18. Een Amerikaanse Hervormer

Een eerlike, oprechtgezinde landbouwer, die er toe gebracht was om aan het Goddelik gezag van de Schriften te twijfelen, en die toch innige begeerte had om de waarheid te kennen, was de man, die God in het biezonder had verkoren om een begin te maken met de verkondiging van Christus’ wederkomst. Gelijk veel andere hervormers had William Miller in zijn jeugd met armoede te kampen gehad, en had daardoor de grote lessen van werkzaamheid en zelfverloochening geleerd. De leden van het gezin, waartoe hij behoorde, onderscheidden zich door een onafhankelike, vrijheidslievende geest, door weerstandsvermogen en vurige vaderlandsliefde,— welke trekken ook in zijn karakter sterk uitkwamen. Zijn vader was kapitein bij het Revolutie leger, en aan de opoffe-ringen, die hij zich in de strijd en het lijden van dat stormachtig tijdperk getroostte, moeten de benarde omstandigheden van Millers jeugd wellicht toegeschreven worden.

Hij was degelik gezond van gestel, en gaf reeds in zijn kinderjaren blijken van een meer dan gewoon verstand. Toen hij ouder werd, toonde zich dit duideliker. Zijn geest was werkzaam en goed ontwikkeld, en hij had een grote dorst naar kennis. Ofschoon hij niet de voorrechten van een akademiese opvoeding genoot, maakte zijn liefde tot de studie en zijn gewoonte van ernstig te overwegen en fijn te kritiseren hem tot een man met een helder oordeel en ruime blik. Hij had een onberispelik karakter en benijdenswaardige goede naam, en werd algemeen geacht om zijn rechtschapenheid, voorspoedigheid en milddadigheid. Door werkzaamheid en in-spanning verkreeg hij al spoedig het nodige tot levensonderhoud, doch bleef nog steeds aan zijn gewoonte van studeren vasthouden. Hij bekleedde verschillende burgerlike en militaire posten met lof, en de weg tot rijkdom en eer scheen zich wijd voor hem open te stellen.

Zijn moeder was een degelik godvruchtige vrouw, en in zijn kinderjaren was hij onder godsdienstige indrukken geweest. Toen hij echter de mannelike leeftijd bereikte, kwam hij in aanraking met een genootschap van deïsten, wier invloed des te sterker was, omdat ze voor het merendeel goede burgers, en mannen van een menslievende en liefdadige aanleg waren. Te midden van Christelike inrichtingen levende, waren hun karakters tot op zekere hoogte door hun omgeving gevormd. De goede hoedanigheden, waardoor ze zich de achting en het vertrouwen verwierven, hadden ze aan de Bijbel te danken; toch werden die goede gaven z— verdraaid, dat ze een invloed tegen Gods woord uitoefenden. Omgang met deze mannen bracht Miller tot het omhelzen van hun gevoelens. De heersende Schriftverklaringen boden moeilikheden aan, die hem onoverkomelik toeschenen; echter gaf zijn nieuwe geloof, dat de Bijbel op zijde stelde, hem niets beters in de plaats ervan, en bleef hij onbevredigd. Toch hield hij zich ongeveer twaalf jaren lang aan deze inzichten vast. Maar toen hij vier en dertig jaren oud was, vervulde de Heilige Geest zijn hart met een gevoel van zijn toestand als zondaar. Hij vond in zijn vroeger geloof geen verzekering van geluk-zaligheid na de dood. De toekomst was donker en somber. Later zei hij, doelende op zijn gevoelens in die tijd:

“Vernietiging was een koude en kille gedachte, en verantwoordelik gesteld te worden, betekende zekere ondergang voor allen. De hemelen waren als koper boven mijn hoofd, en de aarde als ijzer onder mijn voeten. Eeuwigheid — wat was dat? En dood — waarom bestond die? Hoe meer ik redeneerde, des te minder bewijs vond ik; hoe meer ik dacht, des to meer verward waren mijn gevolgtrekkingen. Ik trachtte niet meer te denken, maar kon mijn gedachten niet aan banden leggen. Ik was wezenlik ellendig, maar kon er de oorzaak niet van verstaan. Ik morde en klaagde, maar wist niet over wie. Ik begreep, dat er iets verkeerd was, maar zag niet in, waar of hoe het rechte te vinden. Ik treurde, doch zonder hoop.”

Enige maanden lang verkeerde hij in die toestand. “Plotseling,” zegt hij, “werd het karakter van een Heiland mij levendig voor de geest gesteld. Het kwam me voor, dat er een wezen zou kunnen zijn, z— goed en medelijdend, dat het zelf voor onze overtredingen zou kunnen boeten, en ons daardoor redden van de straf op de zonde. Ik gevoelde onmiddellik, hoe liefelik zulk een wezen zijn moest, en stelde mij voor, dat ik me in de armen van zulk Eén zou kunnen werpen, en op Zijn genade vertrouwen. Maar de vraag deed zich op: Hoe kan er bewezen worden, dat er zulk een wezen bestaat? Behalve in de Bijbel bevond ik, dat ik geen bewijs kon krijgen voor het bestaan van zulk een Heiland, of zelfs van een toekomstige staat. . . .

“Ik zag, dat de Bijbel juist zulk een Heiland, als ik nodig had, openbaarde; en de vraag rees in me op, hoe een boek, datniet door ingeving geschreven was, beginselen kon uitwerken, die zo volkomen geschikt waren voor de behoeften van een gevallen wereld. Ik was gedwongen toe te geven, dat de Schriften een openbaring Gods moesten zijn. Ze werden mijn verlustiging; en in Jezus vond ik een vriend. De Heiland droeg voor mij de banier boven tien duizend; en de Schrift, die me eerst donker en vol tegenstrijdigheid geweest was, werd nu een lamp voor mijn voet, en een licht op mijn pad. Mijn hart kwam tot stilte en was bevredigd. Ik bevond, dat de Here God een Rots is in het midden van de oceaan van het leven. De Bijbel werd nu mijn voornaamste studie, en ik kan met waarheid getuigen, dat ik hem met groot genot onderzocht. Ik bevond, dat de helft me nooit was aangezegd. Ik verwonderde me, waarom ik zijn schoonheid en heerlikheid niet vroeger had gezien, en was verbaasd, dat ik hem ooit had kunnen verwerpen. Ik vond er alles in, wat mijn hart begeren kon, en een geneesmiddel voor iedere ziekte van de ziel. Ik verloor alle smaak voor andere lektuur, en schikte mijn hart, om wijsheid van God te verkrijgen.”

Miller beleed nu in het openbaar zijn geloof in de godsdienst, die hij veracht had. Maar het duurde niet lang, eer zijn ongelovige vrienden al die bewijsgronden opbrachten, welke hijzelf zo menigmaal had aangevoerd tegen het Goddelik gezag van de Schrift. Hij was toen niet gereed om ze te beantwoorden: maar hij redeneerde dat, indien de Bijbel een openbaring van God was, hij met zichzelf moest overeenstemmen ; en dat, daar hij tot lering van de mens was gegeven, hij bevattelik moest zijn voor zijn verstand. Hij besloot, de Schrift voor zichzelf te onderzoeken, en er zich van te verzekeren, of schijnbare tegenspraak niet tot overeenstemming gebracht kon worden.

