26. Een Hervormingswerk

De Sabbatshervorming, welke in de laatste dagen moet plaats vinden, is in de profetie van Jesaja voorspeld: “Alzo zegt de Heer: “Bewaart het recht, en doet gerechtigheid; want Mijn heil is nabij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden. Welgelukzalig is de mens, die zulks doet, en het mensekind, dat daaraan vasthoudt; die de sabbat houdt, zodat hij die niet ontheiligt, en die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen.,, “De vreemden, die zich tot de Heer voegen, om Hem te dienen, en om de naam des Heren lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn: al wie de sabbat houdt, dat hij die niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden: die zal Ik ook brengen tot Mijn heilige berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brand-offers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken.”

Deze woorden zijn van toepassing op de Christelike bedeling, zoals uit de samenhang van de teksten blijkt: “De Here Here, die de verdrevenen van Israël vergadert, spreekt: Ik zal tot hem nog meer vergaderen, nevens hen, die tot hem vergaderd zijn.” Hier wordt het inbrengen van de heidenen door het evangelie voorgesteld. En over hen, die dan de Sabbat heiligen, wordt een zegen uitgesproken. Aldus blijft de verplichting van het vierde gebod nog van kracht na de kruisiging, opstanding, en hemelvaart van Christus, tot op de tijd, wanneer Zijn dienstknechten de blijde tij-ding aan alle natieën zullen prediken.

De Heer gebiedt bij monde van dezelfde profeet: “Bind het getuigenis toe, verzegel de wet onder Mijn leerlingen.” Het zegel van Gods wet wordt in het vierde gebod gevonden. Dit is het enige van al de tien, dat zowel de naam als de titel van de Wetgever aan het licht brengt. Het verklaart, dat Hij de Schepper is van hemel en aarde, en geeft aldus Zijn aanspraak te kennen op eerbied en aanbidding boven alle anderen. Behalve dit gebod is er geen van de tien, waaruit blijkt, op wiens gezag de wet gegeven is. Toen de Sabbat door de pauselike macht veranderd werd, werd het zegel van de wet afgenomen. De discipelen van Jezus worden opgeroepen om het weder te herstellen, door de Sabbat van het vierde gebod opnieuw de plaats toe te kennen, die hem rechtens toekomt, als gedenkteken van de Schepper en bewijs van Zijn gezag.

“Tot de wet en tot de getuigenis.” Terwijl er tegenstrijdige leerstellingen en theorieën in overvloed zijn, is de wet van God de enige onfeilbare maatstaf, waaraan alle meningen, leerstellingen en theorieën getoetst moeten worden. De profeet zegt: “Zo ze niet spreken naar dit woord, het zal zijn dat ze geen dageraad zullen hebben dat er geen licht in hen is.”

Wederom wordt het bevel gegeven: “Roep uit de keel, houd niet in; verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jakobs hun zonden.” Het is niet de goddeloze wereld, maar het zijn degenen, welke de Heer “Mijn volk” noemt, die over hun overtredingen berispt moeten worden. Hij verklaart verder: “Hoewel ze Mij dageliks zoeken, en een lust hebben aan de kennis van Mijn wegen, als een volk, dat gerechtigheid doet, en het recht van zijn God niet verlaat.” Hier wordt een klasse van mensen voorgedragen, die zichzelven rechtvaardig denken, en groot belang schijnen te stellen in de dienst van God; maar de strenge en ernstige bestraffing van Hem, die de harten proeft, toont, dat ze de Goddelike voorschriften met voeten vertreden.

Op de volgende wijze spreekt de profeet over de instelling, die verlaten is geworden: “De fondamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten; en gij zult genaamd worden: Die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt, om te bewonen. Indien gij uw voet van de sabbat afkeert, van te doen uw lust op Mijn heilige dag; en indien gij de Sabbat noemt een verlustiging, opdat de Heer geheiligd worde, die te eren is; en indien ge die eert, dat ge uw wegen niet doet, en uw eigen lust niet vindt, noch een woord daarvan spreekt: dan zult ge u verlustigen in de Heer.” Deze profetie is eveneens op onze tijd van toepassing. De bres is in Gods wet gemaakt, toen de Sabbat door de Roomse macht is veranderd. Maar de tijd is gekomen, waarop die Goddelike instelling weder van kracht gemaakt moet worden. De bres moet toegemuurd, en het fondament, van geslacht tot geslacht verwoest, moet weder opgericht worden.

