheid voor het evangelie.”

De priesters, die erop bedacht waren, de volkswoede op het hoogste punt te houden, strooiden de vreselikste aanklachten tegen de Prostesanten uit. Ze werden beschuldigd van samengespannen te hebben om de Katholieken te vermoorden, de regering omver te werpen, en de koning te doden. Niet het geringste bewijs kon aangevoerd worden om deze beweringen te staven. Toch zouden deze boze voorspellingen in vervulling treden; echter onder zeer verschillende omstandigheden, en door oorzaken van een tegenovergesteld karakter. De wreedheden, welke aan de onschuldige Protestanten door de Katholieken werden aangedaan, hadden een schrikkelike wederwraak ten gevolge, en brachten in de volgende eeuwen hetzelfde lot over de koning, zijn regering en onderdanen, als ze voorspeld hadden; maar het werd door ongelovigen en pausgezinden teweeg gebracht. Het was niet de vestiging, maar de onderdrukking van het Protestantisme, welke drie honderd jaren later zulke vreselike onheilen over Frankrijk zou brengen.

Achterdocht, wantrouwen en angst heersten nu onder alle standen van de maatschappij. Bij de algemene beroering kwam er aan de dag, hoe diep de Lutherse leer wortel had geschoten in de harten van mensen, die bovenaan stonden in opvoeding, invloed, en uitnemendheid van karakter. Gewichtige en eervolle betrekkingen werden plotseling vakant bevonden. Ambachtslieden, drukkers, studenten, professoren aan de universiteiten, schrijvers en zelfs hovelingen verdwenen. Honderden vluchtten uit Parijs, en gaven door vrijwillige ballingen van hun geboortegrond te worden in vele gevallen het eerste blijk, dat ze het hervormde geloof gunstig gezind waren. De pausgezinden staarden in verwondering rond bij de gedachte aan de vele onverdachte ketters, die ze onder zich geduld hadden. Hun woede koelde zich op de menigte eenvoudiger slachtoffers, die binnen het bereik van hun macht vielen. De gevangenissen waren overvol, en de rook van de brandstapels, die voor de belijders van het evangelie aangestoken werden, scheen de lucht te verduisteren.

Frans I. had er zich op beroemd, een leider te zijn van de grote beweging voor de herleving van de wetenschap, welke het begin van de zestiende eeuw kenmerkte. Het was hem een genot geweest, geletterden uit ieder land aan zijn hof te verzamelen. Aan zijn liefde voor de wetenschap, en verachting van de onwetendheid en bijgelovigheid van de monniken was de mate van verdraagzaamheid, waarmede de hervorming behandeld was, altans gedeeltelik te danken geweest. Maar deze beschermer van de wetenschap, brandende van ijver om de hervorming uit te delgen, vaardigde een edikt uit, waarbij het drukken door geheel Frankrijk afgeschaft werd! Frans I. is een van de vele voorbeelden in de geschiedenis, welke aantonen, dat verstandelike ontwikkling geen waarborg is tegen onverdraagzaamheid en vervolging.

Frankrijk zou zich door een plechtige en publieke ceremonie algeheel tot uitroeiing van het Protestantisme verbinden. De priesters eisten, dat de belediging, de hoge hemel aangedaan door de veroordeling van de mis, door bloed moest gedelgd worden, en dat de koning voor het welzijn van zijn volk openlik zijn toestemming tot dit vreselike werk moest geven.

De 21ste Januarie 1535 werd voor deze gruwelike plechtigheid vastgesteld. De bijgelovige vrees en dweepzieke haat van het gehele volk waren opgewekt. Te Parijs verdrongen zich de menigten, die uit al het omliggende land door de straten wemelden. De dag zou begonnen worden met een grote en indrukwekkende optocht. “De huizen, waar hij langs zou trekken, waren met rouwfloers behangen, en hier en daar waren er altaren opgericht.” Vor iedere deur stond een brandende fakkel ter ere van het “heilige sakrament.” Vor het aanbreken van de dag vormde zich de optocht vor het paleis van de koning. “Eerst kwamen de banieren en kruisen van de verschillende parochieën; daarna verschenen de burgers, twee aan twee lopend met brandende fakkels in de hand.” De vier monnikeorden volgden, elk in zijn eigen biezondere kledij. Daarna kwam er een grote verzameling van beroemde relikwieën. Hierachter reden hoge geesteliken in hun purperen en scharlaken kleding en met juwelen bezette versierselen, een grootse, schitterende vertoning.

