16. De Pelgrimvaders

Terwijl de Engelse hervormers de leerstellingen van Rome verwierpen, behielden ze desniettemin verscheidene van de vormen ervan. Dientengevolge werden er, ofschoon Rooms gezag en Roomse geloofsleer verworpen werden, niet weinige van de gebruiken en ceremonieën van die kerk in de eredienst van de Kerk van Engeland overgenomen. Men beweerde, dat die dingen geen gewetenszaken waren; dat, ofschoon ze in de Schrift niet bevolen werden, en daarom niet noodzakelik, ze toch niet wezenlik slecht waren, daar er geen verbod tegen gegeven was. Het nakomen ervan strekte ertoe om de klove, welke de hervormde kerken van Rome scheidde, toe te halen, en men beweerde, dat ze de aanname van het Protestantse geloof door Roomsen in de hand zouden werken.

Voor de konservatieven en inschikkeliken schenen deze argumenten voldoende. Doch er was een andere klasse, die er niet zo over oordeelde. Het feit, dat die gebruiken “strekten tot demping van de klove tussen Rome en de Hervorming”, was in hun oog een beslissende beweegreden tegen het aanhouden ervan. Zij beschouwden ze als kentekenen van de slavernij, waaruit ze verlost waren, en waartoe ze zich niet geneigd voelden terug te keren. Ze overlegden, dat God in Zijn Woord de bepalingen had aangegeven, volgens welke Zijn eredienst moest worden ingericht, en dat het aan mensen niet vrijstond, daar iets aan af of toe te doen. Het eigenlike begin van de grote afval lag in het streven om het gezag van de kerk in de plaats te stellen van het gezag van God. Rome was begonnen voor te schrijven, wat God niet verboden had, en eindigde met te verbieden, wat Hij uitdrukkelik had gelast.

Velen wensten ernstig, terug te keren tot de reinheid en eenvoudigheid, welke de eerste kerk had gekenmerkt. Ze be-schouwden vele van de gevestigde gebruiken in de Engelse Kerk als gedenktekenen van de afgodedienst, en konden zich gewetenshalve niet met zijn eredienst verenigen. Maar de kerk, ondersteund door de burgerlike overheid, wilde geen afwijking van zijn vormen gedogen. Het bijwonen van zijn godsdienstoefeningen werd door de wet geëist, en bijeenkomsten voor godsdienstige doeleinden, buiten de bij de wet bepaalde, werden verboden op straffe van inhechtenisneming, verbanning, en dood.

Bij het begin van de zeventiende eeuw verklaarde de vorst, die juist de troon van Engeland beklommen had, dat hij besloten was, de Puriteinen “te laten gehoorzamen, of . . . hen te plagen, tot ze het land verlieten, of anders nog wat ergers.” Verjaagd, vervolgd, en in de gevangenis geworpen, konden ze in de toekomst geen hoop op betere dagen zien, en velen hielden er zich van overtuigd, dat voor hen, die God wensten te dienen volgens de inspraak van hun geweten, “Engeland voor altijd had opgehouden een bewoonbare streek te zijn.” Sommigen besloten ten laatste om een schuilplaats in Holland te zoeken. Moeilikheden, verliezen, en gevangenzetting werden hun deel. Hun plannen werden verijdeld, en ze werden overgeleverd in de handen van hun vijanden. Doch standvastige volharding behaalde eindelik de overwinning, en ze vonden een schuilplaats op de vriendelike kusten van de Hollandse Republiek.

In hun vlucht hadden ze hun huizen, goederen, en middelen van bestaan achtergelaten. Ze waren vreemdelingen in een vreemd land, onder een volk, dat een andere taal sprak, en andere gebruiken had. Ze waren verplicht om de toevlucht te nemen tot nieuwe en onbeproefde hanteringen om hun brood te verdienen. Mannen van middelbare leeftijd, die hun leven hadden doorgebracht met het bewerken van de grond, moesten nu ambachten leren. Maar ze schikten zich blijmoedig in hun lot, en verloren geen tijd door luiheid of ontevre-denheid. Ofschoon armoede hen menigmaal kwelde, dankten ze God voor de zegeningen, die Hij hun nog schonk, en vonden hun genot in het oefenen van ongehinderde geestelike gemeen-schap. “Ze wisten, dat ze pelgrims waren, en letten niet veel op die dingen, maar hieven hun ogen op naar de hemel, hun liefste land, en brachten hun gemoed tot stilte.”

