20. Een Grote Godsdienstige Opwekking

In de profetie van de boodschap van de eerste engel van Openbaring 14 wordt een grote godsdienstige opwekking voorspeld tijdens de verkondiging van de spoedige wederkomst van Christus. Er wordt een engel gezien, vliegende “in het midden van de hemel, en hij had het eeuwige evangelie, om te verkondigen aan degenen, die op de aarde wonen, en aan alle natie en geslacht, en taal, en volk.” “Met een grote stem,” geeft hij zijn boodschap: “Vreest God, en geeft Hem heerlikheid, want de ure van Zijn oordeel is gekomen; en aanbidt Hem, Die de hemel, en de aarde, en de zee, en de fonteinen van de wateren gemaakt heeft.”

Het feit, dat een engel gezegd wordt de heraut van deze waarschuwing te zijn, is betekenisvol. Door de reinheid, de heerlikheid en de macht van de hemelse boodschapper heeft de Goddelike wijsheid het verheven karakter van het werk, dat door zijn boodschap tot stand komen zou, willen voorstellen, alsook de macht en heerlikheid, die ermede gepaard zouden gaan. En het vliegen van de engel “in het midden van de hemel,” de “grote stem,” waarmede de waarschuwing gegeven wordt, en de verkondiging ervan aan allen, “die op de aarde wonen,“—“aan alle natie en geslacht, en taal en volk,” — getuigen van de snelheid, die de beweging kenmerkt, en hoe die zich over de gehele wereld uitbreidt.

De boodschap zelf geeft opheldering aangaande de tijd, waarop deze beweging zal plaats vinden. Hij wordt verklaard een deel uit te maken van het “eeuwig evangelie”, en kondigt het begin van het oordeel aan. De heilsboodschap is in alle eeuwen gepredikt geworden; maar deze boodschap is een deel van het evangelie, dat alleen in de laatste dagen kon verkondigd worden ; want alleen dan zou het waar zijn, dat de ure van het oordeel gekomen was. De porfetieën geven een opeenvolging van gebeurtenissen, die ons tot de aanvang van het oordeel leiden. Dit is in het biezonder waar van het Boek van Daniël. Maar dat gedeelte van zijn profetie, hetwelk betrekking had op de laatste dagen, werd Daniël gelast toe te sluiten en te verzegelen “tot de tijd van het einde.” Niet voordat we die tijd bereiken, kon er een boodschap aangaande het oordeel bekend gemaakt worden, op de vervulling van deze profetieën gegrond. Maar in de tijd van het einde, zegt de profeet, “zullen velen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenig-vuldigd worden.”

De apostel Paulus waarschuwde de kerk om niet in zijn tijd naar de komst van Christus uit te zien. “Die komt niet,” zegt hij, “tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zal zijn de mens der zonde.” Eerst na de grote afval, en het lange tijdperk van de regering van de “mens der zonde,” kunnen we uitzien naar de wederkomst van onze Heer. De “mens der zonde,” die ook de “verborgenheid der onge-rechtigheid,” “de zoon des verderfs,” en “de ongerechtige” genoemd wordt, stelt het pausdom voor, dat, naar hetgeen in de profetie voorspeld wordt, zijn oppergezag 1260 jaren lang zou handhaven. Dit tijdperk eindigde in 1798. De wederkomst van Christus kon niet vor die tijd plaats vinden. Paulus besluit in zijn waarschuwing de gehele Christelike bedeling tot op het jaar 1798. Het is na die tijd, dat de boodschap van Christus’ wederkomst verkondigd moest worden.

Zulk een boodschap is in de vervlogen tijden nooit gepredikt. Paulus, zoals we gezien hebben, predikte hem niet; hij wees zijn broederen op de toekomst, die toen nog ver in het verschiet lag, als de tijd voor de wederkomst des Heren. De Hervormers verkondigden hem niet. Martijn Luther plaatste het oordeel ongeveer drie honderd jaren in de toekomst, van zijn tijd af gerekend. Maar sinds 1798 zijn de zegelen van het boek van Daniël afgenomen, de kennis van de profetieën is toegenomen, en velen hebben de plechtige boodschap verkondigd, dat het oordeel nabij is.

Gelijk de grote Hervorming van de zestiende eeuw, zo werd ook de Adventbeweging in verschillende landen van de Christenwereld op dezelfde tijd waargenomen. Zowel in Europa als in Amerika werden er mannen van geloof en gebed toe geleid om de profetieën te bestuderen, en, wat in het bezielde woord opgetekend staat naspeurende, vonden ze overtuigend bewijs, dat het einde van alle dingen op handen was. In verschillende landen waren er afgezonderde groepen Christenen, die er geheel en al door onderzoek van de Schriften alleen toe gekomen waren om te geloven, dat de wederkomst van de Heiland nabij was.

In 1821, drie jaren nadat Miller tot zijn verklaring van de profetieën gekomen was, welke op de tijd van het oordeel heenwijzen, begon Dr. Joseph Wolff, “de zendeling voor de wereld,” de naderende wederkomst des Heren te verkondigen. Wolff was in Duitschland geboren en van Joodse afkomst, daar zijn vader een Joods rabbijn was. Op zeer jeugdige leeftijd werd hij van de waarheid van de Christelike godsdienst overtuigd. Bezield met een werkzame en onderzoekende geest, had hij altijd gretig geluisterd naar de gesprekken, die er in het huis van zijn vader gevoerd werden, wanneer vrome Joden zich daar dagelijks verzamelden om te spreken over de hoop en verwachting van hun volk, de heerlikheid van de Messias, die te komen stond, en de herstelling van Israël. De knaap vroeg eens, toen hij Jezus van Nazareth hoorde noemen, wie die persoon was. “Een Jood van zeer grote talenten,” was het antwoord; “maar omdat hij voorgaf de Messias te zijn, veroordeelde de Joodse rechtbank Hem ter dood.” “Waarom dan,” antwoordde de vrager, “werd Jeruzalem verwoest? en waarom zijn wij in ballingschap?” “Helaas, helaas!” antwoordde de vader, “omdat de Joden de profeten vermoord hebben.” De gedachte kwam onmiddellik bij het kind op: “Misschien was Jezus van Nazareth ook een profeet, en hebben de Joden Hem gedood, ofschoon Hij onschuldig was.” Dit gevoel was z— sterk, dat hoewel hem verboden was, ooit een Christelike kerk binnen te gaan, hij er dikwels buiten bleef staan om naar de prediking te luisteren.