“De hostie werd door de bisschop van Parijs onder een prachtige hemel gedragen, door vier prinsen van den bloede ondersteund. . . . Achter de hostie liep de koning. . . . Frans I. droeg die dag geen kroon of koninklik kleed.” ” Blootschoofds, met neergeslagen ogen, en met een brandende kaars in de hand,” verscheen de koning van Frankrijk in het openbaar “als een boeteling.” Bij ieder altaar boog hij zich in verootmoediging neder, niet voor de zonden, die zijn ziel besmetten, noch ook voor het onschuldige bloed, dat zijn handen bezoedeld had, maar voor de gruwelike overtreding van zijn onderdanen, die de mis hadden durven veroordelen. Na hem volgden de koningin en de hoge beambten van de staat, eveneens paarsgewijze, en elk met een brandende fakkel.

Als een deel van de diensten van de dag sprak de vorst zelf de hoge ambtenaren van het rijk toe in de grote zaal van het bisschoppelik paleis. Met een bekommerd gelaat verscheen hij vor hen, en betreurde in treffende, welsprekende bewoordingen de “misdaad, de laster, de dag van smart en schande,” die over het volk gekomen was. Hij riep ieder getrouw onderdaan op, om mede te helpen tot uitroeiing van deze verderfelike ketterijen, die Frankrijk met de ondergang bedreigden. “Zo waar, Heren, als ik uw koning ben,” sprak hij, “indien ik wist, dat een van mijn eigen ledematen bevlekt of aangestoken was met dit verachtelik bederf, ik zou het u geven om het af te houwen. ... En verder, indien ik een van mijn kinderen er mede bezoedeld zag, ik zou hem niet sparen. . . . Zelf zou ik hem overgeven, en aan God opofferen.” Tranen verstikten zijn stem, de gehele vergadering weende, en riep als uit één mond; “We willen leven en sterven voor het Katholieke geloof.”

Schrikkelik was de duisternis geworden van het volk, dat het licht van de waarheid verworpen had. “De zaligmakende genade” was verschenen; maar Frankrijk had zich afgekeerd, en de duisternis verkoren boven het licht, en dat na de kracht en heiligheid ervan te hebben aanschouwd, nadat duizenden aangetrokken waren geweest door de Goddelike schoonheid ervan, en steden en dorpen door zijn glans waren verlicht. Ze hadden de hemelse gave geweigerd, toen die hun werd aangeboden. Ze hadden kwaad goed, en goed kwaad genoemd, totdat ze de slachtoffers waren geworden van hun eigenwillig zelfbedrog. Zelfs al geloofden ze nu wezenlik, dat ze Gode een dienst bewezen door Zijn volk te vervolgen, deed hun oprechtheid hun schuld toch niet weg. Ze hadden het licht eigenwillig verworpen, dat hen voor verleiding zou bewaard hebben, en hun zielen voor de smet van bloedschuld behoed.

Een plechtige eed tot uitdelging van de ketterij werd in de grote kathedraal afgelegd, waar bijna drie eeuwen later de “Godin der Rede” zou gekroond worden door een volk, dat de levende God had vergeten. Opnieuw vormde de optocht zich, en maakten de vertegenwoordigers van Frankrijk een aanvang met het werk, dat ze gezworen hadden te zullen doen. “Op korte afstanden waren er schavotten opgericht, waarop zekere Protestantse Christenen levend verbrand zouden worden ; en het was z— ingericht, dat de stapel aangestoken zou worden bij de nadering van de koning, en dat de optocht zou stilhouden om de voltrekking van het vonnis te zien.” De biezonderheden van de martelingen, die deze getuigen voor Christus ondergingen, zijn te vreselik om te noemen; toch was er aan de zijde van de slachtoffers niets dan standvastigheid. Een van hen antwoordde, toen men er op aandrong, dat hij zou herroepen: “Ik geloof alleen in wat de profeten en apostelen vroeger gepredikt hebben, en waarin al de heiligen hebben geloofd. Mijn geloof staat z— vast op God gebouwd, dat het alle macht van de hel weerstand kan bieden.”