Te midden van verbanning en moeite wiesen hun liefde en geloof aan. Ze vertrouwden op de beloften des Heren, en Hij beschaamde hen niet in de tijd van nood. Zijn engelen stonden hun ter zijde, om hen te bemoedigen en te steunen. En toen Gods hand hen naar de overkant van de zee scheen te wijzen, naar een land, waar ze zich een staat konden stichten, en aan hun kinderen de kostbare erfenis van godsdienstvrijheid zouden kunnen nalaten, sloegen ze zonder aarzeling het pad van de Voorzienigheid in.

God had toegelaten dat beproevingen Zijn volk troffen, om hen voor te bereiden op de vervulling van Zijn genadige plannen met hen. De kerk werd vernederd, opdat hij verhoogd zou worden. God stond op het punt om Zijn macht ten behoeve ervan ten toon te spreiden, ten einde de wereld nog een verder bewijs te geven, dat Hij dezulken, die hun vertrouwen op Hem stellen, niet verlaten zal. Hij had de loop van de gebeurtenissen z— beschikt, dat de woede van de Satan en de overleggingen van boze mensen samenwerkten om Zijn eer te verhogen, en Zijn volk naar een veilige plaats te brengen. Vervolging en verbanning openden de weg tot vrijheid.

Toen ze zich in het eerst verplicht zagen, om zich van de Engelse Kerk af te scheiden, verbonden de Puriteinen zich door een plechtig verbond, dat zij als Gods vrije volk “in al Zijn wegen, die ze kenden, of die hun geopenbaard zouden worden, wandelen zouden.” Dat was de ware hervormingsgeest, het hoofdbeginsel van het Protestantisme. Het was met dit doel, dat de Pelgrims uit Holland vertrokken, om een tehuis in de Nieuwe Wereld te zoeken. John Robinson, hun leraar, die door omstandigheden verhinderd werd hen te vergezellen, sprak in zijn afscheidsrede de uitgewekenen aldus toe:

“Broeders, binnen kort zullen we gescheiden zijn, en de Heer weet, of ik lang genoeg zal leven, om uw aangezichten weer te zien. Maar hetzij de Heer dit alzo beschikt heeft of niet, ik gelast u voor God en Zijn heilige engelen, dat ge mij niet verder zult volgen dan ik Christus nagevolgd ben. Zo God u door een ander werktuig van Zijn hand iets zou openbaren, weest dan even gereed om dit te ontvangen, als ge altijd geweest zijt om de waarheid door mijn bediening aan te nemen; want ik houd er mij van verzekerd, dat de Heer in Zijn heilig Woord nog meer waarheid en licht heeft, die Hij wil laten doorbreken.”

“Wat mijzelf betreft, ik kan de toestand van de hervormde kerken niet genoeg betreuren, die op godsdienstig gebied tot een punt gekomen zijn, en voor het tegenwoordige niet verder willen gaan dan de bewerkers van hun hervorming. De Lutheranen kunnen er niet toe gebracht worden om verder te gaan dan hetgeen Luther kende; ... en de Calvinisten blijven steken, gelijk gij ziet, waar ze gelaten zijn door die grote man Gods, die echter nog niet alle dingen inzag. Dit is een betreurenswaardige toestand; want ofschoon ze in hun tijd brandende en schijnende lichten waren, zijn ze toch niet in de gehele raad Gods ingedrongen; maar, leefden ze nu, ze zouden even gewillig zijn om verder licht aan te nemen, als ze het waren om dat te ontvangen, hetwelk hun in het eerst geschonken werd.”