Toen hij pas zeven jaar oud was, pochte hij eens tegen een oude Christelike buurman over de toekomstige zegepraal van Israël bij de komst van de Messias; waarop de oude man vriendelik zei: “Lieve jongen, ik zal u zeggen, wie de ware Messias was: Hij was Jezus van Nazareth, . . . die uw voorvaderen gekruist hebben, gelijk ze de profeten in de oude tijd hebben gedood. Ga naar huis en lees het drie en vijftigste hoofdstuk van Jesaja, en ge zult er van overtuigd worden, dat Jezus Christus de Zoon van God is.” De overtuiging hiervan maakte zich onmiddellik van hem meester. Hij ging naar huis en las het hoofdstuk na, zich verwonderende toen hij zag, hoe volmaakt hetgeen daar geschreven stond in Jezus van Nazareth was vervuld. Waren de woorden van de Christen de waarheid? De knaap vroeg zijn vader om uitleg van de protetie, maar ontving als antwoord zulk een streng stilzwijgen, dat hij nooit meer op het onderwerp durfde terugkomen. Dit verhoogde echter slechts zijn begeerte om meer van de Christelike godsdienst te weten.

De kennis, die hij zocht, werd stelselmatig van hem weggehouden in zijn Joods tehuis; maar toen hij nog pas elf jaren oud was, verliet hij zijn ouderlik huis, en ging de wereld in om zich een opvoeding te verwerven, en zijn godsdienst en levenswerk te kiezen. Hij vond enige tijd een tehuis bij familiebetrekkingen, maar werd spoedig door hen als een afvallige weggejaagd, en moest zich alleen en zonder een enkele penning een weg banen onder vreemdelingen. Hij trok van plaats tot plaats, ijverig studerende, en zichzelf onderhoudende met Hebreeuws te onderwijzen. Door de invloed van een Katholieke onderwijzer kwam hij ertoe, het Roomse geloof aan te nemen, en vormde het plan om zendeling onder zijn eigen volk te worden. Met dit doel voor ogen vertrok hij enige jaren later, om zijn studieën in het Kollege van de Propaganda te Rome voort te zetten. Hier werd hij wegens zijn gewoonte van onafhankelik denken en vrijuit spreken van ketterij beschuldigd. Hij viel de misbruiken van de kerk openlik aan, en drong aan op de noodzakelikheid van een hervorming. Hoewel hij in het eerst door de hoge pauselike geesteliken met biezondere gunst behandeld was, verwijderden die hem na enige tijd uit Rome. Onder toezicht van de kerk ging hij van plaats tot plaats, totdat het duidelik bleek, dat hij er nooit toe gebracht zou kunnen worden om zich onder het juk van de Roomse kerk te buigen. Hij werd onverbeterlik verklaard, en men liet hem vrij om te gaan waar hij wilde. Toen ging hij naar Engeland, en, het Protestantse geloof omhelzende, sloot hij zich bij de Engelse Kerk aan. Na twee jaren van studie begon hij in 1821 zijn zendingswerk.

Terwijl Wolff de grote waarheid van Christus’ eerste komst als “een man van smarten, en verzocht in krankheid” aannam, zag hij, dat de profetieën even duidelik Zijn wederkomst met macht en heerlikheid aan het licht brengen. En terwijl hij zijn volk tot Jezus van Nazareth trachtte te leiden als tot de beloofde Messias, en hen te wijzen op Zijn eerste komst in vernedering en als offerande voor de zonden van de mensen, leerde hij hen evenzo aangaande Zijn wederkomst als Koning en Verlosser.

“Jezus van Nazareth, de ware Messias,” zei hij, “wiens handen en voeten doorboord werden, die als een lam ter slachting werd geleid, die een man van smarten was en verzocht in krankheid, die, nadat de septer van Juda was geweken, en de wetgever van tussen zijn voeten, voor de eerste maal kwam, zal ten tweeden male komen op de wolken des hemels, en met de stem van de Archangel,“ en “staan op de Olijfberg; en de heerschappij over de schepping, die eenmaal aan Adam gegeven werd, en door hem werd verbeurd (Gen. 1: 26; 3:17), zal aan Jezus gegeven worden. Hij zal koning zijn over de gehele aarde. Het kermen en klagen van de schepping zal ophouden, maar lof- en dankliederen zullen gehoord worden. . . . Wanneer Jezus komt in de heerlikheid van Zijn Vader met de heilige engelen, . . . zullen de ontslapen gelovigen het eerst opstaan. 1 Thess. 4:16; 1 Kor. 15:23. Dit is wat wij Christenen de eerste opstanding noemen. Dan zal het diererijk van aard veranderen (Jes. 11: 6-9) en zich aan Jezus onderwerpen. Ps. 8. Algemene vrede zal dan heersen.” “De Heer zal weder op de aarde nederzien, en zeggen, ‘Ziet, het is zeer goed.’ “

