2. Vervolging in de Eerste Eeuwen

Toen Jezus aan Zijn discipelen het lot van Jeruzalem en de tonelen van Zijn wederkomst openbaarde, voorzeide Hij tevens wat de Zijnen ondervinden zouden van de tijd af, waarop Hij van hen zou weggenomen worden, tot op Zijn wederkomst in macht en heerlikheid om hen te verlossen. Van de Olijfberg af aanschouwde de Heiland de stormen, die welhaast over de apostoliese kerk zouden komen; en dieper in de toekomst indringende, ontwaarde Zijn blik de wilde, vernielende orkanen, welke Zijn volgelingen in de volgende eeuwen van duisternis en vervolging zouden treffen. In enkele korte gezegden vol ontzettende betekenis voorspelde Hij wat de kerk Gods te wachten stond van de oversten dezer wereld. Christus’ volgelingen moesten hetzelfde pad van vernedering, spot en lijden betreden, dat hun Meester betrad. De vijandschap, welke tegen de Verlosser van de wereld losgebarsten was, zou tegen allen, die in Zijn naam geloven, geopenbaard worden.

De geschiedenis van de eerste kerk getuigde van de vervulling van de woorden van de Heiland. De machten van aarde en hel stelden zich in slagorde tegen Christus, in de persoon van Zijn volgelingen. Het heidendom voorzag dat, indien het evangelie triomfeerde, zijn tempels en altaren verwoest zouden worden; vandaar dat het zijn strijdkrachten verzamelde om het Christendom de dood aan te doen. Het vuur der vervolging werd ontstoken. De Christenen werden van hun bezittingen beroofd, en uit hun woonplaatsen verdreven. Ze hadden “veel strijds des lijdens te verdragen.” Zij moesten “bespottingen en geselen proeven, en ook banden en gevangenis.” Een groot aantal verzegelde hun getuigenis met hun bloed. Edelman en slaaf, rijke en arme, geleerde en ongeletterde, allen werden zonder onderscheid en zonder genade ter dood gebracht.

Deze vervolgingen, die omtrent de tijd van de marteldood van Paulus onder Nero een aanvang namen, werden met meer-dere of mindere woede eeuwen lang voortgezet. De Christenen werden valselik van de vreselikste misdaden beschuldigd, en verklaard de oorzaak te zijn van grote rampen, als hongers-nood, pest en aardbeving. Terwijl ze de voorwerpen werden van volkshaat en verdenking, stonden er verklagers gereed om ter wille van eigen voordeel de onschuldigen te verraden. Ze werden veroordeeld als rebellen tegen de regering, vijanden van de godsdienst, en een pest voor de maatschappij. Een zeer groot aantal werd voor de wilde dieren geworpen, of in de amfitheaters levend verbrand. Sommigen werden gekruisigd; anderen in de huiden van wilde dieren gestoken, en in het strijdperk geworpen, om door honden verscheurd te worden. Hun straf werd menigmaal het hoofdschouwspel gemaakt bij openbare feestclikheden. Grote menigten verzamelden zich om van het schouwspel te genieten, en aanschouwden hun stervensmarten met luid gelach en toejuichingen.

Waar ze ook maar een schuilplaats zochten, werden de volgelingen van Christus als roofdieren gejaagd. Ze waren genoodzaakt, zich in woeste en eenzame plaatsen te versteken. “Verlaten waren ze, verdrukt, kwalik behandeld; welker de wereld niet waardig was; ze doolden in woestijnen, en op bergen, en in spelonken, en in de holen der aarde.” De katakomben boden schuilplaats aan duizenden. Onder de heuvels buiten de stad Rome waren lange galerijen uitgegraven, door zand en rots, een donkere doolhof van gangen, die zich mijlen ver buiten de muren van de stad uitstrekte. In deze onderaardse schuilplaatsen begroeven de volgelingen van Christus hun doden; en daar ook vonden zijzelven een tehuis, als ze verdacht en vogelvrij verklaard werden. Wanneer de Levensgever hen zal wakker roepen, die de goede strijd gestreden hebben, zal er menig martelaar voor Christus uit die donkere spelonken te voorschijn treden.