Geheiligd door de rust en de zegen van de Schepper, werd de Sabbat door Adam gehouden in zijn onschuldige staat in het reine Eden; en evenzo door de gevallen, maar boetvaardige Adam, toen hij uit zijn gelukstaat verdreven was. Hij werd door al de patriarchen, van Abel tot op de rechtvaardige Noach, tot op Abraham, tot op Jakob, gehouden. Toen het uitverkoren volk in Egypte in slavernij was, verloren velen te midden van de heersende afgodedienst hun kennis aan Gods wet; maar toen de Heer Israël verloste, verkondigde Hij Zijn wet met ontzagwekkende grootsheid aan de verzamelde scharen, opdat ze Zijn wil kennen, en Hem altijd vrezen en gehoorzamen zouden.

Van die dag af tot op deze tijd is de kennis van Gods wet op de aarde bewaard geworden, en is de Sabbat van het vierde gebod gehouden. Ofschoon het “de mens der zonde” gelukte, Gods heilige dag met voeten te treden, toch waren er zelfs in het tijdperk van zijn opperheerschappij getrouwe zielen, in geheime plaatsen verborgen, die de dag in ere hielden. Sedert de Hervorming zijn er in ieder geslacht enkelen geweest, die de viering ervan handhaafden. Ofschoon menigmaal te midden van hoon en vervolging, is er een gedurig getuigenis afgelegd van de bestendigheid van Gods wet, en de heilige verplichting van de Sabbat van de schepping.

Deze waarheden, welke in Openbaring 14 aan het licht gebracht worden, in verband met het “eeuwig evangelie,” zullen de kerk van Christus onderscheiden ten tijde van Zijn verschijning. Want als gevolg van de drievoudige boodschap wordt er aangekondigd: “Hier zijn zij, die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus.” En deze boodschap is de laatste, die gegeven zal worden vor de wederkomst van de Heer. Onmiddellik na de afkondiging ervan wordt de Zoon des mensen door de profeet gezien, komende in heerlikheid om de oogst van de aarde in te halen.

Zij, die het licht aangaande het heiligdom en de onveranderlikheid van Gods wet aannamen, waren vol vreugde en verwondering, toen ze de schoonheid en overeenstemming zagen van het stelsel der waarheid, zoals dat zich aan hun verstand ontvouwde. Ze wensten, dat het licht, hetwelk hun zo dierbaar toescheen, aan alle Christenen zou medegedeeld worden; en konden zich niet anders voorstellen, dan dat het met blijdschap zou worden aangenomen. Doch waarheden, die hen van de wereld zouden doen verschillen, waren aan velen, die voorgaven volgelingen van Christus te zijn, niet welkom, en gehoorzaamheid aan het vierde gebod eiste een opoffering, waarvoor de meerderheid terugbeefde.

Wanneer de eisen van de Sabbat werden voorgelegd, redeneerden er velen van een werelds standpunt. Ze zeiden: “We hebben altijd de Zondag gehouden; onze vaders deden hetzelfde, en veel goede en vrome mensen zijn gelukkig gestorven, terwijl ze die dag hielden. Indien zij het rechte hadden, dan hebben wij het ook. Het houden van deze nieuwe Sabbat zou ons van de mensen afzonderen, en we zouden geen invloed meer over hen kunnen uitoefenen. Wat kan een klein gezelschap, dat de zevende dag houdt, hopen te volbrengen tegenover de gehele wereld, die de Zondag houdt?” Het was door soortgelijke beweringen, dat de Joden hun venverping van Christus trachtten te rechtvaardigen. Hun vaderen waren door God aangenomen, terwijl ze Hem hun offeranden brachten, en waarom konden de kinderen geen zaligheid vinden door op hetzelfde pad voort te gaan 1 Zo ook redeneerden de pausgezinden in Luthers tijd, dat ware Christenen gestorven waren in het Katholieke geloof, en dat die godsdienst dus voldoende was om zalig te worden. Zulk een wijze van redeneren zou de weg voor alle vooruitgang, zowel in geloofsovertuiging als de beoefening ervan, voor goed afsluiten.

Velen voerden aan, dat het houden van de Zondag vele eeuwen lang een vastgesteld leerstuk en een algemeen gebruik van de kerk geweest was. Als wederlegging van deze bewering werd er aangetoond, dat de Sabbat en de viering ervan nog ouder en algemener was, even oud als de wereld zelf, en de goedkeuring wegdroeg van engelen zowel als van God. Toen de grondvesten der aarde nederzonken, toen de morgensterren tezamen vrolik zongen, en al de kinderen Gods juiehten, toen werd de grond voor de Sabbat gelegd. Wei mag deze instelling ons eerbied inboezemen; liij is niet op menselik gezag gegrond, noeh rust op menselike overleveringen; hij is door de Oude van dagen verordend, en door Zijn eeuwig woord als gebod aangegeven.