Wolft’ geloofde, dat de wederkomst des Heren op handen was, en zijn verklaring van de profetiese tijdperken plaatste het einde van de wereld binnen een zeer klein aantal jaren van de tijd, die door Miller was aangegeven. Tot hen, die om de tekst: “Van die dag en die ure weet niemand,” beweerden, dat de mensen niets zullen weten betreffende de nabijheid van de wederkomst, sprak Wolff: “Heeft onze Heer gezegd, dat de dag en het uur nooit bekend zouden zijn? Heeft Hij ons geen tekenen van de tijden gegeven, opdat we ten minste de nadering van Zijn komst zouden weten, zoals men de nadering van de zomer bemerkt, doordat de bladeren van de vijgeboom uitspruiten? Matth. 24: 32. Zullen we die tijd nimmer weten, terwijl Hijzelf ons vermaant om Daniël, de profeet, niet alleen te lezen, maar hem ook te verstaan? En dat wel datzelfde boek, waarin gezegd wordt, dat de woorden toegesloten waren tot de tijd van het einde (hetwelk het geval was in zijn tijd), en dat ‘velen het zullen naspeuren’ (een Hebreeuwse uitdrukking voor ‘letten op en denken over de tijd’), en de ‘wetenschap’ (aangaande die tijd) zal ‘vermenigvuldigd worden.’ Dan. 12:4. Behalve dat, onze Heer bedoelt daarmede niet, dat de nadering van de tijd niet bekend zal zijn, maar dat niemand de juiste dag en het juiste uur weet. Hij zegt, dat er door de tekenen van de tijden genoeg zal bekend worden, om er ons toe te bewegen, ons voor te bereiden op Zijn komst, gelijk Noach de ark toebereidde.”

Aangaande de algemeen gebruikelike wijze van de Schriften uit te leggen, of liever er een verkeerde uitleg aan te geven, schreef Wolff: “Het merendeel van de Christelike kerk is van de eenvoudige zin van de Schrift afgedwaald, en heeft zich gekeerd tot het geestestelsel van de Boeddhisten, die geloven, dat de toekomstige gelukzaligheid van de mensheid bestaan zal in het zweven door de lucht, en veronderstellen, dat wanneer ze Joden lezen, ze Heidenen moeten verstaan, en wanneer ze Jeruzalem lezen, ze de Kerk moeten verstaan; en als er staat aarde, het lucht betekent; en dat voor de wederkomst des Heren ze verstaan moeten de toename van de zendinggenootschappen; en dat gaan naar de berg van het huis des Heren een grote gemeentevergadering van Methodisten betekent.”

Gedurende de vier en twintig jaren van 1821 tot 1845 reisde Wolff overal rond; in Afrika bezocht hij Egypte en Abyssinië; in Azië trok hij Palestina, Syrië, Perzië, Bokhara, en Indië door. Hij bezocht ook de Verenigde Staten, en predikte op zijn reis daarheen op het eiland St. Helena. Hij kwam in Augustus 1837 te Nieuw-York aan, en, na in die stad gesproken te hebben, predikte hij te Philadelphia en Balti-more, en ging eindelik naar Washington. “Daar,” zegt hij, “op een voorstel van de gewezen President, John Quincy Adams, in een van de huizen van het Kongres, stond de vergadering me eenstemmig het gebruik van de Kongres Zaai af om een lezing te houden ; deze hield ik op een Zaterdag, vereerd door de tegenwoordigheid van al de leden van het Kongres, alsook van de bisschop van Virginië, en de geestelikheid en burgers van Washington. Dezelfde eer werd me bewezen door de leden van de Goevernementen van Nieuw-Jersey en Pennsylvanië, in wier tegenwoordigheid ik lezingen hield over mijn onderzoekingen in Azië, alsmede over de persoonlike regering van Jezus Christus.”

Dr. Wolff doorreisde de barbaarste landen zonder bescherming van enige Europese overheid, grote ontbering verdurende, en omringd door talloze gevaren. Hij werd met stokken geslagen, uitgehongerd, als slaaf verkocht, en drie malen ter dood veroordeeld. Hij werd door rovers aangevallen, en kwam somtijds bijna om van dorst. Eens werd hem alles, wat hij bezat, ontstolen, en moest hij honderden mijlen te voet afleggen door de bergen, terwijl de sneeuw hem in het aangezicht woei, en zijn naakte voeten verkleumd waren door aanraking met de bevroren grond.

Toen hij gewaarschuwd werd om niet ongewapend onder wilde en vijandelike stammen te gaan, verklaarde hij, dat hij “van wapenen voorzien” was,—“gebed, ijver voor Christus, en vertrouwen op Zijn bijstand.” “Ook ben ik,” zei hij, “voorzien van de liefde tot God en mijn naaste in mijn hart, en de Bijbel is in mijn hand.” De Hebreeuwse en Engelse Bijbel nam hij met zich, waar hij ook heenging. Van een van zijn latere reizen zegt hij: “Ik . . . hield de Bijbel open in mijn hand. Ik gevoelde, dat mijn kracht in dat boek lag, en dat zijn macht me ondersteunen zou.”

Aldus volhardde hij in zijn arbeid, totdat de tijding van het oordeel aan een groot gedeelte van de bewoonde aardbol gebracht was. Onder Joden, Turken, Parsen, Hindoes en vele andere nationaliteiten en rassen verspreidde hij Gods woord in hun verschillende talen, en overal kondigde hij de naderende regering van de Messias aan.

Toen hij door Bokhara reisde, vond hij dat de leer van de spoedige wederkomst des Heren door een afgelegen en afgezonderd volk geloofd werd. De Arabieren van Yemen, zegt hij, “hebben een boek, ‘Seera’ genoemd, waarin de wederkomst van Christus en Zijn heerschappij in heerlikheid wordt aangekondigd, en ze verwachten, dat er grote gebeurtenissen zullen plaats hebben in het jaar 1840.” “In Yemen . . . bracht ik zes dagen bij de Rechabieten door. Ze drinken geen wijn, planten geen wijngaarden, zaaien geen zaad, wonen in tenten, en gedenken aan de woorden van Jonadab, de zoon van Rcoliab; en bij hen vond ik kinderen Israëls, van de stam van Dan . . . die, tezamen met de kinderen van Rechab, de spoedige komst van de Messias op de wolken des hemels ver-wachten.“

Een andere zendeling bevond, dat er een gelijksoortig geloof bestond in Tartarije. Een Tartaars priester vroeg aan de zendeling, wanneer Christus voor de tweede maal komen zou. Toen de zendeling zei, dat hij daar niets van wist, scheen de priester zeer verwonderd over zulk een onwetendheid van iemand, die voorgaf, de Bijbel te onderwijzen, en zei, dat hij op grond van de profetieën geloofde, dat Christus ongeveer in 1844 zou komen.