Te midden van de wreedste vervolgingen bewaarden deze getuigen voor Jezus hun geloof onbevlekt. Schoon alle gemakken van het leven hun ontnomen waren, en ze van het zonnelicht afgesloten zich een tehuis moesten zoeken in de vriendelike schoot der aarde, uitten ze geen enkele klacht. Met woorden van geloof, geduld en hoop bemoedigden ze elkander cm ontbering en nood fe verdragen. Het verlies van iedere aardse zegen kon er hen niet toe brengen hun geloof in Christus te verzaken. Verdrukking en vervolging waren hun slechts stappen, die hen nader brachten tot hun rust en hun loon.

Gelijk Gods dienstknechten van ouds werden er velen “uitgerekt, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat ze een betere opstanding verkrijgen zouden.” Ze herinnerden zich de woorden van hun Meester, dat, wanneer ze vervolgd zouden worden om Christus’ wil, ze zich moesten verblijden en verheugen, omdat hun loon in de hemelen groot zou zijn; daar ook de profeten, die vor hen geweest waren, aldus vervolgd waren geworden. Ze verheugden zich, dat ze waardig geacht werden om der wille van de waarheid te lijden, en triomfliederen stegen op uit het midden van de knetterende vlammen. In het geloof opwaarts ziende, zagen ze Christus en de engelen over de muren van de hemelstad heen met de innigste belangstelling op hen neerblikken, en hun standvastigheid goedkeurend aanschouwen. Er kwam een stem tot hen neer van de troon Gods: “Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon des levens.”

Satans pogingen om de kerk van Christus door geweld te verstoren, waren vergeefs. De grote strijd, in welke de volgelingen van Jezus het leven lieten, hield niet op, toen die getrouwe banierdragers op hun posten sneuvelden. Ze overwonnen door nederlaag. Gods werklieden werden gedood, maar Zijn werk ging gestadig voorwaarts. Het evangelie werd al meer verbreid, en het aantal aanhangers groeide gedurig aan. Het baande zich een weg, waar alle toegang afgesloten was, zelfs tot de adelaren van Rome. Een zeker Christen, die met de heidense overheden, welke do vervolging met kracht wilden doorzetten, in woordewisseling was, zei: Gij moogt ons “doden, martelen, en veroordelen. Uw onrechtvaardigheid is het bewijs dat we onschuldig zijn. . . . Ook helpt uw wreedheid u niets.” Die was slechts een krachtiger uitnodiging om anderen tot hun overtuiging te brengen. “Hoe meer wij door u afgemaaid worden, hoe meer in aantal we weer opschieten; het bloed van de Christenen is zaad.”

Duizenden werden gevangen gezet en ter dood gebracht; maar anderen stonden op en namen hun plaatsen in. En degenen, die om hun geloof de marteldood ondergingen, werden daardoor voor Christus verzekerd, en door Hem als overwinnaars aangerekend. Zij hadden de goede strijd gestreden, en zouden de erekroon ontvangen, wanneer Christus wederkomen zou. Het lijden, dat ze ondergingen, sloot de Christenen nader aan elkander en aan hun Verlosser aan. Het voorbeeld van hun leven en getuigenis van hun dood waren een voortdurende belijdenis van de waarheid, en waar het‘t minst kon verwacht worden, verlieten Satans onderdanen zijn dienst en schaarden zich onder de banier van Christus.

Het was om die reden, dat Satan plannen beraamde om met betere uitslag de Godsregering te bestrijden, en dat wel door zijn banier omhoog te heffen in de Christelike kerk. Indien de volgelingen van Christus bedrogen konden worden, en ertoe gebracht, God te mishagen, zo zouden hun kracht, sterkte van ziel, en standvastigheid te kort schieten, en ze hem gemakkelik ten prooi worden.