Trachtende alle tevoren opgevatte meningen terzijde te stellen, en zonder bijbelverklaringen te gebruiken, vergeleek hij tekst met tekst, met behulp van de kanttekeningen en de konkordanties. Hij zette zijn studie op geregelde en stelselmatige wijze voort; met Genesis beginnende, en vers na vers lezende, ging hij niet verder, voordat de betekenis van de verschillende teksten zich z— voor hem ontvouwde, dat alle verwardheid voor hem wegviel. Wanneer hij iets duister vond, was het zijn gewoonte om het te vergelijken met iedere andere tekst, die enigszins op de zaak onder overweging scheen te doelen. Elk woord liet hij zijn eigenlike betrekking tot het onderwerp van de tekst innemen, en wanneer zijn beschouwing ervan met iedere gelijkluidende tekst overeenkwam, was dat punt langer geen moeilikheid. Wanneer hij dus een tekst had, die moeilik te verstaan was, vond hij er een uitleg voor in een ander deel van de Schrift,’ Terwijl hij onderzocht, ernstig biddend om Goddelik licht, werd wat tevoren donker scheen, voor zijn verstand verduidelikt. Hij ondervond de waarheid van de woorden van de Psalmist: “De opening van Uw woorden geeft licht, de eenvoudigen verstandig makende.”

Met diepe belangstelling onderzocht hij het boek van Daniël en de Openbaring, hetzelfde plan van verklaring volgende als in de andere geschriften, en bevond tot zijn grote vreugde, dat de profetiese beelden verstaan konden worden. Hij zag, dat de profetieën, voor zoverre ze vervuld waren, letterlik waren vervuld; dat al de verschillende beelden, toepassingen, gelijkenissen, en vergelijkingen, enz. of in hun onmiddellik verband werden verklaard, of dat de woorden, waarin ze uitgedrukt werden, hun verklaring vonden in andere teksten, en letterlik verstaan moesten worden, wanneer ze op die manier waren uitgelegd. “Op deze wijze werd ik ervan overtuigd,” zegt hij, “dat de Bijbel een stelsel is van geopenbaarde waarheid, z— duidelik en eenvoudig gegeven, dat die deze weg bewandelen, zelfs al zijn ze dwazen, niet dwalen zullen.” De ontdekking van schakel na schakel in de keten van de waarheid beloonde zijn pogingen, terwijl hij van stap tot stap de grote serieën van de profetieën naging. Engelen uit de hemel leidden zijn geest, en ontvouwden de Schriften voor zijn verstand.

De wijze waarop de profetieën in het verleden vervuld waren, als voorbeeld nemende, waarnaar de vervulling van die nog in de toekomst liggen, beoordeeld moet worden, kwam hij tot de overtuiging, dat de algemene mening van de geestelike regering van Christus — een duizendjarig rijk vor het einde van de wereld — niet door Gods woord geleerd wordt. Deze leer plaatst de verschrikkingen van de dag des Heren verre in de toekomst, door duizend jaren van gerechtigheid en vrede vast te stellen, vordat de Heer persoonlik komt. Maar hoe aangenaam hij ook zijn moge, hij stelt zich tegen de leer van Christus en Zijn apostelen, die verklaarden, dat de tarwe en het onkruid tezamen moesten opwassen tot de oogst, het einde van de wereld;2 dat “de boze mensen en bedriegers tot erger zullen voortgaan,“ dat er, “in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden;” en dat het koninkrijk der duisternis zal voortbestaan tot de komst des Heren, en verdaan zal worden door de Geest van Zijn mond, en teniet gemaakt door de verschijning van Zijn toekomst.

De leer van de bekering van de wereld, en de geestelike regering van Christus werd niet door de apostoliese kerk geloofd. Ook werd hij niet algemeen door de Christenen aangenomen tot omtrent het begin van de achttiende eeuw. Evenals van iedere andere dwaling, waren de resultaten ervan slecht. Het leerde de mensen, ver in de toekomst naar de komst des Heren uit te zien, en weerhield hen van op de tekenen te letten, die de voorlopers van Zijn komst waren. Het gaf aanleiding tot een gevoel van rust en zekerheid, die op geen goede grond rustte, en leidde er velen toe om de voorbereiding te verwaarlozen, die nodig was om hun Heer te ontmoeten.

Miller bevond, dat de letterlike, persoonlike komst van Christus duidelik in de Schriften geleerd wordt. Paulus zegt: “De Heer zelf zal met een geroep, met de stem van de archangel, en met de bazuin van God nederdalen van de hemel.” En de Heiland verklaart: “Zij zullen de Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlikheid.” “Want gelijk de bliksem uitgaat van het Oosten en schijnt tot het Westen, alzo zal ook de toekomst van de Zoon des mensen wezen.” Hij zal vergezeld zijn van het gehele heir des hemels. “De Zoon des mensen zal komen in Zijn heerlikheid, en al de heilige engelen met Hem.” “En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot ge-luid, en ze zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen.”

Bij Zijn komst zullen de rechtvaardige doden opgewekt en de levende rechtvaardigen veranderd worden. “Wij zullen wel niet allen ontslapen,” zegt Paulus, “maar we zullen allen veranderd worden. In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin: want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelik opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. Want dit verderfelike moet onverderfelikheid aandoen, en dit sterfelike moet onsterfelikheid aandoen.” En in zijn brief aan de Thessalonicensen zegt hij, na de komst des Heren beschreven te hebben: “Die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet in de lucht; en alzo zullen we altijd met de Heer wezen.”

Niet voordat de persoonlike komst van Christus plaats vindt, kan Zijn volk het koninkrijk ontvangen. De Heiland zegt: “En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlikheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlikheid. En vor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. En Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand. Alsdan zal da Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden Mijn Vaders! beërft dat koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging van de wereld.” We hebben uit de hierboven aangehaalde teksten gezien, dat wanneer de Zoon des mensen komt, de doden onverderfelik opgewekt, en de levenden veranderd zullen worden. Door deze grote verandering worden ze voorbereid om het koninkrijk te ontvangen; want Paulus zegt: “Vlees en bloed kunnen het koninkrijk Gods niet beërven; en de verderfelkheid beërft de onverderfelikheid niet.” De mens in zijn tegenwoordige staat is sterfelik, verderfelik; maar het koninkrijk Gods zal onverderfelik zijn, en voor eeuwig bestaan. Daarom kan de mens in zijn tegenwoordige staat het koninkrijk Gods niet binnengaan. Maar wanneer Jezus komt, geeft Hij aan Zijn volk de onsterfelikheid; en dan roept Hij hen om het koninkrijk te beërven, waarvan ze tot hiertoe slechts toekomstige erfgenamen zijn geweest.