Reeds in 1826 begon men de Advent-boodschap in Engeland te prediken. De beweging nam hier niet zulk een bepaalde vorm aan als in Amerika; de juiste tijd van de wederkomst werd niet zo algemeen verkondigd, maar de grote waarheid van de spoedige wederkomst van Christus in macht en heerlikheid werd wijd en zijd bekend gemaakt. En dat niet alleen onder afgescheidenen en nonkonformisten. Mourant Broek, een Engels schrijver, zegt, dat ongeveer zeven honderd predikanten van de Engelse kerk dit “evangelie van het koninkrijk” predikten. De boodschap, die op 1844 wees als de tijd voor de wederkomst des Heren, werd ook in Groot- Britannië gehoord. Advent-geschriften uit de Verenigde Staten werden overal verspreid. Boeken en, tijdschriften werden in Engeland overgedrukt. En in 1842 keerde Robert Winter, een Engelsman van geboorte, die het Advent-geloof in Amerika aangenomen had, naar zijn vaderland terug om de komst des Heren aan te kondigen. Velen hielpen hem bij dat werk, en de boodschap van het oordeel werd in verschillende delen van Engeland verkondigd.

In Zuid-Amerika baande zich Lucunza, een Spanjaard en Jezuïet, temidden van barbaarsheid en priesterbedrog een weg tot de Schriften, en nam op die wijze de waarheid aangaande de spoedige wederkomst des Heren aan. Gedrongen om de waarschuwing te geven, en toch begerig om aan de veroordeling van Rome te ontsnappen, gaf hij zijn inzichten in het licht onder de aangenomen naam van “Rabbi Ben- Israel,” en deed zich voor als een bekeerde Jood. Lucunza leefde in de achttiende eeuw, maar het was ongeveer in 1825 dat zijn boek, dat op de een of andere wijze naar Londen gedwaald was, in de Engelse taal werd overgezet. De uitgave ervan vermeerderde de belangstelling, die reeds in Engeland was opgewekt aangaande het onderwerp van de wederkomst.

In Duitschland was de leer in de achttiende eeuw door Bengel, predikant van de Lutherse Kerk, een beroemd geleerde en bijbeluitlegger, gepredikt. Na zijn opvoeding voltooid te hebben, wijdde Bengel zich aan de studie van de godgeleerdheid, waartoe hij van nature zich aangetrokken gevoelde wegens de ernstige en godsdienstige aanleg van zijn geest, welke nog vermeerderd en versterkt was door zijn eerste opleiding en tucht. Gelijk andere nadenkende jongelieden, vor en na hem, had hij te strijden met twijfel en moeilikheden van godsdienstige aard; en hij spreekt met veel gevoel over de ‘vele pijlen, die zijn arm hart doorboorden, en zijn jeugd moeilik te dragen maakten.’” Toen hij lid van de kerkeraad van Wurtenberg werd, bepleitte hij de zaak van godsdienstvrijheid. “Terwijl hij de rechten en privilegieën van de kerk handhaafde, was hij ervoor, dat alle redelike vrijheid toegestaan zou worden aan hen, die zich gedrongen gevoelden, op grond van hun geweten, zich uit de bestaande kerk terug te trekken.” De goede gevolgen van deze handelwijze worden nog gevoeld in de provincie, waarin hij tehuis behoorde.

Terwijl hij zich voorbereidde om op “Advent Zondag” uit Openbaring 21 te prediken, ging het licht van Christus’ wederkomst voor Bengel op. De profetieën van de Openbaring ontvouwden zich voor zijn verstand gelijk nooit tevoren. Overweldigd door een besef van het verbazende gewicht en de overstelpende heerlikheid van de tonelen, die de profeet schilderde, werd hij gedwongen, voor een tijd de beschouwing van het onderwerp te staken. Toen hij op de kansel stond, kwam het weder met de eigen levendigheid en kracht bij hem op. Van die tijd af wijdde hij zich aan de studie van de profetieën, voornamelik die van de Openbaring, en kwam spoedig tot de overtuiging, dat zij erop heenwezen, dat de komst van Christus nabij was. De datum, die hij vaststelde 1 Encyclopædia Britannica, art. Bengel (9de ed.). voor de tijd van de wederkomst, verschilde slechts een paar jaren van die Miller later aangaf.

Bengels geschriften zijn door de gehele Christelike wereld verspreid. Zijn inzichten over de profetieën werden algemeen aangenomen in zijn eigen staat Wurtemburg, en tot op zekere hoogte in andere delen van Duitschland. De beweging duurde voort tot na zijn dood, en de Advent-boodschap werd in Duitschland gehoord op dezelfde tijd, dat die in andere landen de aandacht trok. Al spoedig trokken sommigen van de gelovigen naar Rusland, en vormden daar kolonieën; en het geloof in de spoedige wederkomst van Christus heerst nog in de Duitse kerken van dat land.

Het licht scheen ook in Frankrijk en Zwitserland. Te Génève, waar Farel en Calvijn de waarheden van de Hervorming hadden verspreid, predikte Gaussen de boodschap van de wederkomst. Terwijl hij nog student was, had Gaussen kennis gemaakt met die rationalistiese geest, die gedurende het laatste deel van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw geheel Europa doortrok; en toen hij zijn werk als prediker begon, was hij niet alleen onkundig aan het ware geloof, maar geneigd tot twijfelzucht. In zijn jeugd was zijn belangstelling opgewekt in de studie van de profetieën. Na Rollins “Oude Geschiedenis” gelezen te hebben, werd zijn aandacht bepaald bij het tweede hoofdstuk van Daniël, en trof hem de wondervolle juistheid, waarmede de profetie vervuld was, gelijk uit de oorkonde van de geschiedschrijver bleek. Hier was een bewijs, dat de Schriften door ingeving geschreven zijn, hetgeen hem tot een anker verstrekte te midden van de gevaren van latere jaren. Hij kon zich niet tevreden stellen met de leer van het rationalisme, en door het bestuderen van de Bijbel en het zoeken naar duideliker licht, kwam hij na enige tijd tot een beslist geloof.