Door list beproefde de grote vijand nu te verkrijgen, wat hij zich door geweld niet had kunnen verwerven. De vervolging hield op, en de gevaarlike aantrekkelikheden van tijdelike voorspoed en wereldse eer werden ervoor in de plaats gesteld. Agodedienaars werden ertoe gebracht, een deel van het Christelik geloof te omhelzen, terwijl ze andere grondwaarheden verwierpen. Ze gaven voor, Jezus aan te nemen als de Zoon van God, en in Zijn dood en opstanding te geloven; maar ze hadden geen overtuiging van zonde, en gevoelden geen behoefte aan berouw en verandering van gemoed. Met wat van hun zijde toe te geven, stelden ze voor dat de Christenen ook wat toegeven zouden, zodat allen één zouden worden in geloof aan Christus.

Nu verkeerde de kerk in vreselik gevaar. Gevangenis, marteling, vuur en zwaard waren zegeningen te achten in vergelijking hiervan. Enige Christenen bleven standvastig, en verklaarden, dat ze geen beginselen konden prijs geven. Anderen waren er voor, sommige geloofspunten op te geven, of wat te wijzigen, en zich te verenigen met degenen, die het Christendom gedeeltelik aangenomen hadden, bewerende dat dit het middel kon worden tot hun algehele bekering. Dat was een tijd van grote angst voor de getrouwe volgelingen van Christus. Onder de mantel van geveinsd Christendom sloop Satan de kerk binnen, om hun geloof te verzwakken, en hun harten af te trekken van het Woord der waarheid.

De meeste Christenen stemden er ten laatste in toe, hun standaard te verlagen, en een vereniging van Christendom en heidendom kwam tot stand. Ofschoon de aanbidders van de afgoden voorgaven bekeerd te zijn, en zich bij de kerk voegden, bleven ze hun afgoderij aankleven, en verwisselden alleen de voorwerpen van hun verering voor beelden van Jezus, en zelfs van Maria en de heiligen. De bedorven zuurdesem van de afgoderij, aldus de kerk binnengebracht, deed zijn verdervend werk. Ongezonde leringen, bijgelovige gebruiken, en afgodiese ceremonieën werden in de belijdenis en eredienst opgenomen. Terwijl de volgelingen van Christus zich met afgodedienaars verenigden, werd de Christelike godsdienst verdorven, en verloor de kerk zijn reinheid en kracht. Enkelen echter werden door deze dwalingen niet verleid. Zij bleven bij hun getrouwheid aan de Bron der waarheid, en dienden God alleen.

Er zijn altijd twee klassen geweest onder degenen, die er zieh voor uitgeven, dat ze Christus’ volgelingen zijn. Terwijl de ene klasse het leven van de Heiland bestudeert, ernstig hun fouten zoekt te verbeteren, en het grote Voorbeeld tracht gelijk te worden, keert de andere klasse zich af van de eenvoudige, praktiese waarheden, die hun feilen aan de dag brengen. Zelfs in zijn beste staat bestond de kerk niet geheel en al uit getrouwen, reinen en oprechten. Onze Heiland leerde dat zij, die moedwillig de zonde aanhangen, niet in de kerk mogen opgenomen worden; toch verbond Hij aan zich mannen, wier karakter niet zonder fouten was, en schonk hun de voordelen van Zijn onderwijs en voorbeeld, opdat ze gelegenheid zouden hebben om hun dwalingen in te zien en zich te beteren. Onder de twaalf apostelen van een verrader. Judas werd aangenomen, niet wegens de gebreken van zijn karakter, maar ten spijte van die. Hij werd onder de discipelen opgenomen, opdat hij door de leer en het voorbeeld van Christus zou leren verstaan, waarin het karakter van een Christen bestaat, en er zo toe gebracht zou worden, zijn dwalingen in te zien, tot berouw te komen, en met behulp van de Goddelike genade, zijn ziel te zuiveren, door “de waarheid gehoorzaam te worden.” Maar Judas wandelde niet in het licht, dat hem zo genadig verleend werd. Door aan de zonde toe te geven, lokte hij de verleidingen van de Satan uit. Zijn slechte karaktertrekken verkregen dé overhand. Hij liet zijn hart beheersen door de macht der duisternis, werd toornig, wanneer hem zijn fouten onder het oog werden gebracht, en kwam op die wijze tot de vreselike misdaad van zijn Meester te verraden. Op gelijke wijze haten allen, die onder de schijn van godzaligheid de zonde aanhangen, degenen die hun vrede verstoren door hun zondige wandel te veroordelen. Wanneer zich een gunstige gelegenheid voordoet, zullen ze als Judas diegenen verraden, die, hun ten goede, getracht hebben, hen terecht te wijzen.