Toen de aandacht van de mensen op het onderwerp van de Sabbatshervorming gevestigd werd, verdraaiden de volkspredikers het woord Gods, en gaven zulke verklaringen van hetgeen er geschreven staat, als aan onderzoekende harten het best bevrediging zouden geven. En zij die niet voor zichzelven de Schriften onderzochten, namen gaarne gevolgtrekkingen aan, welks met hun wensen overeenstemden. Velen trachtten door argumenten, drogredenen, overleveringen van de kerkvaders, en liet gezag van de kerk de waarheid te niet te maken. De voorstanders ervan werden naar hun Bijbels gedreven, om de echtheid van het vierde gebod te verdedigen. Eenvoudige mensen, alleen gewapend met het Woord der waarheid, wederstonden de aanvallen van geleerden, die met verwondering en woede zagen, dat hun welsprekend, vals redeneren machteloos was tegenover het eenvoudige, eerlike spreken van mannen. die de Schrift kenden, in plaats van bedreven te zijn in schoolse spitsvondigheden.

Bij gebrek aan bewijs in de Bijbel, dat ze tot hun voordeel konden gebruiken, voerden velen met onvermoeide volharding aan,-vergetende hoe hetzelfde tegen Christus en Zijn apostelen ingebracht was: “Waarom verstaan onze grote geleerden deze Sabbatskwestie niet? Er zijn er maar weinigen, die van uw geloof zijn. Het is niet mogelik, dat gij gelijk hebt, en dat alle geleerden in de wereld zich zouden vergissen.”

Om zulke argumenten te wederleggen, was het slechts nodig aan te halen, wat de Schrift leert, en op de geschiedenis te wijzen van de leidingen des Heren met Zijn volk door alle eeuwen heen. God werkt door hen, die Zijn stem horen en gehoorzamen; door hen, die, zo nodig, onaangename waarheden verkondigen, en niet bevreesd zijn om volkszonden te bestraffen. De reden, waarom Hij niet meer geleerden en mannen van hoge stand in de wereld kiest om vooraan te gaan in hervormingsbewegingen, is, dat zij op hun geloofsleer, theorieen, en theologiese stelsels vertrouwen, en geen belioefte gevoelen om door God geleerd te worden. Alleen zij, die in persoonlike gemeenschap staan met de Bron van alle wijsheid, zijn in staat om de Schriften te verstaan of uit te leggen. Mannen, die weinig schoolgeleerdheid bezitten, worden somtijds geroepen om de waarheid te verkondigen, niet omdat ze ongeleerd zijn, maar omdat ze geen voldoende zelfgenoegzaamheid hebben om te weigeren, zich door God te laten onderwijzen. Zij leren in de school van Christus, en hun nederigheid en gehoorzaamheid maken hen groot. Door hun de kennis van Zijn waarheid toe te vertrouwen, bewijst God hun een eer, waarbij aardse eer en menselike grootheid in het niet verzinken.

De meerderheid van de Adventisten verwierp de waarheden aangaande het heiligdom en Gods wet; velen gaven ook hun geloof in de Advent-beweging op, en namen onjuiste en strijdige inzichten aan over de profetieën, die op dat werk betrekking hebben. Sommigen vervielen in de dwaling van herhaaldelik een bepaalde tijd voor de wederkomst van Christus vast te stellen. Het licht, dat nu over het onderwerp van het heiligdom scheen, zou hun getoond hebben, dat geen enkel profeties tijdperk zich tot de wederkomst van de Heer uitstrekt: dat de juiste tijd van deze gebeurtenis niet voorzegd is. Maar zich van het licht afwendende, hielden ze aan, de ene tijd na de andere vast te stellen voor de komst van de Heer, en werden telkenmale teleurgesteld.