Deze en andere teksten waren een duidelik bewijs voor Miller, dat de gebeurtenissen, die over het algemeen verwacht werden, plaats te zullen vinden vor de komst van Christus, zoals een algemeen vrederijk en het oprichten van Gods koninkrijk op de aarde, op de wederkomst moesten volgen. Verder beantwoordden al de tekenen van de tijden en de toestand van de wereld aan de profetiese beschrijving van de laatste dagen. Hij werd door het onderzoek van de Schrift alleen tot het besluit gedwongen, dat het tijdperk, waarin de aarde in zijn tegenwoordige staat zou blijven bestaan, bijna ten einde was.

“Een ander bewijs, dat levendige invloed op me had,” zegt hij, “was de tijdrekening van de Schrift. ... Ik bevond dat voorzegde gebeurtenissen, in het verleden vervuld, dikwels binnen een gestelde tijd plaats hadden gevonden. De honderd en twintig jaren tot aan de vloed (Gen. 6:3); de zeven dagen, die eraan vooraf zouden gaan, met veertig dagen van voorspelde regen (Gen. 7:4); de vier honderd jaren van het oponthoud van Abrahams geslacht in Egypte (Gen. 15: 13) ; de drie dagen van de dromen van de schenker en de bakker (Gen. 40: 12-20) ; de zeven jaren van Faraö’s droom (Gen. 41:28-54); de veertig jaren in de woestijn (Num. 14: 34) ; de drie en een half jaar van hongersnood (1 Kon. 17:1);1 . . . de zeventig jaren van de ballingschap (Jer. 25:11); de zeven tijden van Nebukadnezar (Dan. 4:13-16); en de zeven weken, twee en zestig weken, en de éne week, die zeventig weken maken, welke over de Joden bestemd waren (Dan. 9:24-27)—de gebeurtenissen, door deze tijden vastgesteld, waren alle eenmaal slechts profetiese voorspellingen geweest, en waren volgens die vervuld.”

Toen hij derhalve door zijn onderzoek van de Bijbel verschillende chronologiese tijdperken vond, die zich naar zijn opvatting tot de wederkomst van Christus uitstrekten, kon hij niet nalaten, die te beschouwen als de “tijden tevoren verordend,” welke God aan Zijn dienstknechten had geopenbaard. “De verborgen dingen,” zegt Mozes, “zijn voor de Heer, onze God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid;” en de Heer verklaart bij monde van de profeet Amos, dat Hij “geen ding zal doen, tenzij Hij Zijn verborgenheid aan Zijp knechten, de profeten, geopenbaard hebbe. “ Zij, die Gods Woord onderzoeken, mogen dus met vertrouwen verwachten, dat ze de gewichtigste gebeurtenis, welke in de geschiedenis van de mensheid zal plaats grijpen, duidelik in de Schrift der waarheid zullen vinden aangetoond.

“Daar ik er ten volle van overtuigd was,” zegt Miller, “dat al de Schrift van God ingegeven en nuttig is,“ en hij geenszins voortgebracht was door de wil des mensen, maar gesproken, naardat de heilige mannen Gods van de heilige Geest gedreven werden, en geschreven was ‘tot onze lering, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting van de Schriften hoop hebben zouden,’3 kon ik niet anders dan aannemen, dat de tijdrekenkundige gedeelten van de Bijbel evenzeer een deel uitmaken van het woord Gods, en evenveel recht hebben op onze ernstige overdenking, als enig ander gedeelte van de Schrift. Ik gevoelde dus dat, als ik wilde trachten te verstaan, wat het Gode goedgedacht had, ons in Zijn barmhartigheid te openbaren, ik geen recht had om de profetiese tijdperken over te slaan.”

De profetie, die de tijd van de wederkomst het duidelikst scheen te openbaren, was die in Dan. 8: 14: “Tot twee duizend en drie honderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.” De regel volgende van de Schrift tot zijn eigen uitlegger te maken, ontdekte Miller, dat een dag in symboliese profetie een jaar voorstelt;5 hij zag, dat het tijdperk van 2300 profetiese dagen, of letterlike jaren, zich tot lang na de Joodse bedeling moest uitstrekken; vandaar dat het niet kon doelen op het heiligdom van die bedeling. Miller nam het algemeen heersende denkbeeld aan, dat in de Christelike eeuwen de aarde het heiligdom is, en hij verstond dus, dat de reiniging van het heiligdom, waar Dan. 8: 14 over spreekt, de loutering van de aarde door vuur bij de wederkomst van Christus moest betekenen. Indien daarom het juiste punt gevonden kon worden, van waar men beginnen moest de 2300 dagen te tellen, kwam hij tot het besluit, dat men gemakkelik de tijd van de wederkomst zou te weten kunnen komen. Aldus zou de tijd van de voleinding van alle dingen geopenbaard worden, de tijd, wanneer de tegenwoordige staat met “al zijn trots en macht, praal ijdelheid, en verdrukking, een einde zou nemen;” wanneer de vloek “van de aarde weggenomen, de dood te niet gedaan, en er loon gegeven zou worden aan de dienstknechten Gods, aan de profeten en heiligen, en allen, die Zijn naam vrezen, en te niet gedaan zouden worden degenen, die de aarde verwoesten. “

Met nieuwe en grotere ernst begon Miller de profetieën te onderzoeken; gehele nachten zowel als dagen wijdde hij aan de studie van wat hem nu van zulk een ontzettend gewicht en alles te boven gaand belang toescheen. In het achtste hoofstuk van Daniël kon hij geen sleutel vinden voor de tijd, van waar af de 2300 dagen gerekend moesten worden; de engel Gabriël, ofschoon gelast aan Daniël het visioen te doen verstaan, gaf er hem slechts een gedeeltelike uitleg van. Toen de vreselike vervolging, die de kerk zou treffen, aan het oog van de ziener geopenbaard werd, bezweek zijn lichamelike kracht. Hij kon niet meer verdragen, en de engel yerliet hem voor een tijd. Daniël werd “zwak, en was enige dagen krank.” “En ik was ontzet over dit gezicht,” zegt hij, “maar niemand merkte het.”

Toch had God Zijn boodschapper bevolen: “Geef deze het gezicht te verstaan.” Die opdracht moest vervuld worden. Om eraan te voldoen, keerde de engel enige tijd later naar Daniël terug, zeggende: “Nu ben ik uitgegaan, om u de zin te doen verstaan;” “versta dan dit woord en merk op dit gezicht.” Er was één voornaam punt in het gezicht van hoofdstuk acht, dat niet uitgelegd was, namelik dat, hetwelk betrekking had op de tijd,— het tijdperk van 2300 dagen; daarom handelt de engel bij het hervatten van zijn verklaring hoofdzakelik over het punt van de tijd:

“Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over uw heilige stad. . . . Weet dan, en versta: van de uitgang van het woord, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, de vorst, zijn zeven weken en twee en zestig weken; de straten en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor hemzelf zijn. . . .En Hij zal aan velen het verbond versterken één week; en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden.”