Keer op keer maakte de optocht halt bij de plaatsen der marteling. Na hun uitgangspunt aan het paleis van de koning bereikt te hebben, verstrooide de menigte zich, en trokken zieh de koning en de prelaten terug, zeer voldaan over de verrichtingen van de dag, en zich gelukwensende, dat het nu begonnen werk zou voortgezet worden tot volkomen vernietiging van de ketterij.

Het evangelie des vredes, dat Frankrijk verworpen had, zou maar al te zeker uitgeroeid worden, en vreselik zouden de gevolgen zijn. Op de 21ste Januarie 1793, juist twee honderd acht en vijftig jaren van de dag af, dat Frankrijk geheel en al tot de vervolging van de hervormers besloot, trok er een andere optocht met een zeer verschillend doel door de straten van Parijs. “Wederom was de koning de hoofdfiguur; wederom was er rumoer en geschreeuw; wederom werd de kreet om meer slachtoffers gehoord; wederom waren er zwarte schavotten; en wederom werden de gebeurtenissen van de dag met ijselike terechtstelllingen besloten: Lodewijk XVI., worstelende met zijn bewaarders en beulen, werd naar het blok gesleept, en daar met geweld vastgehouden, tot de bijl gevallen was, en zijn afgehouwen hoofd over het schavot rolde.” Ook was de koning niet het enige slachtoffer; dicht bij diezelfde plaats kwamen twee duizend acht honderd mensen door de guillotine gedurende de bloedige dagen van het Schrikbewind om het leven.

De Hervorming had de wereld een open Bijbel geschonken, de voorschriften van Gods wet blootgelegd, en zijn eisen bij het volk bepleit. Oneindige Liefde had aan de mensen de rechten en grondregels des hemels ontvouwd. God had gezegd : “Behoudt ze dan, en doet ze: want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen van de volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een groot en verstandig volk.” Toen Frankrijk de gift des hemels verwierp, zaaide het het zaad van regeringloosheid en ondergang: en de onvermijdelike uitwerking van oorzaak en gevolg leidde tot de Revolutie en het Schrikbewind.

Lang vor de vervolging, die door de plakkaten veroorzaakt was, had zich de stoutmoedige en vurige Farel ge-dwongen gezien, uit zijn geboorteland te vluchten. Hij begaf zich naar Zwitserland, en met zijn arbeid het werk van Zwingli steunende, hielp hij mede om de balans ten gunste van de hervorming te doen overslaan. Zijn latere jaren moest hij hier doorbrengen; toch bleef hij een bepaalde invloed uitoefenen op de hervorming in Frankrijk. Gedurende de eerste jaren van zijn ballingschap richtten zich zijn pogingen in het biezonder op de verspreiding van het evangelie in zijn eigen land. Hij bracht een aanmerkelik deel van zijn tijd door met prediken onder zijn landslieden aan de grens, waar hij met onvermoeide waakzaamheid de strijd naging, en er door woorden van aanmoediging en raad aan medehielp. Met behulp van andere ballingen werden de geschriften van de Duitse hervormers in de Franse taal overgezet, en samen met de Franse Bijbel in groten getale gedrukt. Door kolporteurs werden deze boeken alom in Frankrijk verkocht. Ze werden aan de kolporteurs tegen een lage prijs afgestaan, en z— stelde de winst van hun werk hen in staat, er mede voort te gaan.