Terwijl hij bezig was, de profetieën te onderzoeken, geraaktë hij tot de overtuiging, dat de wederkomst des Heren op handen was. Onder de indruk van de ernst en het gewicht van deze grote waarheid wenste hij die voor het volk te brengen ; maar het algemene geloof, dat de profetieën van Daniël verborgenheden zijn, en niet verstaan kunnen worden, was hem een ernstig struikelblok. Hij besloot eindelik — evenals Farel vor hem gedaan had bij het evangeliseren van Génève — om met de kinderen te beginnen, door wie hij hoopte de belangstelling van de ouders op te wekken.

“Ik wens het verstaan te hebben,” zei hij later, sprekende over het doel, waarmede hij dit gedaan had, “dat het niet is om het weinige gewicht, maar integendeel om de grote waarde ervan, dat ik het op deze gewone wijze inkleedde, en het aan de kinderen voorstelde. Ik wenste een gehoor te krijgen, en vreesde, dat me dit niet gelukken zou, indien ik me eerst tot de volwassenen richtte.” “Derhalve besloot ik om tot de jongsten te gaan. Ik breng een gehoor van kinderen bijeen; indien de groep aangroeit, indien het blijkt dat ze luisteren, dat het hun bevalt, en ze er belang in stellen, dat ze het onderwerp verstaan en uitleggen, ben ik er zeker van, spoedig een tweede kringetje te krijgen; en op hun beurt zullen de oudere mensen inzien, dat het de moeite waard is om neder te zitten en te onderzoeken. Wanneer ik het zo ver krijg, dan is de zaak gewonnen.”

De poging gelukte. Terwijl hij de kinderen toesprak, kwamen oudere mensen luisteren. De galerijen van zijn kerk waren vol aandachtige hoorders. Onder hen waren mannen van rang en geleerdheid, alsook vreemdelingen en uitlanders, die Génève bezochten; en op die wijze werd de boodschap naar andere streken gebracht.

Aangemoedigd door dit sukses gaf Gaussen zijn toespraken uit, in de hoop van de studie van de profetiese boeken in de kerken van het Frans sprekende volk te bevorderen. “Onderricht aan kinderen gegeven,” zegt Gaussen, “betekent tot volwassenen te zeggen, die maar al te dikwels geen acht slaan op zulke boeken, onder het valse voorwendsel, dat ze te onverstaanbaar zijn: ‘Hoe kunnen ze verborgen zijn, wanneer uw kinderen ze verstaan?’ ” “Ik gevoelde een sterke begeerte,” voegt hij erbij, “om de kennis van de profetieën algemeen te maken in onze gemeenten, indien dat mogelik is.” “Er is inderdaad geen studie, die volgens mijn mening beter aan de behoeften van de tijd beantwoordt.” “Het is hierdoor, dat we ons voorbereiden moeten op de tijd der benauwdheid, die op handen is, en moeten waken en wachten op de komst van Jezus Christus.”

Ofschoon hij een van de geëerdste en geliefdste predikers in de Franse taal was, werd Gaussen na een tijd uit het pre-dikambt ontzet, zijn voornaamste overtreding zijnde, dat hij in plaats van de katechismus van de kerk, een droog en rationalisties handboek, waar nauweliks een bepaald geloof in geleerd werd, de Bijbel gebruikt had om de jeugd te onderrichten. Later werd hij leraar aan een theologiese school, terwijl hij ‘s Zondags zijn werk als katechiseermeester voortzette, de kinderen toesprak, en hen in de Schrift onderwees. Zijn boeken over de profetieën wekten ook veel belangstelling op. Uit het hoogleraarsgestoelte, door de pers, en in zijn liefste betrekking, als onderwijzer van de kinderen, oefende hij gedurende vele jaren een grote invloed uit, en werd het middel om de aandacht van velen te trekken tot de studie van de profetieën, welke aantoonden, dat de wederkomst des Heren nabij was.

Ook in Skandinavië werd de Advent-boodscliap verkondigd, en wijd en zijd belangstelling opgewekt. Velen ontwaakten uit hun zorgeloze zekerheid om hun zonden te belijden en vaarwel te zeggen, en vergeving te zoeken in de naam van Christus. Maar de geesteliken in de staatskerk wederstonden de beweging, en door hun invloed werden er sommigen, die de boodschap predikten, in de gevangenis geworpen. Op vele plaatsen, waar aan de predikers van de spoedige komst des Heren aldus het zwijgen werd opgelegd, behaagde het God, de boodschap op een wonderdadige wijze door jonge kinderen te laten brengen. Daar ze onder de leeftijd waren, kon de wet van het land hen niet keren, en werd het hun toegelaten ongehinderd te spreken.

De beweging was hoofdzakelik onder de lagere klasse; en het was in de nederige woningen van de arbeiders, dat de mensen samenkwamen om naar de waarschuwing te luisteren. De kinder-predikers waren zelven merendeels arme hutbewoners. Sommigen van hen waren niet meer dan zes of acht jaren oud; en terwijl hun leven getuigde, dat ze de Heiland liefhadden, en trachtten om in gehoorzaamheid aan Gods heilige eisen te leven, openbaarden ze overigens slechts het verstand en de bekwaamheid, welke in kinderen van die leeftijd in de regel opgemerkt wordt. Wanneer ze echter voor het volk stonden, was het duidelik, dat er een invloed in hen werkte, die meer was hun eigen natuurlike begaafdheid. Toon en manieren veranderden, en met ernst en kracht waarschuwden ze tegen het oordeel, gebruik makende van de eigen woorden van de Schrift: “Vreest God, en geeft Hem heerlikheid, want de ure van Zijn oordeel is gekomen.” Ze bestraften de zonden van het volk, en veroordeelden niet alleen onzedelikheid en ontucht, maar berispten wereldsgezindheid en afval, en waarschuwden hun hoorders om zich te haasten, aan de toekomende toorn te ontvlieden.