De engel was naar Daniël gezonden met het uitdrukkelike doel om hem het punt uit te leggen, dat hij in het gezicht van het achtste hoofdstuk niet had verstaan: de berekening van de tijd,— “Tot twee duizend en drie honderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.” Na Daniël gelast te hebben “het woord te verstaan, en te merken op het gezicht,” zijn de eerste woorden van de engel: “Zeventig weken zijn bestemd voor uw volk en over uw heilige stad.” Het woord, dat hier als “bestemd” is vertaald, betekent letterlik “afgesneden.” Zeventig weken, 490 jaren voorstellende, worden door de engel verklaard als afgesneden te zijn, omdat ze in het biezonder aan de Joden behoren. Maar waar zijn ze van afgesneden? Daar de 2300 dagen het enige tijdperk was, dat in hoofdstuk acht genoemd wordt, moet dat de periode wezen, waarvan de zeventig weken afgesneden zijn; de zeventig weken moeten dus een deel uitmaken van de 2300 dagen, en de twee tijdperken moeten tegelijkertijd beginnen. De engel verklaarde, dat de zeventig weken begonnen met de uitgang van het woord om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen. Indien de datum van dit bevel gevonden kon worden, dan zou het grote tijdperk van de 2300 dagen met zekerheid gevonden zijn.

In het zevende hoofdstuk van Ezra wordt het bevel gevonden. Het werd door Arthaxerxes, koning van Perzië, in 457 v. C. in zijn volkomenste vorm gegeven. Maar in Ezra 6:14 wordt er gezegd, dat het huis des Heren te Jeruzalem gebouwd werd “naar het bevel (kant. dekreet) van Kores, en Darius, en Arthaxerxes, koning van Perzië.” Deze drie koningen brachten het bevel, door het uit te vaardigen, te bevestigen, en volledig te maken, tot de volmaaktheid, die de profetie vereiste, om het begin van de 2300 jaren te kenmerken. Het jaar 457 v. C., de tijd waarop het dekreet volledig werd gegeven, als datum van het bevel aannemende, ziet men, dat ieder biezonder aangegeven punt in de voorzegging betreffende de zeventig weken vervuld was geworden.

“Van de uitgang van het woord, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, de Vorst, zullen zijn zeven weken, en twee en zestig weken,“—namelik negen en zestig weken, of 483 jaren. Het dekreet van Arthaxerxes werd in de herfst van 457 v. C. van kracht. Van die datum af zijn er 483 jaren tot de herfst van 27 n. C. Op die tijd werd deze profetie vervuld. Het woord “Messias” betekent “de Gezalfde”. In de herfst van 27 n. C. werd Christus door Johannes gedoopt, en ontving de zalving van de Geest. De apostel Petrus getuigt, dat “God Jezus van Nazareth gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht.” En de Heiland zelf verklaart: “De Geest des Heren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Me gezonden om aan de armen het evangelie te verkondigen.” Na Zijn doop kwam Hij in Galilea “predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods, en zeggende: De tijd is vervuld.”

“En Hij zal aan velen het verbond versterken één week.” “De week,” waarvan hier gesproken wordt, is de laatste van de zeventig; het zijn de laatste zeven jaren van het tijdperk, dat in het biezonder aan de Joden is toegekend. Gedurende dit tijdperk, van 27 n. C. tot 34 n. C. werd de uitnodiging van het evangelie eerst door Christus persoonlik, en later door Zijn discipelen, voornamelik aan de Joden gegeven. Toen de apostelen uitgingen met de blijde tijding van het koninkrijk, luidde de opdracht van de Heiland aan hen: “Gij zult niet heengaan op de weg van de Heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad van de Samaritanen; maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.”

“En in de helft van de week zal Hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden.” In 31 n. C., drie en een half jaar na Zijn doop, werd onze Heer gekruisigd. Met het grote offer, op Golgotha gebracht, eindigde dat stelsel van offeranden, dat gedurende vier duizend jaren had heengewezen op het Lam Gods. Het beeld was door het tegenbeeld vervangen, en al de slachtoffers en spijsoffers van het ceremoniële stelsel vonden daar een einde.

De zeventig weken, of 490 jaren, die in het biezonder aan de Joden toegerekend waren, eindigden, gelijk we gezien hebben, in 34 n. C. Door de handelwijze van het Joodse Sanhedrin kwam het volk in dat jaar openlik uit voor zijn verwerping van het evangelie door het martelaarschap van Stefanus en de vervolging van de discipelen van Christus. Toen werd de boodschap des heils, nu niet langer voor het uitverkoren volk alleen bestemd, aan de wereld gegeven. De discipelen, door de vervolging gedwongen om uit Jeruzalem te vluchten, “gingen het land door, en verkondigden het Woord.” “En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus.” Petrus verklaarde onder Goddelike leiding het evangelie aan de hoofdman over honderd te Cesarea, de godvrezende Cornelius; en aan de ijverige Paulus, voor het geloof van Christus gewonnen, werd opgedragen om de blijde boodschap “ver tot de heidenen” te brengen.

Tot dusverre is iedere bepaling van de profetie treffend vervuld; en het begin van de zeventig weken wordt zonder bezwaar in het jaar 457 v. C., het einde ervan in 34 n. C. vastgesteld. Van die datum af rekenende, bestaat er geen moeilikheid om het einde van de 2300 dagen te vinden. Als de zeventig weken — 490 dagen — afgesneden moesten worden van de 2300, dan bleven er 1810 dagen over. Aan het einde van de 490 dagen moesten de 1810 dagen nog vervuld worden. Van 34 n. C. af rekenende brengen 1810 jaren ons tot het jaar 1844. Bijgevolg eindigde de 2300 dagen van Dan. 8:14 in 1844. Bij het sluiten van dit grote profetiese tijdperk zal, volgens de uitspraak van de engel Gods, “het heiligdom gerechtvaardigd worden.” Aldus werd de tijd voor de rechtvaardiging (d. i. reiniging) van het heiligdom — waarvan men bijna algemeen geloofde, dat het plaats zou hebben bij de wederkomst — beslist aangewezen.

Miller en zijn metgezellen geloofden in het begin, dat de 2300 dagen eindigen zouden in de lente van 1844, terwijl de profetie op de herfst van dat jaar wijst. De verkeerde op-vatting van dit punt veroorzaakte teleurstelling en verslagenheid aan degenen, die de vroegere datum hadden vastgesteld als zijnde de tijd voor de komst des Heren. Toch deed dit niets af van de kracht van de redenering, volgens welke aangetoond werd, dat de 2300 dagen in het jaar 1844 eindigden, en dat de grote gebeurtenis, door de reiniging van het heiligdom voorgesteld, dan moest plaats vinden.

Miller had, toen hij met het onderzoek van de Schriften begon, met het doel om te bewijzen, dat ze een openbaring van God waren, eerst in het minst niet verwacht dat hij tot het besluit zou komen, waartoe hij nu was geraakt. Hij kon zelf de uitkomsten van zijn onderzoek bijna niet geloven. Maar het bewijs in de Schrift was te duidelik en te krachtig om ontkend te kunnen worden.