“Gedenkt aan het verbond van uw kerk, waarbij gij zijt overeen gekomen om te wandelen in al de wegen des Heren, die u bekend zijn gemaakt, of bekend gemaakt zullen worden. Gedenkt aan uw belofte en uw verbond met God en met elkander, om aan te nemen alle licht en waarheid, die u geopenbaard zullen worden uit Zijn geschreven Woord; maar ik smeek u, neemt u tevens in acht, wat ge als waarheid ontvangt, en bepeinst het en vergelijkt het met andere teksten, vor ge het aanneemt; want het is niet mogelik, dat de Christelike wereld zo kortelings uit zulk een dichte antichristelike duisternis komen, en er onmiddellik volmaakte kennis voortbreken zou. “

Het was het verlangen naar vrijheid van geweten, dat de Pelgrims aanspoorde om de gevaren van de lange zeereis te trotseren, de moeilikheden en gevaren van de wildernis te verdragen, en onder Gods zegen op de kusten van Amerika het fondament voor een machtig volk te leggen. Toch, eerlik en godvrezend schoon ze waren, verstonden de Pelgrims het grote grondbeginsel van godsdienstige verdraagzaamheid nog niet. De vrijheid, waar ze zoveel voor opofferden, om die voor zichzelven te verzekeren, waren ze niet in gelijk mate bereid ook aan anderen toe te staan. “Zeer weinigen, zelfs van de voornaamste denkers en zedemeesters van de zeventiende eeuw, hadden een juiste opvatting van dat grootse beginsel, uitvloeisel van het Nieuwe Testament, dat God erkent als de enige rechter van het geloof van mensem” De leer, dat God aan de kerk het recht heeft toevertrouwd om over het geweten te heersen, en ketterij te omschrijven en te straffen, is een van de diepst gewortelde pauselike dwalingen. Terwijl de hervormers de leer van Rome verwierpen, waren ze niet volkomen vrij van zijn onverdraagzame geest. De grote duisternis, waarin het pausdom gedurende de lange eeuwen van zijn regering de gehele Christenheid had gehuld, was zelfs nu nog niet geheel en al verdwenen. Een van de eerste predikanten in de kolonie aan de Massachusetts Haai sprak: “Het was verdraagzaamheid, die de wereld antichristelik maakte; en de kerk heeft nooit schade geleden door het bestraffen van ketters.” De kolonisten namen de regel aan, dat alleen de leden van de kerk stem zouden hebben in de burgerlike regering. Er werd een soort van staatskerk gevormd ; van al het volk werd een bijdrage tot onderhoud van de geestelikheid geëist, en de magistraten kregen last om ketterij te onderdrukken. Aldus kwam de burgerlike macht in handen van de kerk. Het duurde niet lang, voordat deze maatregelen tot het onvermijdelik gevolg ervan leidden,— namelik vervolging.

Elf jaren na het vestigen van de eerste kolonie kwam Roger Williams naar de Nieuwe Wereld over. Evenals de eerste pelgrims kwam hij om godsdienstige vrijheid te genieten; maar ongelijk aan hen, zag hij in,— wat zo weinigen in zijn tijd nog gezien hadden — dat deze vrijheid het onvervreemdbare recht van allen was, wat hun geloof ook zijn mocht. Hij was een ernstige zoeker naar waarheid, en hield het met Robinson voor onmogelik, dat al het licht uit Gods woord reeds ontvangen was. Williams “was de eerste persoon in de moderne Christenheid, die de burgerlike regering op de leer van gewetensvrijheid en de gelijkheid van denkbeelden voor de wet wilde doen berusten.” Hij verklaarde, dat het de plicht van de magistraat was, om misdaden tegen te gaan, maar geenszins om het geweten aan banden te leggen. “Het publiek of de magistraten mogen beslissen,” zei hij, “wat de mens aan zijn evenmens verschuldigd is; maar wanneer ze trachten de plichten van de mens jegens God voor te schrijven, gaan ze hun roeping te buiten, en kan er geen veiligheid zijn; want het is duidelik, dat indien de magistraat die macht bezit, hij heden het ene stel meningen of geloofspunten kan voorschrijven, en morgen een ander, gelijk in Engeland gedaan is door onderscheidene koningen en koninginnen, en dooide verschillende pausen en raadsvergaderingen in de Roomse Kerk; waardoor het geloof een grote verwarring zou worden.”