Farel begon zijn werk in Zwitserland als een eenvoudige schoolmeester. Zich naar een afgezonderde parochie begevende, wijdde hij zich aan het onderwijs van de kinderen. Behalve de gewone leervakken leerde hij hun met omzichtigheid de waarheden van de Bijbel, hopende door de kinderen hun ouders te bereiken. Er waren er enigen, die geloofden, maar de priesters begonnen het werk te hinderen, en het bijgelovige landvolk werd opgestookt om zich er tegen te verzetten. “Dat kan het evangelie van Christus niet zijn,” voerden de priesters aan, “daar de prediking ervan geen vrede maar oorlog brengt.” Gelijk de eerste discipelen vluchtte hij, wanneer hij in de ene stad vervolgd werd, naar een andere. Hij ging van dorp tot dorp, van stad tot stad; te voet reizende, honger, koude en vermoeidheid verdurende, en overal in levensgevaar verkerende. Hij predikte op de markten, in de kerken, somtijds op de kansels van de kathedralen. Het gebeurde soms, dat hij de kerk zonder hoorders vond: bij tijden werd zijn prediking onderbroken door kreten en spotwoorden, of wel hij werd met geweld van de kansel afgesleept. Meer dan eenmaal viel het lage volk hem aan, en werd hij bijna doodgeslagen. Toch ging hij voort. Schoon menigmaal afgewezen, vernieuwde hij steeds met onvermoeide volharding de aanval weder: en één voor één zag hij de steden, die vestingen van het pausdom geweest waren, hun poorten voor het evangelie openen. De kleine parochie, waarin hij eerst gewerkt had, nam al spoedig het hervormde geloof aan. De steden Morat en Neufchâtel gaven eveneens de Roomse gebruiken op, en namen de afgodiese beelden uit hun kerken weg.

Farel had lange tijd gewenst om de Protestantse standaard te Génève te planten. Indien deze stad gewonnen kon worden, zou het een middelpunt van de Hervorming voor Frankrijk, Zwitserland en Italië zijn. Met dit doel voor ogen had hij zijn arbeid voortgezet, totdat vele van de omliggende steden en dorpen gewonnen waren. Toen begaf hij zich met slechts één enkele metgezel naar Génève. Maar het werd hem slechts vergund om twee malen te prediken. De priesters, die tevergeefs getracht hadden hem door de burgerlike macht te doen veroordelen, daagden hem voor een geestelike raad, waar ze zich heen begaven met wapenen onder hun klederen verborgen, vast besloten hem om te brengen. Buiten de zaal was er een woedende volksmenigte vergaderd met knotsen en zwaarden, om zich van zijn dood te verzekeren, indien het hem zou mogen gelukken, aan de raad te ontsnappen. De tegenwoordigheid van magistraten en een gewapende macht redde hem echter. De volgende morgen werd hij vroegtijdig met zijn metgezel over het meer naar een veilige schuilplaats gevoerd. Z— eindigde zijn eerste poging om aan Génève het evangelie te brengen.

Voor de volgende proefneming werd er een minder werktuig gekozen,— een jonge man, die er z— eenvoudig uitzag, dat hij zelfs door de erkende vrienden van de hervorming met koelheid behandeld werd. Maar wat kon zo iemand doen, waar Farel verworpen was? Hoe kon iemand met weinig moed en ondervinding aan de storm weerstand bieden, waarvoor de sterkste en moedigste genoodzaakt was geweest te vluchten? “Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn geest zal het geschieden, zegt de Heer der Heirscharen.” “Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou.” “Want het dwaze Gods is wijzer dan de mensen: en het zwakke Gods is sterker dan de mensen.”

Froment begon zijn werk als schoolmeester. De waarheden, die hij de kinderen in de school leerde, herhaalden ze in hun woningen. Al spoedig kwamen de ouders om de Bijbel te horen uitleggen, totdat de schoolkamer gevuld was met aandachtige toehoorders. Nieuwe Testamenten en traktaten werden vrij rondgedeeld, en bereikten velen, die niet openlik durfden komen om naar de nieuwe leer te luisteren. Na een tijd werd deze arbeider ook gedwongen om te vluchten: maar de door hem onderwezen waarheden hadden zich vastgezet in de harten van de mensen. De Hervorming was geplant, en werd sterker en breidde zich uit. De predikers keerden terug, en door hun arbeid werd de Protestantse eredienst eindelik te Génève ingesteld.

De stad had zich reeds voor de Hervorming verklaard, toen Calvijn na veel omzwervingen en wisselvalligheden de poorten binnenkwam. Van zijn laatste bezoek aan zijn geboortplaats wederkerende, was hij op weg naar Bazel; maar hij vond de hoofdweg bezet door de legers van Karel V., en was gedwongen een omweg door Génève te maken.