Hij had twee jaren aan de studie van de Bijbel gewijd, toen hij in 1818 tot de ernstige overtuiging kwam, dat Christus in omtrent vijf en twintig jaren zou verschijnen om Zijn volk te verlossen. “Ik behoef niet te spreken,” zegt Miller, “van de vreugde, die mijn hart vervulde over dat heerlike vooruitzicht, noch ook van het vurig verlangen van mijn ziel, om deel te hebben aan de gelukzaligheid van de verlosten. De Bijbel was me nu een nieuw boek. Hij was inderdaad een genot voor mijn geest; alles wat me donker, geheimzinnig, of verborgen was geweest in zijn leer, was voor mijn geestesoog verdreven door de heldere glans, die me nu uit zijn heilige bladen tegenblonk; en o, hoe liefelik en heerlik deed de waarheid zich voor! Al de tegenstellingen en onbestaanbaarheden, die ik tevoren in het Woord gevonden had, waren verdwenen; en ofschoon er veel gedeelten waren, waarvan ik niet wist, of ik ze wel volkomen verstond, toch was er zoveel licht uit opgegaan tot verheldering van mijn tevoren verduisterd verstand, dat ik een vreugde ondervond bij het bestuderen van de Schriften, als ik vroeger niet had kunnen denken, dat uit hun leer kon worden geput. “

“In de heilige overtuiging, dat de Schriften de vervulling van zulke gewichtige gebeurtenissen binnen zulk een korte tijd voorspelden, drong de vraag zich met kracht en geweld aan me op, wat mijn plicht was tegenover de wereld betreffende het getuigenis, dat mijn eigen gemoed zo zeer had aan-gedaan.” Hij kon niet nalaten te gevoelen, dat het zijn plicht was om aan anderen het licht te brengen, dat hij ontvangen had. Hij verwachtte, tegenstand te zullen ondervinden van de goddelozen, maar hield er zich van overtuigd, dat alle Christenen zich verheugen zouden in de hoop van hun Heiland, die ze beleden lief te hebben, spoedig te ontmoeten. Zijn enige vrees was, dat in hun grote vreugde over het vooruitzicht op een heerlike verlossing, die zo spoedig te komen stond, velen de leer zouden omhelzen zonder de Schrift genoegzaam te onderzoeken, ten einde de waarheid ervan te bewijzen. Hij aarzelde daarom er openlik mede voor de dag te komen, uit vrees dat hij misschien mocht dwalen, en het middel zou zijn om anderen te misleiden. Aldus werd hij er toe gebracht om de bewijzen, op welke de overtuiging berustte, waartoe hij gekomen was, nog eenmaal na te gaan, en elk bezwaar, dat zich aan zijn geest voordeed, zorgvuldig te overwegen. Hij bevond, dat alle bezwaren voor het licht van Gods woord verdwenen als nevelen voor de stralen van de zon. Vijf jaren op die wijze doorgebracht, gaven hem de volle overtuiging van de juistheid van zijn stelling.

En nu drong zich de verplichting van aan anderen bekend te maken wat hij geloofde, en zo duidelik in de Schrift geleerd werd, met vernieuwde kracht aan hem op. “Terwijl ik mijn werk deed,” zei hij, “klonk het me onophoudelik in de oren: ‘Ga, maak aan de wereld het gevaar bekend, waarin hij verkeert.’ Deze tekst kwam me gedurig voor de geest: ‘Als ik tot de goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult de dood sterven! en gij spreekt niet, om de goddeloze van zijn weg af te manen: die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal ik van uw hand eisen. Maar als ge de goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van die bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert: zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uw ziel bevrijd.’1 Ik gevoelde, dat wanneer de goddelozen krachtdadig konden ge-waarschuwd worden, menigten van hen berouw zouden hebben; en dat, indien ze niet gewaarschuwd werden, hun bloed van mijn hand zou kunnen worden geëist.”

Hij begon in eigen kring over zijn inzichten te spreken, wanneer de gelegenheid zich aanbood, biddende dat er een predikant mocht zijn, die de kracht ervan gevoelen, en zich aan de verspreiding ervan wijden zou. Maar hij kon de overtuiging niet van zich afzetten, dat hij persoonlik een plicht te vervullen had in verband met de waarschuwing. De woorden herhaalden zich immer weer in zijn hart: “Ga, maak het aan de wereld bekend; hun bloed zal Ik van uw hand eisen.” Negen jaren wachtte hij, de last immer op zijn ziel drukkende, totdat hij in 1831 voor de eerste maal in het pu-bliek rekenschap gaf van de redenen van zijn geloof.

Gelijk Eliza van achter zijn ossen op het land geroepen werd, om de mantel van de ordening tot het ambt van profeet te ontvangen, werd ook William Miller geroepen om zijn ploeg te verlaten, en de verborgenheden van het koninkrijk Gods aan het volk te openbaren. Bevende begon hij zijn werk, zijn hoorders van stap tot stap door de profetiese perioden heen tot op de wederkomst van Christus leidende. Met iedere nieuwe poging kreeg hij meer kracht en moed, ziende de grote belangstelling, die zijn woorden wekten.

Het was alleen op aandringen van zijn broederen, uit wier woorden hij de roepstem Gods vernam, dat Miller erin toestemde om zijn inzichten in het publiek voor te dragen. Hij was nu vijftig jaren oud, was ongewoon aan spreken m het openbaar, en ging gebukt onder een gevoel van ongeschiktheid voor het werk, dat vor hem lag. Maar van het begin aan werd zijn arbeid op merkwaardige wijze gezegend tot redverschijnsel

heeft zich ooit in Amerika, sedert de stichting van de eerste nederzetting aldaar, aan de hemel voorgedaan, dat door de ene klasse van de maatschappij met zulk een diepe bewondering, en door de andere met zoveel angst en vrees werd aanschouwd.” “De verhevenheid en ontzaglike schoon-heid ervan wordt nog door velen herdacht. . . . Nooit viel er regen veel dichter, dan de meteoren naar de aarde vielen; het was oost-, west-, noord- en zuidwaarts, overal hetzelfde. Met één woord, de gehele hemel scheen in beweging te zijn. . . . Het schouwspel werd, gelijk Professor Silliman in zijn Joernaal beschrijft, over geheel Noord-Amerika gezien. . . . Van twee uur af, totdat het helder daglicht was, bij een volkomen stille en onbewolkte hemel, had er een onophoudelik verschieten van verblindend schitterende lichtbollen door het gehele luchtruim plaats.”