De apostelen ontmoetten in de kerk mensen, die voorgaven godzaligheid te oefenen, terwijl ze heimelik de zonde pleegden. Ananias en Saffira speelden de rol van bedriegers, voorgevende alles aan God te geven, terwijl ze geldgierig een deel voor zichzelven achterhielden. De Geest der waarheid openbaarde aan de apostelen het ware karakter van deze veinzaards, en Gods oordelen zuiverden de kerk van die vuile smet op zijn reinheid. Dit klare bewijs van de onderscheidende Geest van Christus in de kerk verschrikte de valse broederen en kwaaddoeners. Ze konden niet lang verbonden blijven met degenen, die in gewoonten en neigingen getrouwe vertegenwoordigers van Christus waren; en als Zijn volgelingen beproevingen en vervolgingen te verduren hadden, waren het alleen zij, die alles wilden opgeven ter wille van de waarheid, die begeerte hadden om Zijn discipelen te worden. Zo lang daarom als de vervolgingen voortduurden, bleef de kerk redelik zuiver. Maar toen die ophielden, kwamen er bekeerlingen in, die minder oprecht en toegewijd waren, en was de weg voor Satan open om vat op de kerk te krijgen.

Doch er is geen samenstemming tussen de Vorst van het licht en de vorst van de duisternis, en er kan geen eenheid zijn tussen hun volgelingen. Toen de Christenen erin bewilligden, zich met diegenen te verenigen, die slechts ten halve van het heidendom bekeerd waren, sloegen ze een pad in, dat hen verder en verder van de waarheid weg leidde. Satan juichte, dat het hem gelukt was, zulk een groot aantal van Christus’ volgelingen te bedriegen. Hij bracht hen vervolgens meer volkomen onder zijn macht, en vuurde hen aan om degenen, die Gode getrouw gebleven waren, te vervolgen. Niemand verstond beter, het ware Christelike geloof tegen te gaan dan zij, die het eenmaal zelven verdedigd hadden; en deze afvallige Christenen, in verbinding met hun half-heidense genoten, kantten zich tegen de hoofdpunten van de leer van Christus.

Wanhopig moesten degenen, die getrouw wilden blijven, strijden om te blijven staan tegen de bedriegerijen en gruwelen, welke, in priesterklederen vermomd, de kerk binnengevoerd werden. De Bijbel werd niet aangenomen als de standaard van het geloof. De leer van godsdienstvrijheid werd ketterij geheten, en de aanhangers ervan gehaat en vervolgd.