Het volk luisterde bevend naar hun woorden. De overtuigende Geest Gods sprak tot hun harten. Velen werden er toe geleid, de Schriften met vernieuwde en grotere belangstelling te onderzoeken; de onmatigen en zedelozen kwamen tot hervorming; anderen gaven hun oneerlike praktijken op; en z— duidelik was de beweging, dat zelfs predikanten van de staatskerk gedwongen waren, te erkennen, dat Gods hand er zichtbaar in was.

Het was Gods wil, dat de tijding van de wederkomst van de Heiland in de Skandinaviese landen verkondigd zou worden; en toen de stem van Zijn dienstknechten tot zwijgen werd gebracht, goot Hij Zijn Geest over de kinderen uit, opdat het werk zou worden gedaan. Toen Jezus Jeruzalem naderde, omringd door de juichende menigte, die Hem met triomfkreten en het wuiven van palmtakken als de Zoon van David binnenleidde, beriepen de naijverige Farizeën zich op Hem om hun het stilzwijgen op te leggen; maar Jezus antwoordde, dat dit alles tot vervulling van de profetieën geschiedde; en dat, indien zij zouden zwijgen, de stenen haast roepen zouden. Het volk staakte hun vreugdevolle aankondiging, toen ze de poorten van Jeruzalem binnentrokken, uit angst voor de bedreigingen van de priesters en overheden; maar de kinderen in de voorhoven van de tempel herhaalden het referein, en hun palmtakken wuivende, riepen ze, “Hosanna aan de Zone Davids!” Toen de Farizeën, die dit zeer kwalik namen, tot Hem zeiden: “Hoort ge wel, wat dezen zeggen?” antwoordde Jezus, “Ja, hebt ge nooit gelezen: Uit de mond van de jonge kinderen en de zuigelingen hebt ge U lof toebereid?” Evenals God ten tijde van Christus’ eerste komst door middel van kinderen werkte, zo werkte Hij ook door hen bij het verkondigen van de tijding van de wederkomst. Gods woord moest vervuld worden, dat de aankondiging van de komst van de Heiland aan alle volken, talen, en natieën zou worden gedaan.

Aan William Miller en hen, die met hem werkten, was het gegeven om de waarschuwing in Amerika te prediken. Dit land werd het middelpunt van de grote Adventbeweging. Hier was het, dat de voorzegging, in de boodschap van de eerste engel vervat, het meest direkt vervuld werd. De geschriften van Miller en zijn metgezellen werden naar verafgelegen landen verzonden. In welk deel van de aarde er ooit zendelingen waren doorgedrongen, daarheen ging ook de blijde tijding van Christus’ spoedige wederkomst. Wijd en zijd verspreidde zich de boodschap van het eeuwige evangelie: “Vreest God, en geeft Hem heerlikheid, want de ure van Zijn oordeel is gekomen.”

Het bewijs uit de profetieën, dat de komst van Christus scheen vast te stellen in de lente van 1844, maakte een diepe indruk op de harten van de mensen. Terwijl de boodschap van Staat tot Staat gebracht werd, ontstond er overal grote belangstelling. Velen waren ervan overtuigd, dat de beweringen, gegrond op de profetiese perioden, juist waren; en, de trots van hun mening opgevende, namen ze met vreugde de waarheid aan. Sommige predikanten gaven hun sektariese inzichten en gevoelens op, deden afstand van hun salarissen, verlieten hun kerken, en sloten zich aan bij hen, die de komst van Jezus verkondigden. Er waren echter betrekkelik weinig predikanten, die deze tijding wilden aannemen; om welke reden hij grotendeels aan eenvoudige leken werd toevertrouwd. Boeren verlieten hun boerderijen, ambachtslieden hun gereedschap, kooplieden hun koopwaren, zij, die ambten bekleedden, hun betrekkingen; en toch was het aantal arbeiders klein in vergelijking van het werk, dat er gedaan moest worden. De toestand van een goddeloze kerk en van een wereld, die in het boze ligt, drukte zwaar op de zielen van de trouwe wachters, en ze verduurden vrijwillig zware arbeid, ontbering en lijden, om de mensen te kunnen oproepen tot berouw ter zaligheid. Hoewel door Satan tegengewerkt, ging de arbeid geregeld voort, en werd de Advent-waarheid door vele duizenden aangenomen.

Overal werd het dringende getuigenis vernomen, waardoor zondaren, zowel wereldlingen als leden van de kerk, ge-waarschuwd werden, om te ontvlieden aan de toekomende toorn. Evenals Johannes de Doper, de voorloper van Christus, legden de predikers de bijl aan de wortel van de boom, en drongen er bij allen op aan, vruchten voort te brengen, de bekering waardig. Hun onrustwekkende oproeping stond in merkelike tegenstelling tot de verzekeringen van vrede en veiligheid, die van de populaire kansels werden gehoord; en waar de boodschap ook gegeven werd, werd het volk erdoor getroffen. Het eenvoudige, direkte bewijs uit de Schrift, door de Heilige Geest bekrachtigd, had een overtuigende kracht, waaraan slechts zeer weinigen volkomen weerstand konden bieden. Belijders van de godsdienst werden uit hun valse gerustheid opgewekt. Ze zagen hun afval, hun wereldsgezindheid en hun ongeloof, hun trots en hun zelfzucht in. Velen zochten de Heer met berouw en verootmoediging. De genegenheid tot aardse dingen, die ze zo lang hadden gevoed, werd nu op de hemel overgedragen. De Geest Gods rustte op hen, en met verzachte en verootmoedigde harten sloten ze zich aan bij hen, die de kreet deden weerklinken: “Vreest God, en geeft Hem heerlikheid, want de ure van Zijn oordeel is gekomen.”