“Inderdaad kunnen er geen woorden gevonden worden om de pracht van dat grootse toneel te beschrijven; . . . niemand, die het niet aanschouwd heeft, kan zich enig denkbeeld vormen van de heerlikheid ervan. Het scheen of de gehele sterrehemel zich op één punt in het zenith samengetrokken had, en gelijktijdig met bliksemsnelheid naar ieder deel van de gezichtseinder uitschoot; en toch werd het getal niet kleiner — duizenden volgden snel op de baan van andere duizendtallen, als waren ze voor die gelegenheid geschapen.” “Een juister beeld te aanschouwen van een vijgeboom, die zijn vijgen afwerpt, wanneer hij door een machtige wind geschud wordt, zou niet mogelik geweest zijn.”

In de Nieuwe-Yorkse Journal of Commerce van de 14de Nov. 1833 verscheen er een lang artikel over dit verwonderlike luchtverschijnsel, waarin het volgende gezegd werd: “Ik geloof dat geen wijsgeer of geleerde ooit een gebeurtenis besproken of opgetekend heeft, als die van gisteren morgen. Een profeet heeft het achttien honderd jaren geleden nauwkeurig voorspeld, indien we ten minste toegeven willen, dat

sterren, die vallen, vallende sterren bedoelen, ... in de enige zin, waarin dit met mogelikheid letterlik waar kan zijn.”

Aldus vertoonde zich het laatste van die voortekenen van Zijn wederkomst, aangaande welke Jezus Zijn discipelen ge-lastte: “Wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, vor de deur.” Na deze tekenen zag Johannes als de grote gebeurtenis, die daarop volgen zou, de hemel wegwijken als een boek, dat toegerold wordt, terwijl de aarde beefde, bergen en eilanden uit hun plaatsen bewogen werden, en de goddelozen vol ontzetting de tegenwoordigheid van de Zoon des mensen trachtten te ontvluchten.

Velen, die van het vallen van de sterren getuigen waren, beschouwden het als een voorloper van het naderend oor-deel,—“een schrikkelik beeld, een zekere voorloper, een genadig voorteken van die grote en vreselike dag.” Op deze wijze werd de aandacht van het volk op de vervulling van de profetie gericht, en werden er velen toe gebracht om acht te slaan op de waarschuwing van de wederkomst.

In het jaar 1840 wekte een verdere merkwaardige vervulling van de profetieën de algemene belangstelling op. Twee jaren vroeger gaf Josia Litch, een van de voornaamste predikanten, die de wederkomst predikten, een verklaring van Openbaring 9 uit, waarin de val van het Ottomaanse rijk voorspeld werd. Volgens zijn berekening zou deze macht tot zijn ondergang komen “in 1840 n. C., ergens in de maand Augustus;” en slechts enkele dagen vor de in vervulling treding schreef hij: “Toegevende dat het eerste tijdperk van 150 jaren met juistheid vervuld is geworden, aleer Deacozes met verlof van de Turken de troon beklom, en dat de 391 jaren en vijftien dagen een aanvang genomen hebben aan het einde van het eerste tijdperk, moeten ze de 11de Augustus 1840 eindigen, als wanneer de Ottomaanse macht te Konstantinopel verwacht mag worden te worden verbroken. En ik geloof, dat dit bevonden zal worden het geval te zijn.”

Juist op de aangegeven tijd nam Turkije door zijn afgezanten de bescherming van de verbonden machten van Europa aan, en stelde zich op die wijze onder het beheer van Christelike volken. De gebeurtenis was een nauwkeurige vervulling van de voorspelling. Toen het bekend werd, kwamen er scharen tot overtuiging van de juistheid van de grondregels van de profetiese verklaring, die door Miller en zijn metgezellen aangenomen was, en ontving de Advent-beweging een krachtige stoot. Geleerde en hooggeplaatste mannen verenigden zich met Miller tot het prediken en publiceren van zijn inzichten, en van 1840 tot 1844 breidde het werk zich met snelheid uit.

William Miller had een sterk verstand, door zich met de Bron der wijsheid te verbinden. Hij was een man van grote rechtschapenheid, die overal eerbied en hoogachting moest inboezemen, waar karakteradel en zedelike voortreffelikheid op prijs werden gesteld. De ware vriendelikheid van hart aan Christelike eenvoud en zelfbeheersing parende, was hij voorkomend en minzaam jegens allen, gereed om naar de meningen van anderen te luisteren, en hun bewijsgronden te overwegen. Zonder hartstocht of opwinding toetste hij alle theorieën en leerstellingen aan Gods woord; en zijn gezonde redenering en degelike kennis van de Schrift stelden hem in staat om dwaling te wederleggen en de leugen aan het licht te brengen.

Toch kon hij zijn werk niet voortzetten zonder bittere tegenstand. Evenals het geval was met de vroegere hervormers, werden de waarheden, die hij aan het licht bracht, door de volkspredikers niet gunstig ontvangen. Daar deze hun stelling niet konden handhaven volgens de Schrift, werden ze ertoe gedreven, hun toevlucht te nemen tot gezegden en leerstellingen van mensen, en de overleveringen van de kerkvaders. Maar het woord Gods was het enige getuigenis, dat door de predikers van de Advent-waarheid werd aanvaard. “De Bijbel, en de Bijbel alleen,” was hun wachtwoord. Het gemis aan bewijs uit de Schrift aan de zijde van de tegenstanders werd door spot en hoon goed gemaakt. Tijd, middelen en talenten werden gebruikt om diegenen te bekladden, wier enige zonde was, dat ze met vreugde uitzagen naar de wederkomst van hun Heer, heilig trachtten te leven, en anderen vermaanden om zich voor te bereiden op Zijn verschijning.

Ernstig waren de pogingen, die aangewend werden om de harten van het volk van het punt van de wederkomst af te trekken. Het bestuderen van de profetieën betreffende de wederkomst van Christus en het einde van de wereld werd voorgesteld als een zonde, iets waarover de mensen zich behoorden te schamen. Aldus ondermijnden de populaire geesteliken het geloof in Gods woord. Hun leer bracht de mensen tot ongeloof, en velen voelden zich vrij om in hun eigen goddeloze wellust te wandelen. En dit kwaad werd dan door hen, die het gesticht hadden, aan de Adventisten ten laste gelegd.

Terwijl hij volle zalen van verstandige en aandachtige hoorders trok, werd Millers naam zelden door de godsdienstige pers genoemd, dan bij wijze van spot of hoon. De onverschilligen en goddelozen, aangemoedigd door de houding van de predikanten, namen de toevlucht tot ergerlike scheldnamen, en tot lage en lasterlike scherts, en trachtten op die wijze hem en zijn werk in verachting te brengen. De grijsaard, die een tehuis vol gemakken vaarwel gezegd had om op eigen kosten van stad tot stad, van dorp tot dorp te reizen, zonder ophouden zwoegende om de ernstige waarschuwing aan de wereld te brengen, dat het oordeel nabij was, werd spottend beschuldigd van een dweper, een leugenaar, een bedriegelike schurk te zijn.

De spot, leugen en beschuldigingen, die men hem naar het hoofd slingerde, lokten verontwaardiging en tegenwerpingen uit, zelfs van de wereldlike pers. “Een onderwerp van zulk een overweldigende majesteit en zulke vreselike gevolgen” met lichtvaardigheid of spot te behandelen, werd door wereldlingen verklaard, “niet alleen spelen te zijn met de gevoelens van de voorstanders ervan,” maar te “spotten met de oordeelsdag, Godzelf te honen, en de verschrikkingen van het gericht klein te achten.”