Toen de Christenen te Thessalonica valse inzichten koesterden betreffende de wederkomst van Christus, ried de apostel Paulus hun aan, hun hoop en verwachtingen zorgvuldig aan Gods woord te toetsen. Hij bepaalde hen bij profetieën, waarin de gebeurtenissen geopenbaard werden, welke moesten plaats hebben, vordat Christus wederkomen zou, en toonde aan, dat ze geen grond hadden om Hem toen reeds te verwachten. “Dat niemand u verleide op enigerlei wijze,“ is zijn waarschuwend woord. Indien ze toegaven aan verwachtingen, die niet door de Schrift bekrachtigd werden, zouden ze tot een verkeerde gedragslijn gebracht worden; teleurstelling zou hen blootstellen aan de spot van ongelovigen, en ze zouden in gevaar staan van aan ontmoediging toe te geven, en in verleiding komen van aan de waarheden te twijfelen, die noodzakelik waren voor hun zaligheid. De vermaning van de apostel aan de Thessalonicensen bevat een gewichtige les voor hen, die in de laatste dagen leven. Veel Adventisten hebben het gevoel gehad, dat tenzij ze hun geloof op een bepaalde tijd voor de wederkomst des Heren konden vestigen, ze niet ijverig en waakzaam konden zijn in hun voorbereiding. Doch wanneer hun hoop keer op keer opgewekt wordt, alleen om opnieuw teleurgesteld te worden, wordt hun geloof z— geschokt, dat het hun bijna onmogelik is, om nog onder de indruk te blijven van de grote waarheden van de profetie.

Het prediken van een bepaalde tijd voor het oordeel bij de afkondiging van de eerste boodschap was op bevel van God. De berekening van de profetiese tijdperken, waarop die boodschap zich grondde, en waardoor het einde van de 2300 dagen in de herfst van 1844 viel, is onbetwistbaar. De herhaalde pogingen om nieuwe datums voor het begin en einde van de profetiese tijdperken te vinden, en de onjuiste redenering, die nodig is om deze stellingen te verdedigen, leidt de harten niet alleen van de tegenwoordige waarheid af, maar verijdelt ook alle pogingen om de profetieën uit te leggen. Hoe meer er een bepaalde tijd voor de wederkomst van de Heer gesteld wordt, en hoe algemener die wordt verkondigd, hoe beter het Satan aanstaat. Als de tijd verstreken is, bezorgt hij de voorstanders spot en verachting, en hoont op die wijze de grote Advent-beweging van 1843 en 1844. Zij, die in deze dwaling volharden, zullen ten laatste een datum bepalen, die te ver in de toekomst ligt voor de wederkomst van Christus. Aldus zullen ze er toe komen om te rusten op een valse zekerheid, en velen zullen het niet inzien vor het te laat is.

De geschiedenis van het oude Israël is een treffend beeld van de ondervinding, die de Adventisten hebben opgedaan. God leidde Zijn kinderen in de Advent-beweging, evenals Hij de kinderen Israëls uit Egypteland leidde. In de grote teleurstelling werd hun geloof op de proef gesteld, gelijk dat van de Hebreën aan de Rode Zee. Hadden ze bij voortduring vertrouwd op de leidende hand, die met hen geweest was in hun voorgaande ondervinding, ze zouden de zaligheid Gods hebben gezien. Indien allen, die aan het werk van 1844 deelnamen, de boodschap van de derde engel hadden aangenomen, en die in de kracht van de Heilige Geest verkondigd hadden, de Heer zou hun pogingen krachtig hebben gesteund. De wereld zou zich gebaad hebben in een stroom van licht. De aardbewoners zouden jaren geleden gewaarschuwd zijn geweest, het sluitingswerk zou zijn voltooid, en Christus zou gekomen zijn om Zijn volk te verlossen.

Het was Gods wil niet, dat Israël veertig jaren in de wildernis zou ronddwalen; Hij wenste hen rechtuit naar het land Kanaän te leiden, en hen daar te vestigen als een heilig, gelukkig volk. Maar “zij hebben niet kunnen ingaan van wege hun ongeloof.” Ten gevolge van hun afkerigheid en afval kwamen ze in de woestijn om, en werden anderen verwekt om het beloofde land binnen te gaan. Evenzo was het niet Gods wil, dat de wederkomst van Christus z— lang zou worden uitgesteld, of dat Zijn volk zoveel jaren in deze wereld van zonde en verdriet vertoeven zou. Maar ongeloof vervreemdde hen van God. Daar ze weigerden het werk te doen, dat Hij hun aangewezen had, werden er anderen verwekt om de boodschap te verkondigen. Uit genade tot de wereld stelt Jezus Zijn wederkomst uit, opdat zondaren de gelegenheid zouden hebben om de waarschuwing te horen, en in Hem een schuilplaats te vinden, voordat de toorn Gods zal uitgegoten worden.