Het bijwonen van de diensten van de erkende kerk werd cp straffe van boete of gevangenschap verplichtend gemaakt. “Williams keurde de wet af; de slechtste bepaling in het Engelse wetboek was die, welke slechts het bij wonen van de parochie-kerk verplichtend maakte. Mensen te dwingen, zich met diegenen te verenigen, die een ander geloof waren toegedaan, beschouwde hij als een openlike verkrachting van hun natuurlike rechten; de ongodsdienstigen en onwilligen naar de publieke eredienst te drijven, scheen huichelarij eisen te zijn. . . . ‘Niemand,’ zei hij, ‘behoorde tegen zijn eigen toestemming in gedwongen te worden om aan eredienst deel te nemen, of enige eredienst te handhaven.’ ‘Hoe!’ riepen zijn tegenstanders, verbaasd over zijn stellingen, uit, ‘is de arbeider zijn loon niet waardig?’ ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘van degenen, die hem huren.’ “

Roger Williams was geëerd en bemind als een getrouw prediker, een man van buitengewone begaafdheid, van onwankelbare rechtschapenheid en ware milddadigheid; toch kon men zijn standvastige weigering om het recht van de burgerlike magistraten op gezag over de kerk te erkennen, en zijn eis om godsdienstvrijheid te hebben, niet dulden. Men zei, dat de toepassing van deze nieuwe leer “de grondslagen van de staat en het bestuur van het land omverwerpen zou.” Hij werd veroordeeld tot verbanning uit de kolonieën, en moest eindelik, om gevangenneming te voorkomen, in de koude en de stormen van de winter naar de wilde wouden vluchten.

“Veertien weken achtereen,” zei hij, “werd ik in een guur jaargetijde heen en weer gejaagd, en wist niet wat brood of een bed betekende.” “Maar de raven voedden me in de wildernis;” en een holle boom diende hem dikwels tot schuilplaats. Aldus zette hij zijn pijnlike vlucht voort door de sneeuw en de ongebaande bossen, totdat hij een schuilplaats vond bij een Indiaanse stam, wier vertrouwen en genegenheid hij won, terwijl hij hen de waarheden van het evangelie trachtte te leren.

Na maanden van afwisseling en ronddolen, geraakte hij eindelik aan de kusten van de Narragansett Baai, waar hij de grond legde van de eerste staat van de nieuwere tijd, die in de volste zin van het woord het recht van godsdienstvrijheid erkende. Het grondbeginsel van Roger Williams’ kolonie was “dat iedereen het recht zou hebben om God te dienen volgens het licht van zijn eigen geweten.” Zijn kleine staat, Rhode Island, werd het toevluchtsoord voor onderdrukten, en groeide aan en bloeide, totdat de grondbeginselen ervan — burgerlike en godsdienstige vrijheid — de hoekstenen van de Amerikaanse Republiek werden.

In dat uistekende, oude dokument, hetwelk de voorvaderen van het Amerikaanse volk als de uiteenzetting van hun rechten erkenden — de Onafhankelikheidsverklaring — zeiden ze: “Wij houden het ervoor, dat deze waarheden zichzelve bewijzen, dat alle mensen gelijk geschapen zijn, dat ze door hun Schepper met zekere onvervreemdbare rechten zijn toegerust, dat daaronder begrepen zijn het leven, de vrijheid, en het zoeken naar geluk.” En de Konstitutie waarborgt in de duidelikste bewoordingen de onschendbaarheid van het geweten: “Er zal nimmer enige proeve van godsdienstige overtuiging verlangd worden als bewijs van bevoegdheid voor enige publieke betrekking onder de Verenigde Staten.” “Het Kongres zal geen wet maken, waarbij godsdienst wordt vastgesteld, of de vrije uitoefening daarvan verboden.”

