27. Opwekkingen in de Laatste Tijd

Waar Gods woord ook maar in getrouwheid gepredikt is, daar heeft het een uitwerking gehad, die van zijn Goddelike oorsprong getuigde. Gods Geest vergezelde de boodschap van Zijn dienstknechten, en zette het Woord kracht bij. Zondaren voelden hun geweten ontwaken. Het “licht, hetwelk verlicht een iegelik mens, komende in de wereld,” drong door tot in de geheime schuilhoeken van hun zielen; en hetgeen in de duisternis verborgen was, werd openbaar. Diepe overtuiging overmeesterde hun verstand en harten. Ze werden overtuigd van zonde, van gerechtigheid, en van een toekomend oordeel. Ze beseften Gods rechtvaardigheid, en schrikten terug voor de gedachte van in hun schuld en onreinheid te verschijnen vor Hem, die de harten doorzoekt. In zielsangst riepen ze uit: “Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?” Terwijl het kruis van Golgotha met zijn oneindig offer voor de zonden der mensen geopenbaard werd, zagen ze, dat de verdiensten van Christus alleen toereikend waren om te boeten voor hun overtredingen; dat die alleen de mens met God konden verzoenen. In geloof en ootmoedigheid namen ze het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt, aan. Door het bloed van Jezus hadden ze “vergeving van de zonden, die tevoren geschied zijn.”

Deze zielen brachten vruchten voort, de bekering waardig. Ze geloofden, werden gedoopt, en stonden op om in nieuwigheid des levens te wandelen,— nieuwe schepselen in

Christus Jezus, niet om zich naar vroegere begeerlikheden te gedragen, maar om, door het geloof in de Zoon van God, Zijn voetstappen te drukken, Zijn karakter te weerspiegelen, en zichzelven te reinigen, gelijk Hij rein is. Hetgeen zij eenmaal haatten, hadden ze nu lief; en wat ze eenmaal liefhadden, haatten ze nu. Wie trots en aanmatigend was, werd zachtmoedig en nederig van hart. Wie ijdel en hoogmoedig was, werd ernstig en bescheiden. De heiligschender werd eerbiedig, de dronkaard werd matig, en de losbandige werd rein. De ijdele modes van de wereld werden afgelegd. Christenen zochten niet “het versiersel, dat uiterlik is, bestaande in het vlechten van het haar, en omhangen van goud, of van klederen aan te trekken; maar de verborgen mens des harten in het onverderfelike versiersel van een zachtmoedige en stille geest, die kostelik is vor God.”

Geestelike opwekkingen veroorzaakten diep onderzoek van het hart en nederigheid. Ze werden gekenmerkt door een plechtig, ernstig beroep op de zondaar, door een hartelik verlangen om gekocht te worden door het bloed van Christus. Mannen en vrouwen baden en worstelden met God om de redding van zielen. De vruchten van zulke opwekkingen werden gezien in zielen, die niet terugbeefden voor zelfverloochening en opoffering, maar die er zich in verheugden, dat ze waardig geacht waren om smaad en beproeving te verduren om Christus’ wil. Men zag een hervorming in het leven van hen, die Jezus’ naam beleden. De maatschappij trok voordeel uit hun invloed. Zij vergaderden met Christus, en zaaiden in de Geest, om het eeuwige leven te oogsten.

Van hen kon gezegd worden: “Gij zijt bedroefd geweest tot bekering.” “Want de droefheid naar God werkt een onberouwelike bekering tot zaligheid; maar de droefheid van de wereld werkt de dood. Want ziet, ditzelfde, dat gij naar God zijt bedroefd geworden, hoe grote naarstigheid heeft het in u gewrocht? ja verantwoording, ja onlust, ja vrees, ja verlangen, ja ijver, ja wraak; in alles hebt ge uzelven bewezen rein te zijn in deze zaak.”

Dit is het gevolg van het werk van Gods Geest. Er is geen bewijs van oprecht berouw, tenzij het hervorming bewerkt. Indien hij zijn gelofte vervult, teruggeeft wat hij heeft gestolen, zijn zonden belijdt, en God en zijn medemensen liefheeft, dan kan de zondaar er zich van verzekerd houden, dat hij vrede met God gevonden heeft. Dat waren in vroegere jaren de gevolgen van tijden van godsdienstige opwekkingen. Oordelende naar hun vruchten moest men bekennen, dat ze door God gezegend werden tot redding van zielen en opheffing van de mensheid.

Maar vele van de opwekkingen van de laatste tijd zijn opvallend verschillend geweest van die openbaringen van de Goddelike genade, welke in vroegere tijden op de arbeid van Gods dienstknechten volgden. Het is waar, dat er een algemene belangstelling wordt opgewekt, dat velen belijden, bekeerd te zijn, en dat er een groot aantal aan de kerken wordt toegevoegd; maar desniettegenstaande geven de uitkomsten niet het recht om te geloven, dat er een daarmede overeenkomstige toename van waarachtig geestelik leven is. Het licht, dat voor een tijd schijnt, dooft spoedig uit, en laat dichter duisternis achter dan tevoren.

Algemene opwekkingen worden maar al te dikwels teweeggebracht door een beroep op de verbeelding, door het gevoel te prikkelen, door de liefde voor wat nieuws en trefr fends te bevredigen. Bekeerlingen, die op deze wijze toegebracht worden, hebben weinig lust om naar de waarheid van de Bijbel te luisteren, stellen weinig belang in het getuigenis van profeten en apostelen. Een godsdienstige bijeenkomst trekt hen niet aan, tenzij die een enigszins opwindend karakter draagt. Een boodschap, die tot het kalme verstand spreekt, vindt geen weerklank. Er wordt geen acht geslagen op de eenvoudige waarschuwingen van Gods Woord, die direkt betrekking hebben op hun eeuwige belangen.