Na lange en zware strijd besloten de weinige getrouwen alle verbintenis met de afvallige kerk af te breken, indien die zou blijven weigeren, zich van valse leerstellingen en afgodedienst te zuiveren. Ze zagen in, dat scheiding onvermijdeiik was, indien ze aan het woord Gods gehoorzaam wilden zijn. Ze durfden geen dwalingen gedogen, die dodelik zouden werken op hun eigen zielen, en hen een voorbeeld doen stellen, dat het geloof van hun kinderen en kindskinderen in gevaar brengen zou. Om vrede en eenheid te bewerken, waren ze gewillig, op alle punten in te schikken, die bestaanbaar waren met getrouwheid aan God; maar ze gevoelden, dat vrede zelfs te duur zou gekocht worden, als er beginselen voor moesten worden opgeofferd. Indien eenheid alleen verkrijgbaar was door verzaking der waarheid en gerechtigheid, dan moest er liever verschil, en zelfs openlike strijd zijn.

Hoe goed zou het voor de kerk en de wereld wezen, indien de beginselen, welke die standvastige zielen tot handelen dreven, in de harten van Gods belijdend volk verlevendigd werden. Er bestaat zorgwekkende onverschilligheid met betrekking tot de leerstukken, die de steunpilaren van het Christelik geloof vormen. De mening wint veld, dat die er niet zoveel op aankomen. Deze verachtering sterkt de handen dergenen, die aan Satans zijde staan, zodat valse theorieën en noodlottige dwalingen, welke de getrouwen in vroeger eeuwen op gevaar van hun leven af zouden hebben weerstaan en aan het licht gebracht, nu door duizenden, die voorgeven volgelingen van Christus te zijn, met goedwilligheid aangezien worden.

De eerste Christenen waren inderdaad een eigenaardig volk. Hun vlekkeloos gedrag en standvastig geloof waren een voortdurend verwijt, dat de rust van zondaren verstoorde. Ofschoon ze weinigen in getal waren, en zonder aardse middelen, aanzien, of eerbare titels, waren ze de kwaaddoeners tot een schrik, waar ook maar hun karakter en hun leer bekend waren. Om die reden werden ze door de goddelozen gehaat, gelijk Abel gehaat werd door zijn goddeloze broeder. Om gelijke reden als Kaïn Abel versloeg, brachten degenen, die de banden van de Heilige Geest zochten af te werpen, Gods volk ter dood. Om diezelfde oorzaak ook verwierpen en kruisigden de Joden de Heiland,— wijl de reinheid en heiligheid van Zijn karakter een voortdurend getuigenis was tegen hun zelfzucht en verdorvenheid. Van de tijd van Christus af tot op heden, hebben Zijn getrouwe discipelen zich de haat en tegenwerking op de hals gehaald van hen, die de paden der zonde liefhebben en betreden.

Hoe kan dan het evangelie een boodschap des vredes genoemd worden? Toen Jesaja de geboorte van de Messias voorspelde, gaf hij Hem de titel van “Vredevorst”. Toen de engelen aan de herders de afkondiging deden, dat Christus geboren was, zongen ze over de velden van Bethlehem: “Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.” Er bestaat schijnbaar tegenspraak tussen die profetiese verklaringen en de woorden van Christus: “Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.” Doch indien men ze recht verstaat, stemmen de twee uitspraken volkomen overeen. Het evangelie is een boodschap des vredes. Het Christendom is een stelsel dat, indien het aangenomen en gehoorzaamd zou worden, vrede, overeenstemming en geluk over de gehele aarde zou verbreiden. De godsdienst van Christus verenigt in een enge broederband allen, die Zijn leer aannemen. Jezus kwam om de mensen met God, en daardoor met elkander te verzoenen. Maar de wereld in het algemeen staat onder de heerschappij van de Satan, Christus’ bitterste vijand. Het evangelie stelt de mensen de grondregels van het leven voor, welke volkomen tegenovergesteld zijn aan hun gewoonten en begeerten, en zij verzetten er zich tegen. Ze haten de reinheid, die hun zouden ontdekt en veroordeelt, en vervolgen en vernietigen degenen, die op de rechtvaardige en heilige eisen ervan aandringen. Het is in deze zin — wijl de verheven waarheden, die het uitbrengt, haat en twist veroorzaken — dat het evangelie een zwaard genoemd wordt.