“Zij, die de Konstitutie opstelden, erkenden het eeuwige grondbeginsel, dat de betrekking van de mens tot zijn God boven menselike wetgeving staat, en dat zijn vrijheid van geweten hem niet ontzegd kan worden. Er was geen redenering toe n—dig om deze waarheid vast te stellen; wij zijn er ons in ons eigen gemoed van bewust. Het is dit bewustzijn, dat zoveel martelaren te midden van folteringen en vlammen heeft staande gehouden, ten spijte van menselike wetten. Ze gevoelden, dat hun plicht jegens God boven menselike vorderingen stond, en dat geen mens het recht had om macht uit te oefenen over hun geweten. Het is een ingeboren beginsel, dat door niets kan vernietigd worden.”

Toen de tijding zich door de landen van Europa verspreidde, dat er een land was, waar iedereen de vruchten van zijn eigen arbeid kon genieten, en de overtuiging van zijn geweten volgen mocht, stroomden er duizenden naar de kusten van de Nieuwe Wereld. De kolonieën vermeerderden zich snel. “Massachusetts bood in een biezondere wet, op kosten van het publiek, welkom en hulp aan Christenen van alle nationaliteiten, die over de Atlantiese Oceaan wensten te vluchten ‘om te ontkomen aan oorlogen, of hongersnood, of onderdrukking van hun vervolgers.’ Aldus werden de vluchtelingen en verstotelingen door de wet de gasten van het gemenebest gemaakt.” Binnen twintig jaren na het eerste landen te Plymouth, hadden zich even zoveel duizenden Pelgrims in Nieuw-Engeland nedergezet.

Om het doel, dat ze zich voorstelden, te bereiken, “waren ze tevreden met slechts het allernodigste te verdienen door een leven van spaarzaamheid en vlijt. Ze eisten niets van de grond, dan hetgeen ze redelikerwijze als loon voor hun werk konden verwachten. Geen gulden visioen wierp een bedriegelike stralekrans over hun pad. ... Ze waren tevreden met de langzame doch zekere vooruitgang van hun sociale staatkunde. Ze verduurden geduldig de ontberingen van de wil-dernis, en bevochtigden de vrijheidsboom met hun tranen en het zweet van hun aanschijn, totdat hij diep wortel schoot in het land.”

De Bijbel werd voor het fondament van geloof, de bron van wijsheid, en de grondwet van vrijheid gehouden. De be-ginselen ervan werden ijverig onderwezen in de ouderlike woning, in de school en in de kerk, en de vruchten daarvan openbaarden zich in nijverheid, goed verstand, reinheid en matigheid. Men kon jaren lang in de Puriteinse nederzettingen doorbrengen “zonder een dronkaard te zien, een vloek te horen, of een bedelaar te ontmoeten.” Alles toonde aan, dat de grondbeginselen van de Bijbel de zekerste waarborgen van nationale grootheid zijn. De zwakke en afgezonderde kolonieën groeiden aan tot een Unie van machtige Staten; en de wereld aanschouwde met verwondering de vrede en voorspoed van “een kerk zonder paus, en een staat zonder koning.”

Doch voortdurend groeide het aantal aan van hen, die zich tot de kusten van Amerika aangetrokken gevoelden, aangespoord door beweegredenen, die zeer verschillend waren van die van de eerste Pelgrims. Ofschoon primitief geloof en reinheid een grote en vormende kracht uitoefenden, toch werd de invloed hiervan kleiner en kleiner, naarmate het aantal aanwies van hen, die slechts naar werelds voordeel zochten.

Het reglement, dat door de eerste kolonisten aangenomen was, om alleen leden van de kerk stemrecht te geven, of toe te staan, een ambt te bekleden in de burgerlike regering, leidde tot uiterst verderfelike gevolgen. Deze maatregel was genomen als een middel om voor de reinheid van de staat te waken; maar het gevolg ervan was het bederf van de kerk. Daar godsdienstige belijdenis de voorwaarde was van stemrecht en ambtsbekleding, sloten velen, wier enige beweegreden een wereldse gedragslijn tot drijfveer had, zich aan de kerk aan, zonder dat hun hart veranderd was. Aldus was het, dat de kerken voor een groot deel uit onbekeerde personen bestonden; en zelfs onder de geesteliken waren er, die niet alleen dwaalleringen geloofden, maar de vernieuwende kracht van de Heilige Geest niet kenden. Op die wijze traden opnieuw de slechte gevolgen aan het licht, die zo menigmaal in de kerkgeschiedenis zijn opgemerkt sedert de dagen van Konstantijn tot op de tegenwoordige tijd, van pogingen om de kerk op te bouwen met behulp van de staat, of de hulp van de wereldlike macht in te roepen tot steun van het evangelie van Hem, Die verklaarde: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.” Vereniging van kerk met staat, in wat geringe mate ook, brengt in werkelikheid de kerk slechts nader tot de wereld, al schijnt het ook, of de wereld er nader tot de kerk door wordt gebracht.