De aanhitser tot alle kwaad trachtte niet alleen, de invloed van de Adventboodschap tegen te werken, maar ook de bood-schapper zelf te verdoen. Miller paste de waarheid van de Schrift op praktiese wijze toe op de harten van zijn hoorders, berispte hen over hun zonden, en verontrustte hen in hun zelfgenoegzaamheid; en zijn eenvoudige en snijdende woorden wekten hun vijandschap op. De tegenstand, die leden van de kerken tegen zijn boodschap aan de dag legden, gaf aan de lagere klassen moed om met meer driestheid te handelen: en vijanden beraamden een plan, om hem van het leven te beroven bij het verlaten van een zekere plaats van samenkomst. Maar er waren heilige engelen in het gedrang, en een van hen, in de vorm van een jonge man, nam deze dienstknecht des Heren bij de arm, en voerde hem in veiligheid buiten het bereik van het verwoede gepeupel. Zijn werk was nog niet voltooid, en Satan en zijn bondgenoten werden in hun aanslag teleurgesteld.

Niettegenstaande alle tegenstand groeide de belangstelling in de Adventbeweging aan. Van twintigtallen en honderden waren de gemeenten opgegaan tot even zoveel duizenden. De verschillende kerken breidden zich ver uit, maar na enige tijd openbaarde de geest van tegenstand zich zelfs tegen deze bekeerlingen, en namen de kerken stappen om hen, die Millers inzichten hadden aangenomen, aan de kerkelike tucht te onderwerpen. Deze handelwijze lokte een antwoord van zijn pen uit, waarin hij in een aanspraak tot de Christenen van alle kerkgenootschappen erop aandrong, dat, indien zijn leer vals was, men hem zijn dwaling uit de Schrift zou aantonen.

“Wat hebben we geloofd,” zei hij, “dat ons niet bevolen is te geloven door het woord van God, hetwelk gijzelven toegeeft, de regel en de enige regel te zijn van ons geloof en onze wandel? Wat hebben we gedaan, dat zulke heftige beschuldigingen ons treffen van de zijde van kansel en pers, en waardoor gij het recht zoudt hebben om ons (Adventisten) van uw kerken en gemeenschap uit te sluiten?” “Indien we het mis hebben, weest dan zo goed, en wijst ons aan, waar de fout ligt. Toont ons uit Gods woord onze dwaling; we hebben spot genoeg geleden; dat kan ons nimmer overtuigen, dat we ongelijk hebben;

Gods woord alleen kan onze inzichten veranderen. Onze besluiten zijn omzichtig en biddend genomen, volgens het bewijs, dat we er in de Schriften voor vonden.”

De waarschuwingen, die God van eeuw tot eeuw door Zijn dienstknechten aan de wereld gezonden heeft, zijn te allen tijde met dezelfde verdenking en ongeloof ontvangen. Toen de ongerechtigheid van hen, die vor de zondvloed leefden, Hem bewoog om een vloed der wateren over de aarde te brengen, maakte Hij eerst Zijn voornemen aan hen bekend, opdat ze gelegenheid zouden hebben om zich af te keren van hun boze wegen. Honderd en twintig jaren lang klonk de waarschuwing tot bekering hun in de oren, opdat Gods toorn zich niet zou behoeven te openbaren in hun verwoesting. Maar de boodschap scheen hun ijdele taal toe, en ze geloofden hem niet. Overmoedig geworden in hun goddeloosheid, bespotten ze de boodschapper Gods, achtten niet op zijn smeken, en beschuldigden hem zelfs van dwaze inbeelding. Hoe durfde één man opstaan tegen al de groten van de aarde? Indien Noachs boodschap waar was, waarom zag en geloofde de gehele wereld hem dan niet? De bewering van één man tegenover de wijsheid van duizenden! Ze wilden geen geloof slaan aan de waarschuwing, noch ook de toevlucht nemen tot de ark.

Spotters wezen op de gang van de natuur,— de onveranderde opvolging van de jaargetijden, op de blauwe hemel waaruit nog nooit regen gevallen was, op de groene velden, verfrist door de dauw van de nacht,— en ze riepen uit: “Spreekt hij niet door gelijkenissen?” In verachting verklaarden ze, dat de prediker der gerechtigheid een onbezonnen geestdrijver was en ze holden voort, nog meer verdiept in hun genotzucht, nog meer verslaafd aan hun boze wegen, dan ooit tevoren. Toch hield hun ongeloof de voorspelde gebeurtenis niet tegen. God verdroeg hun boosheid lang, en gaf hun overvloedig gelegenheid tot berouw; maar op de vastgestelde tijd bezocht Hij hen, die Zijn genade verworpen hadden, met Zijn oordelen.

Christus verklaart, dat er een gelijksoortig ongeloof bestaan zal aangaande Zijn Wederkomst. Evenals de mensen in Noachs tijd “het niet bekenden, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; evenzo,” in de woorden van onze Zaligmaker, “zal ook de toekomst van de Zoon des mensen zijn.” Wanneer Gods volk, dat Hem belijdt, zich met de wereld verenigt, leeft gelijk de wereld leeft, en met hen deelneemt aan verboden genoegens; wanneer de weelde van de wereld de weelde van de kerk wordt; wanneer de huweliksklokken vrolik luiden, en allen rekenen op lange jaren van aardse voorspoed,— dan zal, met de snelheid waarmede het weerlicht aan de hemel verschiet, het einde van hun schitterende visioenen en bedriegelike verwachtingen daar zijn.

Evenals God Zijn dienstknecht zond om de wereld te waarschuwen voor de komende vloed, zo zond Hij uitverkoren boodschappers om de aannadering van het laatste oordeel bekend te maken. En evenals Noachs tijdgenoten spotten over de voorspellingen van de prediker der gerechtigheid, zo spotten velen in Millers tijd, zelfs onder hen, die beleden tot Gods volk te behoren, met de waarschuwende woorden.

En waarom waren de leer en de prediking van Christus’ wederkomst zo weinig welkom aan de kerken? Terwijl de komst des Heren ellende en verwoesting betekent voor de goddelozen, brengt die aan de rechtvaardigen volle vreugde en hoop. Deze grote waarheid is door alle tijden heen de vertroosting van Gods getrouwen geweest; waarom is hij dan evenals de Bron ervan, “een steen des aanstoots en een rots der ergernis” geworden voor het volk, dat Hem belijdt? Het was onze Heer zelf, die Zijn discipelen beloofde: “Wanneer Ik zal heengegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder, en zal u tot Mij nemen.” Het was de medelijdende Heiland, die, de verlatenheid en het verdriet van Zijn volgelingen vooruit aanschouwende, engelen afzond om hen te troosten met de verzekering, dat Hij in persoon weder zou komen, gelijk Hij naar de hemel opgevaren was. Terwijl de discipelen naar de hemel opzagen om een laatste blik te werpen op Hem, die ze liefhadden, werd hun aandacht getrokken door de woorden: “Gij, Galilese mannen! wat staat ge en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs ge Hem naar de hemel hebt zien heenvaren.” Hun hoop werd verlevendigd door de boodschap van de engel. De discipelen “keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap, en waren allen tijd in de tempel lovende en dankende God.” Ze verheugden zich, niet omdat Jezus van hen gescheiden was, en zij achtergelaten waren om te kampen tegen de beproevingen en verleidingen van de wereld, maar over de verzekering van de engel, dat Hij wederkomen zou.