De geheimzinnige Voorzienigheid, die toelaat dat de rechtvaardigen verdrukking lijden door de handen van de goddelozen, is een oorzaak van grote ontsteltenis voor velen, die zwak zijn in het geloof. Sommigen zelfs zijn gereed, hun vertrouwen op God te laten varen, omdat Hij duldt, dat het de laagsten onder de mensen wél gaat, terwijl de besten en reinsten geplaagd en gemarteld worden door hun wrede macht. Hoe, zo wordt er gevraagd, kan Hij, die rechtvaardig en barmhartig is, en tevens oneindig in macht, zulke onrechtvaardigheid en verdrukking gedogen? Dit is een vraag, waar wij niets mee te doen hebben. God heeft ons voldoend bewijs van Zijn liefde geschonken, en het past ons niet Zijn goedheid in twijfel te trekken, omdat we de werkingen van Zijn voorzienigheid niet kunnen verstaan. De Heiland, de twijfelingen voorziende, die in dagen van moeite en donkerheid hun ziel benauwen zouden, sprak tot Zijn discipelen: “Gedenkt aan het woord, dat Ik u gezegd heb: de dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien ze Mij vervolgd hebben, ze zullen ook u vervolgen.” Jezus leed meer voor ons, dan ooit een volgeling van Hem doen kan door de wreedheid van goddeloze mensen. Degenen die geroepen worden, gepijnigd en gemarteld te worden, volgen slechts in de voetstappen van de geliefde Zoon van God.

“De Heer vertraagt de belofte niet.” Hij vergeet of verlaat Zijn kinderen niet; maar Hij staat de goddelozen toe, hun ware karakter te openbaren, opdat niemand, die Zijn wil begeert te doen, omtrent hen bedrogen zou worden. En wederom worden de rechtvaardigen door het vuur van de verdrukking heen geleid, opdat zijzelven gereinigd zouden worden; opdat hun voorbeeld anderen zou overtuigen van de wezenlikheid van hun geloof en godzaligheid, en ook opdat hun standvastige wandel de goddelozen en ongelovigen veroordelen zou.

God laat toe dat het de goddelozen wél gaat, en zij hun vijandschap tegen Hem aan de dag brengen, opdat, wanneer ze de mate van hun goddeloosheid vervuld zullen hebben, allen Zijn rechtvaardigheid en barmhartigheid mogen zien in hun algehele vernietiging. De dag van Zijn wraak nadert met spoed, wanneer allen, die Zijn wet overtreden en Zijn volk verdrukt hebben, het rechtvaardig loon van hun handelingen zullen ontvangen, en iedere daad van wreedheid of onrecht tegen Gods getrouwen gestraft worden zal, als ware die tegen Christus zelf verricht.

Er is een andere en meer belangrijke vraag, welke de aandacht van de hedendaagse kerken behoorde bezig te houden. De apostel Paulus verklaart, dat “allen die godzaliglik willen leven in Christus Jezus, verdrukking zullen lijden.” Hoe is het dan, dat er zo weinig van verdrukking bespeurd wordt? De enige reden is, dat de kerk de wereld gelijkvormig is geworden, en daardoor geen tegenspraak wakker roept. De godsdienst, die dezer dagen onder de mensen gevonden wordt, bezit niet dat reine en heilige karakter, dat het Christelik geloof in de dagen van Christus en Zijn apostelen kenmerkte. Het is alleen door de geest van zich met de zonde te verstaan; alleen doordat de grote waarheden van Gods Woord met zoveel onverschilligheid worden beschouwd; alleen omdat er zo weinig ware godsvrucht in de kerk is, dat het Christendom ogenschijnlik zo begunstigd wordt in de wereld. Doch laat er een herleving komen van het geloof en de kracht van de eerste kerk, en de geest van vervolging zal zich wederom openbaren, en het vuur der vervolging opnieuw ontstoken worden.