In dit bezoek erkende Farel Gods hand. Ofschoon Génève het hervormde geloof aangenomen had, bleef er daar nog een groot werk te verrichten. Het is niet bij gemeenten maar bij enkele personen, dat de mensen tot Göd bekeerd worden; het werk van de wedergeboorte moet in hart en geweten gewrocht worden door de kracht van de Heilige Geest, en niet door de dekreten van koncilieën. Hoewel het volk van Génève het gezag van Rome afgeschud had, waren ze niet zo gewillig, de zonden op te geven, welke onder die regering de overhand hadden gehad. De reine gronddenkbeelden van het evangelie hier te vestigen, en dit volk te bereiden tot waardige vervulling van de plaats, waartoe de Voorzienigheid hen scheen te roepen, was geen lichte taak.

Farel hield er zich van verzekerd, dat hij in Calvijn iemand gevonden had, die zich met hem zou kunnen verbinden tot het verrichten van dit werk. In de naam van God bad hij de jonge evangelist plechtig daar te blijven arbeiden. Calvijn schrok daarvoor terug. Beschroomd en vredelievend van aard, was hij bang voor de stoutmoedige, onafhankelike, en zelfs heftige geest van de inwoners van Génève. Zijn zwakke gezondheid, verbonden met zijn liefde tot de studie, liet hem de afzondering zoeken. Gelovende, dat hij met zijn pen het best de zaak van de hervorming kon dienen, wenste hij een stille schuilplaats te vinden om te kunnen studeren, en vandaar uit door de pers de kerken te onderwijzen en op te bouwen. Maar Farels plechtige vermaning kwam tot hem als een roepstem uit de hemel, en hij durfde niet weigeren. Het scheen hem toe, zei hij, “alsof Gods hand zich uitstrekte van de hemel, hem aanvatte, en hem onherroepelik aan de plaats bond, die hij zo spoedig had wensen te verlaten.”

In deze tijd was de zaak van de Protestanten door veel gevaren bezet. De banvloek van de paus werd tegen Génève geslingerd, en machtige volken bedreigden de stad met verwoesting. Hoe zou deze kleine stad het machtige gezag van de priesterschap wederstaan, dat zo menigmaal koningen en keizers tot onderwerping had genoodzaakt? Hoe kon hij zich staande houden tegen de legers van de grote overwinnaars van de wereld?

Door de gehele Christenheid heen werd het Protestantisme door machtige vijanden bedreigd. Na de eerste overwinningen van de Hervorming verzamelde Rome nieuwe krachten, in de hoop van de nieuwe leer te kunnen omverwerpen. In deze tijd werd de orde van de Jezuïeten gesticht, de wreedste, meest gewetenloze en machtigste van alle kampvechters van het pausdom. Afgesneden van iedere aardse band en alle menselike belangen, dood voor de eisen van de natuurlike genegenheki, de rede en het geweten volkomen gesmoord, kenden zij geen wet, geen band, dan die van hun eigen orde, en geen plicht, dan het uitbreiden van de macht ervan. Het evangelie van Christus had zijn aanhangers in staat gesteld, gevaren te ontmoeten en lijden te verdragen, onbevreesd voor koude, honger, moeite en armoede, en de banier van de waarheid omhoog te houden met pijnbank, kerker en brandstapel voor ogen. Om deze machten te bestrijden bezielde het Jezuïetisme zijn volgelingen met een dweepzucht, die hen in staat stelde, gelijke gevaren te doorstaan, en zich met al de wapenen der misleiding te verzetten tegen de kracht van de waarheid. Er was geen misdaad te groot voor hen, geen bedrog te laag, geen vermomming te moeilik. Ze hadden de gelofte van voortdurende armoede en nederigheid afgelegd, en dus was het doel, waarnaar ze streefden, zich schatten en macht te verzekeren, die gewijd zouden worden aan de verwoesting van het Protestantisme, en de wederoprichting van het pauselike oppergezag.