Het grote beginsel, dat door Robinson en Roger Williams op zo waardige wijze werd bepleit, dat de waarheid zich ont-wikkelen moet, en dat de Christen klaar behoort te staan om al het licht aan te nemen, dat uit Gods heilig woord hem toesehijnt, werd door hun nakomelingen uit het oog verloren. De Protestantse kerken van Amerika — en die van Europa evenmin,— welke zo hogelik bevoorrecht waren door het ontvangen van de zegeningen van de Reformatie, maakten geen vorderingen op het pad van hervorming. Ofschoon er van tijd tot tijd wel enkele getrouwe mannen opstonden, die nieuwe waarheden verkondigden, en langgekoesterde dwalingen blootlegden, stelde zich de meerderheid, gelijk de Joden in Christus’ tijd, of de pausgezinden in Luthers dagen, tevreden met te geloven wat hun vaders geloofd, en te leven, zoals die geleefd hadden. Daarom ontaardde de godsdienst weer in vormelikheid; en dwalingen en bijgelovigheden, welke men afgelegd zou hebben, indien de kerk voort was gegaan te wandelen in het licht van Gods Woord, werden aangehouden en gekoesterd. Aldus stierf de geest, die door de Hervorming was aangewakkerd, langzamerhand uit, totdat er bijna evenveel behoefte aan hervorming in de Protestantse kerken bestond, als in de Roomse kerk in Luthers tijd. Er bestond dezelfde wereldsgezindheid en geestelike doodsheid, een gelijk ontzag voor de meningen van mensen, en in de plaats stelling van menselike theorieën voor hetgeen Gods Woord leert.

De grote verspreiding van de Bijbel in het eerste deel van de negentiende eeuw, en het heldere licht, dat dientengevolge de wereld bescheen, werd niet gevolgd door een gelijkstandige voortuitgang in kennis van de geopenbaarde waarheid, of in godsdienst, uit ondervinding verkregen. Satan kon niet, als in vroegere eeuwen, Gods woord van de mens weghouden; het was binnen ieders bereik gebracht; maar om desniettemin zijn doel te bereiken, leidde hij er velen toe, er slechts weinig op te letten. De mensen verwaarloosden het onderzoek van de Schrift, en gingen daarom voort met valse verklaringen aan te nemen en leerstellingen te omhelzen, die geen grond in de Bijbel hadden.

De mislukking van zijn pogingen om de waarheid door vervolging uit te roeien ziende, had Satan andermaal toevlucht genomen tot het plan van minnelike schikking, dat tot de grote afval en de ontwikkeling van de Kerk van Rome aanleiding gegeven had. Hij had er Christenen toe gebracht om zich nu wel niet met heidenen, maar met dezulken te verbinden, die zich door hun toewijding aan de dingen van deze wereld even wezenlik afgodedienaars hadden bewezen, als zij, die gegoten beelden aanbaden. En de uitslag van die vereniging was nu niet minder verderfelik dan in vorige eeuwen; trots en overdaad werden onder de schijn van godsdienst toegelaten, en bederf sloop de kerken binnen. Satan ging voort met de leringen van de Bijbel te verdraaien, en overleveringen, die berekend waren om miljoenen ten verderve te leiden, schoten diepe wortel. De kerk ondersteunde en verdedigde de overleveringen, in plaats van te strijden voor “het geloof, dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is.” Aldus werden de beginselen verlaagd, voor welke de hervormers zoveel gedaan en geleden hadden.