Zondaren vroegen met tranen: “Wat moet ik doen om zalig te worden?” Zij, wier leven zich door oneerlikheid had gekenmerkt, waren verlangend om vergoeding te doen. Allen, die vrede in Christus gevonden hadden, verlangden, dat anderen in de zegen zouden delen. De harten van de ouders keerden zich tot de kinderen, en de harten van de kinderen tot hun ouders. De scheidsmuren van trots en terughoudendheid werden omgeworpen. Hartgrondige belijdenis werd er gedaan, en de leden van het huisgezin werkten voor de redding van hen, die hun het naast stonden, en het liefst waren. Menigmaal hoorde men ernstige gebeden opzenden. Overal werden er gevonden, die in grote zielsangst met God pleitten. Velen worstelden de gehele nacht in het gebed om de verzekering te erlangen, dat hun eigen zonden vergeven waren, of om de bekering van hun betrekkingen of buren.

Alle klassen stroomden naar de bijeenkomsten van de Adventisten. Rijken en armen, hogen en lagen, waren om verschillende redenen begerig, om voor zichzelven de leer van de wederkomst te horen. De Heer hield de geest van tegenstand in toom, terwijl Zijn dienstknechten de redenen voor hun geloof verklaarden. Somtijds was het werktuig zwak; maar Gods Geest gaf kracht aan Zijn waarheid. De tegenwoordigheid van heilige engelen werd in deze vergaderingen gevoeld, en er werden er dageliks velen aan de gelovigen toegevoegd. Terwijl de bewijzen voor de spoedige wederkomst van Christus werden herhaald, luisterden grote menigten in ademloze stilte naar de plechtige woorden. Hemel en aarde schenen elkander nader te komen. De kracht Gods werd gevoeld door ouden zowel als door jongen en personen van middelbare leeftijd. De mannen gingen naar hun woningen terug met een loflied op de lippen, en de blijde tonen klonken door de stille avondlucht. Niemand, die deze bijeenkomsten bijgewoond heeft, kan ooit die tonelen van die allerdiepste belangstelling vergeten.

De verkondiging van een bepaalde tijd voor de komst van Christus lokte grote tegenstand van velen onder alle klassen uit, van de predikant op de kansel tot op de roekelooste, hemeltergende zondaar. De woorden van de profetie werden vervuld: “In het laatste der dagen zullen er spotters komen, die naar hun eigen begeerlikheden zullen wandelen, en zeggen: Waar is de belofte van Zijn toekomst? Want van die dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo, gelijk van het begin van de schepping,“ Velen, die voorgaven, de Heiland lief te hebben, verklaarden, dat ze niet tegen de leer van de wederkomst waren; ze hadden alleen het bezwaar tegen de vastgestelde tijd. Maar Gods alziend oog doorzag hun harten. Ze wilden er niet van weten, dat Christus zou komen om de wereld in gerechtigheid te oordelen. Ze waren ontrouwe dienstknechten geweest; hun werk kon het onderzoek van de God, Die de harten proeft, niet lijden, en ze vreesden, hun Heer te ontmoeten. Evenals de Joden in de tijd van de eerste komst van Christus, waren ze niet gereed om Jezus te verwelkomen. Ze weigerden niet alleen om naar de eenvoudige leringen van de Bijbel te luisteren, maar bespotten hen, die naar de Heer uitzagen. Satan en zijn engelen juichten, en wezen er. Christus en Zijn heilige engelen honend op, dat het volk, dat voorgaf Hem te belijden, zo weinig liefde tot Hem had, dat ze niet naar Zijn verschijning verlangden.

“Niemand weet de dag of het uur,” was de bewijsgrond, welke zij, die het Advent-geloof verwierpen, het meest aanvoerden. De tekst luidt: “Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.” Een duidelike en steekhoudende verklaring van deze tekst werd gegeven door hen, die naar de Heer uitzagen, en het verkeerde gebruik, dat hun tegenstanders ervan maakten, werd helder aangetoond. De woorden werden door Christus gebruikt in dat gedenkwaardige gesprek met Zijn discipelen op de Olijfberg, nadat Hij voor de laatste maal de tempel verlaten had. De discipelen hadden de vraag gesteld: “Welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding van de wereld?” Jezus gaf hun tekenen, en zei: “Wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur.” Men moet het ene gezegde van de Heiland het andere niet te niet laten doen. Ofschoon niemand de dag of het uur van Zijn komst weet, wordt ons geleerd en wordt er verwacht, dat we weten zullen, wanneer die nabij is. We leren verder, dat het voor ons even noodlottig zal wezen, wanneer wij op Zijn waarschuwing geen acht slaan, en weigeren of verzuimen op te letten, wanneer Zijn wederkomst nabij is, als het voor hen, die in de dagen van Noach leefden, was om niet te weten, wanneer de vloed zou komen. En de gelijkenis in hetzelfde hoofdstuk, waarin de getrouwe dienstknecht met de ontrouwe vergeleken wordt, en waarin wordt gesproken van het oordeel over hem, die in zijn hart zei: “Mijn heer vertoeft te komen,” toont aan, in welk licht Christus degenen zal beschouwen en belonen, die Hij vinden zal wakende, en van Zijn komst getuigende, en hen, die het ontkennen. “Waakt dan,” zegt Hij, “zalig is die dienstknecht, welke Zijn heer, komende, zal vinden alzo doende.” “Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en ge zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.”

Paulus spreekt van een klasse van mensen, voor welke de verschijning van de Heer onverwacht wezen zal. “De dag des Heren zal alzo komen, gelijk een dief in de nacht. Want wanneer ze zullen zeggen: Het is vrede en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, ... en ze zullen het geenszins ontvlieden.” Maar Hij voegt er bij voor hen, die acht hebben geslagen op de waarschuwing van de Heiland: “Maar gij, broeders! gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen. Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.”