De voorstelling van een waarheid, die de zonden en dwalingen van de tijden berispt, moet nu, gelijk in vorige eeuwen, tegenstand verwekken. “Een iegelik, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.” Wanneer de mensen zien, dat ze hun ingenomen stelling niet verdedigen kunnen uit de Schrift, besluiten velen die met hand en tand vast te houden, en vallen op kwaadaardige wijze het karakter en de drijfveren aan van hen, die een waarheid verdedigen, welke niet in de smaak valt. Het is dezelfde gedragslijn, die door alle tijden heen gevolgd is. Elia werd een beroerder van Israël verklaard, Jeremia een verrader, en Paulus een verontreiniger van de tempel. Van die tijd af tot op heden heeft men degenen, die de waarheid trouw wensten te blijven, als oproerlingen, ketters, of scheurmakers aangeklaagd. Een menigte mensen, te ongelovig om het vaste woord van de profetie aan te nemen, zullen zonder na te vragen lichtgelovig een beschuldiging opnemen tegen hen, die zonden durven bestraffen, welke fatsoenshalve gedaan worden. Deze geest zal meer en meer toenemen. En de Bijbel leert duidelik, dat er een tijd nadert, waarin de wetten van de staat zodanig in strijd zullen zijn met Gods wet, dat, wie al de Goddelike voorschriften zal wensen te gehoorzamen, smaad en straf zal moeten lijden als een boosdoener.

Wat is met het oog hierop de plicht van de boodschapper der waarheid? Moet hij besluiten, dat de waarheid niet verkondigd behoort te worden, omdat de enige uitwerking ervan dikwels slecht is; dat de mensen geprikkeld worden om de vereisten ervan te ontduiken, of er zich tegen te verzetten? Neen; hij heeft niet meer reden om het getuigenis van Gods woord achter te houden, omdat het tegenstand verwekt, dan de vroegere hervormers hadden. De belijdenis van hun geloof, door heiligen en martelaren afgelegd, staat ten nutte van de volgende geslachten opgetekend. Die levende voorbeelden van heiligheid en standvastige oprechtheid zijn geboekstaafd om dezulken moed in te boezemen, die tans opgeroepen worden om als getuigen voor God pal te staan. Zij ontvingen genade en waarheid, niet alleen voor zichzelven, maar opdat door hen de kennis van God de aarde verlichten zou. Heeft God Zijn dienstknechten in dlt geslacht licht gegeven? Dan behoren ze het in de wereld te laten schijnen.

In de oude tijd zei de Heer tot iemand, die in Zijn naam sprak: “Het huis Israëls wil naar u niet horen, omdat ze naar Mij niet willen horen.” Desniettegenstaande zei Hij: “Maar gij zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat ze horen zullen, of hetzij dat ze het laten zullen.” Tot Gods dienstknecht in deze tijd wordt het bevel gericht: “Verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jakobs hun zonden.”

Voor zover de gelegenheid zich voor hen openstelt, draagt iedereen, die het licht van de waarheid ontvangen heeft, dezelfde plechtige en vreselike verantwoording, als de profeet van Israël, tot wie het woord des Heren kwam, zeggende: “Gij nu, o mensekind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. Ais Ik tot de goddeloze zeg: O goddeloze, ge zult de dood sterven! en gij spreekt niet, om de goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Maar als gij de goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van die bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert: zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uw ziel bevrijd.”

Wat zowel de aanname als de verspreiding van de waarheid zo zeer in de weg staat, is het feit, dat het ongemak en smaadheid met zich brengt. Dit is de enige bewijsgrond tegen de waarheid, die de voorstanders ervan nooit hebben kunnen wederleggen. Maar dat alles houdt de ware volgelingen van Christus niet terug. Zij wachten niet, totdat de waarheid algemeen in de gunst valt. Overtuigd van hun plicht, nemen ze kalm het kruis op zich, met de apostel Paulus achtende, dat “onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlikheid werkt;” met iemand van ouds “achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte.”

Wat ook hun belijdenis moge zijn, het zijn alleen dezulken, welke in hun hart de wereld dienen, die meer uit beleid handelen dan uit beginsel in zaken betreffende de godsdienst. We behoren het goede te kiezen, omdat het goed is, en de gevolgen ervan aan God over te laten. De wereld is zijn grote hervormingen verschuldigd aan mannen van beginsel, geloof en moed. Door zulke mannen moet het her-vormingswerk ook in deze tijd uitgevoerd worden.

Aldus spreekt de Heer: “Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van de mens, en ontzet u niet over hun smaadredenen. Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten.”