Wanneer ze verschenen als leden van hun orde, droegen ze het kleed der heiligheid, bezochten gevangenissen en hospitalen, verpleegden de zieken, verzorgden armen, en beleden, dat ze de wereld afgezworen hadden, en de heilige naam van Jezus droegen, die rondging goeddoende. Doch onder dit vlekkeloos uiterlik waren dikwels de misdadigste en dodelikste plannen verborgen. Het was een aangenomen grondregel bij de orde, dat de uitkomst de middelen rechtvaardigt. Volgens deze wet waren leugen, diefstal, meineed, moord, niet alleen vergefelik, maar zelfs prijzenswaardig, wanneer ze de belangen van de kerk bevorderden. Onder verschillende vermommingen baanden de Jezuïeten zich een weg tot de staatsambten, klommen op tot raadsheren van koningen, en regelden de staatkunde van de volkeren. Ze werden bedienden, om spionnen van hun meesters te kunnen zijn. Ze richtten hogescholen op voor de zonen van prinsen en edelen, en scholen voor het gewone volk; en de kinderen van Protestantse ouders werden aldus tot het waarnemen van Roomse gebruiken gebracht. Al de uiterlike pracht en vertoning van de Katholieke eredienst werd aangewend om het verstand te benevelen, en de verbeelding te verblinden en te verstrikken; en z— werd de vrijheid, waarvoor de vaderen hadden gearbeid, en hun bloed hadden vergoten, door de zonen verraden. De Jezuïten verspreidden zich snel over Europa, en waar ze ook maar gingen, daar volgde een herleving van het pausdom.

Om hun meer macht te geven werd er een bul uitgevaardigd, waarbij de Inkwisitie weder werd ingesteld. Niettegenstaande de algemene afschuw, waarmede hij zelfs in de Katholieke landen werd beschouwd, stelden de pauselike heersers deze vreselike rechtbank opnieuw in; en gruwelen, te onmenselik om te vermelden, werden in zijn geheime kerkers gepleegd. In vele landen werden duizenden bij duizenden van de voornaamsten onder het volk, de reinsten en edelsten, de verstandigsten en best opgevoeden, vrome en ijverige leraren, werkzame en vaderlandslievende burgers, beroemde geleerden, talentvolle kunstenaars, bekwame handwerkslieden, —f gedood, öf gedwongen naar elders te vluchten.

Zodanige waren de middelen, die Rome te werk had gesteld, om het licht van de Hervorming uit te doven, om de mensen van de Bijbel af te trekken, en de onwetendheid en bijgelovigheid van de Middeleeuwen weder te herstellen. Maar onder de zegen Gods en de arbeid van de edele mannen, die Hij had verwekt om Luther op te volgen, werd het Protestantisme niet uitgeroeid. Het zou zijn kracht niet danken aan de gunst of de wapenen van vorsten. De kleinste, nederigste en minstvermogende naties werden er de bolwerken van: het kleine Génève te midden van machtige vijanden, die zijn ondergang besloten hadden; Holland, op zijn zandbanken aan de Noordzee rustend, worstelend tegen de tirannie van Spanje, dat toen het grootste en rijkste koninkrijk was; het barre, onvruchtbare Zweden,— die waren het, waar de Hervorming overwinningen behaalde.

Bijna dertig jaren lang arbeidde Calvijn te Génève: eerst om aldaar een kerk te stichten, die zich aan de zedeleer van de Bijbel hield, en vervolgens tot bevordering van de Hervorming door geheel Europa. Zijn loopbaan als openbaar leider was niet zonder blaam, noch ook zijn leer vrij van dwaling. Maar door zijn medewerking werden waarheden verkondigd, die van biezonder gewicht waren voor zijn tijd, om de grondbeginselen van hot Protestantisme tegen de snol kerende vlood van hot pausdom to handhaven, on om in de hervormde kerken eenvoud en reinheid van wandel te bevorderen, in plaats van de trots on het bederf, dat aangekweekt word door do Roomse leer.

Van Génève gingen geschriften en leraren uit om de hervormde leer te verspreiden. De vervolgden uit alle landen sloegen de ogen naar deze plaats om onderricht, raad, en bemoediging te bekomen. De stad van Calvijn werd oen schuilplaats voor de verjaagde hervormers van geheel westelik Europa. Vluchtende voor de vreselike stormen, die eeuwen duurden, zochten de vluchtelingen de poorten van Génève. Uitgehongord, gewond, van huis en bloedverwanten beroofd, werden ze warm verwelkomd en tederlik verzorgd: en hier een tehuis vindende, werden ze tot een zegen voor de stad van hun nederzetting door hun bekwaamheid, hun geleerdheid en hun vroomheid. Velen, die hier een schuilplaats zochten, koorden naar hun eigen land terug, om zich te verzetten tegen de tirannie van Rome.