Aldus werd aangetoond, dat de Schrift de mensen geen reden geeft om in onwetendheid te blijven aangaande de nabijheid van de wederkomst van Christus. Maar zij, die slechts een verontschuldiging verlangden om de waarheid te kunnen verwerpen, sloten hun oren voor deze verklaring; en de stoutmoedige spotter, evenals de predikant, die Christus beleed, bleef de woorden herhalen: “Niemand weet de dag of het uur.” Als de mensen opgewekt werden, en naar de weg der zaligheid begonnen te vragen, stelden godsdienstonderwijzers zich tassen hen en de waarheid in, en trachtten hun vrees tot bedaren te brengen door het woord van God verkeerd uit te leggen. Ontrouwe wachters namen deel aan het werk van de grote verleider en riepen: “Vrede, vrede!” terwijl God van geen vrede gesproken had. Gelijk de Farizeën in de tijd van Christus, weigerden velen om zelven het koninkrijk des hemels in te gaan, en verhinderden hen, die ingingen. Het bloed van die zielen zal van hun handen geëist worden.

De eenvoudigsten en de meest toegewijden in de kerken waren gewoonlik de eersten, die de boodschap aannamen. Zij, die de Bijbel voor zichzelven onderzochten, konden niet anders dan het onschriftuurlik karakter van de gewone beschouwingen over de profetieën inzien; en waar de mensen niet door de invloed van de geestelikheid beheerst werden, waar ze Gods woord voor zichzelven wilden onderzoeken, daar behoefde de Advent-leer slechts met de Schriften vergeleken te worden, om het Goddelik gezag ervan aan het licht te brengen.

Velen werden door hun ongelovige broederen vervolgd. Om hun plaats in de kerk te behouden, stemden sommigen er in toe, over hun verwachtingen te zwijgen; maar anderen gevoelden, dat hun trouw aan God hen verhinderde om de waarheden, die Hij hun in pand had gegeven, aldus te verbergen. Niet weinigen werden om geen andere reden van de gemeenschap van de kerk afgesneden, dan dat ze hun geloof in de wederkomst van Christus hadden te kennen gegeven. De woorden van de profeet waren zeer kostbaar voor hen, die deze beproeving van hun geloof moesten verduren: “Uw broederen, die u haten, die u verre afzonderen, om Mijns Naams wil, zeggen: Dat de Heer heerlik worde! Doch Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden. “

Gods engelen zagen met de diepste belangstelling uit naar het gevolg, dat de waarschuwing hebben zou. Wanneer er in een kerk een algehele verwerping van de boodschap plaats vond, keerden de engelen zich in droefheid af. Toch waren er velen, die nog niet op de proef waren gesteld betreffende de Advent-waarheid. Velen werden bedrogen door echtgenoten, ouders, of kinderen, en men maakte hun wijs, dat zelfs naar zulke ketterijen, als de Adventisten leerden, te luisteren, reeds zonde was. De engelen werden gelast om zorgvuldig over deze zielen te waken; want er zou van de troon Gods nog een ander licht over hen schijnen.

Met onuitsprekelik verlangen zagen zij, die de boodschap ontvangen hadden, naar de komst van hun Heiland uit. De tijd, waarop ze verwachtten Hem te ontmoeten, kwam naderbij. Met kalme ernst naderden ze die ure. Ze rustten in liefelike gemeenschap met God, een voorsmaak van de vrede, die hun deel zou worden in het gelukzalig hiernamaals. Niemand, die deze hoop en dat vertrouwen ondervonden heeft, kan die heerlike uren van afwachting vergeten. Enige weken vor deze tijd werden de wereldse zaken grotendeels ter zijde gesteld. De oprecht gelovigen gingen zorgvuldig iedere gedachte en opwelling van hun hart na, als lagen ze op hun sterfbed, en zouden ze binnen enkele uren hun ogen sluiten voor de tonelen van de aarde. Er werden geen “hemelvaartsklederen” gemaakt, maar allen gevoelden de behoefte aan innerlik getuigenis, dat ze gereed waren om hun Heiland te ontmoeten; hun witte klederen waren reinheid van ziel,— karakters van de zonde gereinigd door het zoenbloed van Christus. Was er nog maar onder het volk, dat God belijdt, diezelfde geest van onderzoek des harten, hetzelfde ernstige, vastgegronde geloof! Hadden zij aangehouden, zich aldus voor de Heer te verontmoedigen, en hun smeekgebeden voor de troon der genade neer te leggen, ze zouden een veel rijkere bevinding hebben gehad, dan nu het geval is. Er wordt te weinig gebeden; er is te weinig ware overtuiging van zonde; en het gemis van een levend geloof rooft velen de genade, die onze Verlosser zo rijkelik aangebracht heeft.

Het was Gods bedoeling, Zijn volk te toetsen. Zijn hand bedekte een fout in de berekening van de profetiese tijdperken. De Adventisten merkten de dwaling niet op, evenmin als die door de geleerdsten onder hun tegenstanders werd ontdekt. De laatstgenoemden zeiden: “Uw berekening van de profetiese tijdperken is juist. Er zal een grote gebeurtenis plaats vinden, maar het is niet, wat de heer Miller voorspelt; het is de bekering van de wereld, en niet de wederkomst van Christus.”

De tijd van afwachting ging voorbij, en Christus verscheen niet om Zijn volk te verlossen. Zij, die met oprecht geloof en liefde naar hun Heiland uitgezien hadden, ondervonden bittere teleurstelling. Toch werden Gods plannen uitgevoerd: Hij beproefde de harten van hen, die voorgaven, op Zijn komst te wachten. Er waren er velen onder dezen, die door geen hogere drijfveer gedrongen werden dan vrees. Hun geloofsbelijdenis had noch hun hart, noch hun leven veranderd. Toen de verwachte gebeurtenis niet plaats vond, verklaarden deze personen, dat ze niet teleurgesteld waren; ze hadden nooit geloofd, dat Christus komen zou. Ze waren onder de eersten, die met de droefheid van de ware gelovigen de spot dreven.

Maar Jezus en het gehele hemelheir zag met liefde en medegevoel op de beproefden en getrouwen en toch teleurgestelden neer. Indien de sluier, die de zichtbare wereld van de onzichtbare scheidt, had kunnen weggeschoven worden, zouden er engelen gezien zijn, die deze standvastige zielen nabij kwamen, en hen behoedden tegen de pijlen van Satan.