De verkondiging van de wederkomst van Christus behoorde nu, evenals toen het bericht door de engelen aan de herders van Bethlehem gebracht werd, een tijding van grote blijdschap te zijn. Zij, die de Heiland waarlik liefhebben, kunnen niet anders dan met vreugde de aankondiging begroeten, op het woord van God gegrond, dat Hij, Die het middelpunt is van hun hoop op het eeuwige leven, wederkomen zal, niet om beledigd, veracht, en verworpen te worden, gelijk bij Zijn eerste komst, maar met macht en heerlikheid, om Zijn volk te verlossen. Zij, die de Heiland niet liefhebben, wensen, dat Hij wegblijven zal; en er kan geen beslissender bewijs zijn, dat de kerken zich van God hebben afgekeerd, dan de verbittering en vijandschap, opgewekt door deze boodschap, welke hun uit de hemel toegezonden werd.

Zij, die de Advent-leer aannamen, ontwaakten tot het besef van de noodzakelikheid van berouw en verootmoediging voor God. Velen hadden lange tijd gewankeld tussen Christus en de wereld; nu gevoelden ze, dat het tijd was om tot een beslissing te komen. “De zaken der eeuwigheid namen voor hen een ongewoon werkelike gestalte aan. Ze gevoelden zich dichter bij de Hemel, en zagen, dat ze schuldig stonden voor God.” Christenen werden opgewekt tot een nieuw geestelik leven. Ze kwamen tot het bewustzijn, dat de tijd kort was, en dat, wat ze voor hun medemensen wensten te doen, spoedig gedaan moest worden. De aarde trad op de achtergrond, de eeuwigheid scheen zich voor hen te openen; en men gevoelde, dat de ziel, met al wat betrekking heeft op het eeuwig wel of wee, boven al het tijdelike stond. Gods Geest rustte op hen, en gaf kracht aan het ernstige beroep, dat ze op hun broederen zowel als op zondaren deden, om zich voor te bereiden op de dag Gods. Het stille getuigenis van hun dageliks leven was een gedurige bestraffing voor vormelike en ontoegewijde leden van de kerk. Die wilden niet gehinderd worden in hun jagen naar genot, hun haken naar winstbejag, en hun zucht naar wereldse eer. Vandaar de vijandschap en de tegenstand, die er tegen het Adventgeloof en hen, die het verkondigden, ontstond.

Toen men bevond, dat de bewijsgronden van de profetiese tijdperken niet omver te werpen waren, trachtten de tegen-standers het onderzoeken van het punt tegen te gaan door te leren, dat de profetieën verzegeld zijn. Aldus volgden de Protestanten in de voetstappen van de Roomsen. Terwijl de Pauselike kerk de Bijbel van het volk weghoudt, beweerden de Protestantse kerken, dat een belangrijk deel van het heilige woord — en wel het deel, hetwelk waarheden aan het licht brengt, die in het biezonder van toepassing zijn op onze tijd — niet verstaan kon worden.

Predikers en gemeente verklaarden, dat de profetieën van Daniël en de Openbaring onbegrijpelike verborgenheden waren. Maar Christus verwees Zijn discipelen naar de woorden van de Profeet Daniël met betrekking tot gebeurtenissen, die in hun tijd zouden plaats vinden, en sprak: “Die het leest, die merke daarop!” En de bewering, dat de Openbaring een verborgenheid is, die niet verstaan kan worden, wordt tegengesproken door de titel van het boek zelf: “De Openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft, om aan Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die haast geschieden moeten. . . . Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden van deze profetie, en die bewaren, hetgeen daarin geschreven is; want de tijd is nabij.”

De profeet zegt: “Zalig is hij, die leest”—er zijn dezulken, die niet willen lezen; de zegen is niet voor hen. “En zij, die horen”—er zijn er ook sommigen, die weigeren iets aangaande de profetieën te horen; de zegen is voor die klasse niet. “En bewaren, hetgeen daarin geschreven is”—velen weigeren, om acht te slaan op de waarschuwingen en het onderwijs, dat de Openbaring bevat; geen van dezen kannen aanspraak maken op de beloofde zegen. Allen, die de onderwerpen van de profetie belachelik maken, en spotten met de beelden, die hier op plechtige wijze worden aangegeven; allen, die weigeren om hun leven te hervormen, en zich voor te bereiden op de komst van de Zoon des mensen, zullen ongezegend blijven.

Hoe durven de mensen leren, dat de Openbaring een verborgenheid is, die niet door menselik verstand kan worden begrepen, met het oog op het getuigenis, dat onder Ingeving dienaangaande is uitgesproken? Het is een geopenbaarde verborgenheid, een geopend boek. Het onderzoek van de Openbaring vestigt de aandacht op de profetieën van Daniël, en beide bieden uiterst gewichtige lering aan, door God aan de mensen gegeven, aangaande gebeurtenissen, welke plaats zullen vinden bij de sluiting van de wereldgeschiedenis.

Aan Johannes werden tonelen van het allergrootste belang in de ondervinding van de kerk geopenbaard. Hij aan-schouwde de toestand, de gevaren, de strijd, en de eindelike verlossing van Gods volk. Hij tekende de laatste boodschappen op, waardoor de oogst van de aarde gerijpt moet worden, hetzij als schoven voor de hemelse korenschuur, of als brandhout voor het vuur der vernieling. Onderwerpen van ontzaglik belang werden aan hem geopenbaard, voornamelik ter wille van de laatste kerk, opdat zij, die zich van de dwaling tot de waarheid zouden keren, onderricht mochten worden aangaande de gevaren en de strijd, die hun te wachten stonden. Niemand behoeft in duisternis te verkeren omtrent hetgeen op de aarde plaats zal vinden.

Waarom dan deze algemene onwetendheid omtrent een belangrijk gedeelte van de Heilige Schrift? Waarom deze algemene weerzin om te onderzoeken, wat erin geleerd wordt? Het is het gevolg van een bestudeerde poging van de vorst der duisternis om voor de mensen te verbergen hetgeen zijn bedrog zou openbaren. Om deze reden spreekt Christus, die de Openbaring gegeven heeft, de strijd voorziende, die er gevoerd zou worden tegen het onderzoek van dit Boek, een zegen uit over allen, die de woorden van de profetie zouden lezen, horen en bewaren.