Voor iedere waarlik bekeerde ziel moet de betrekking tot God en tot de dingen, die de eeuwigheid aangaan, het grote onderwerp van het leven uitmaken. Maar waar is de geest van toewijding aan God in de volkskerken van deze tijd? De bekeerlingen verzaken hun trots en hun liefde tot de wereld niet. Ze zijn niet gewilliger om zichzelven te ver-loochenen, om het kruis op te nemen, en de zachtmoedige en nederige Jezus te volgen, dan voordat ze bekeerd waren. Ongelovigen en twijfelaars vermaken zich over de godsdienst, omdat zo velen, die godsdienstig heten, de grondbeginselen ervan niet kennen. De kracht van de godzaligheid is bijna geheel en al uit vele kerken verdwenen. Buitenpartijen, toneelvoorstellingen ten behoeve van de kerk, kerkbazaars, prachtige huizen, persoonlike opschik hebben de gedachten aan God verdreven. Landen en goederen en wereldse bezigheden vervullen het hart, en wat betrekking heeft op de belangen van de eeuwigheid, wordt ternauwernood in het voorbijgaan opgemerkt.

Er zijn ware volgelingen van Christus in deze kerken, niettegenstaande het algemene verval van geloof en godsvrucht. Vor de laatste bezoeking van Gods oordelen over de aarde, zal er onder het volk des Heren zulk een opwekking van eenvoudige godzaligheid zijn, als er sedert de tijd van de apostelen niet gezien is. De Geest en de kracht Gods zullen over Zijn kinderen uitgestort worden. Alsdan zullen velen zich losmaken van die kerken, waarin de liefde tot deze wereld de plaats heeft ingenomen van de liefde tot God en Zijn Woord. Velen, zowel leraren als leken, zullen met blijdschap de grote waarheden aannemen, welke God in deze tijd heeft laten verkondigen, om een volk toe te bereiden voor de wederkomst des Heren. De vijand van zielen wenst dit werk te verhinderen; en voordat de tijd voor zulk een beweging zal aanbreken, zal hij trachten om die te voorkomen door iets anders in te voeren, dat erop gelijkt. In die kerken, welke hij onder zijn bedriegelike macht kan brengen, zal hij het doen voorkomen, alsof Gods biezondere zegen uitgestort is; er zal iets geopenbaard worden, dat voor grote godsdienstige belangstelling gehouden wordt. Scharen zullen er zich over verheugen, dat God wonderdadig voor hen werkt, terwijl het een werk van een andere geest is. Onder een godsdienstige dekmantel zal Satan trachten, zijn invloed over de Christelike wereld uit te breiden.

Bij vele van de opwekkingen, welke gedurende de laatste vijftig jaren hebben plaats gehad, zijn in grotere of kleinere mate dezelfde invloeden aan het werk geweest, die zich in de meer uitgebreide bewegingen van de toekomst zullen openbaren. Er is een bewegelike opwinding van de gemoederen, een vermenging van het ware met het valse, die zeer geschikt is om te misleiden. Toch behoeft niemand bedrogen te worden. Het is bij het licht van Gods woord niet moeilik om de aard van die bewegingen te onderscheiden. Wanneer de mensen de uitspraken van de Bijbel minachten, en zich afkeren van die eenvoudige waarheden, welke de ziel op de proef stellen, en zelfverloochening en ontzegging van de wereld eisen, dan kunnen we er zeker van zijn, dat Gods zegen niet uitgestort is. En uit de regel, welke Christus zelf gegeven heeft: “Aan hun vruchten zult ge hen kennen,“ blijkt het, dat deze bewegingen niet het werk zijn van Gods Geest.

In de waarheden van Zijn woord heeft God aan de mensen een openbaring van Zichzelf geschonken; en voor allen, die ze aannemen, zijn ze een schild tegen de verleidingen van de Satan. Het is de verwaarlozing van die waarheden, welke de deur geopend heeft voor het kwaad, dat nu zo algemeen wordt in de godsdienstige wereld. Voor een groot deel heeft men’ de aard en de belangrijkheid van Gods wet uit het oog verloren. Een verkeerd begrip van het karakter, de bestendigheid en de verplichting van de Goddelike wet heeft tot dwalingen geleid aangaande bekering en heiligmaking, en heeft als gevolg daarvan de standaard van vroomheid in de kerk verlaagd. Hierin ligt het geheim van het gemis van de Geest en de Kracht Gods in de opwekkingen van onze tijd.

Er zijn in de verschillende kerkgenootschappen mannen, uitblinkende door hun vroomheid, door wie dit feit erkend en betreurd wordt. Prof. Edwards A. Park zegt terecht bij het beschrijven van de hedendaagse godsdienstige gevaren: “Eén bron van gevaar is het verzuim van de kansel om de Goddelike wet als verplichtend voor te stellen. In vroegere tijden was het woord van de kansel een weerklank van de stem van het geweten. . . . Onze beroemdste predikers zetten aan hun prediking een wondervolle majesteit bij door het voorbeeld van de Meester te volgen, en de wet met zijn voorschriften en bedreigingen op de voorgrond te plaatsen. Ze bespraken de twee grote grondregels, dat de wet een afschrift is van de Goddelike volmaaktheid, en dat iemand, die de wet niet liefheeft, het evangelie niet liefheeft; want de wet zowel als het evangelie is een spiegel, die het ware karakter Gods weerkaatst. Dit gevaar leidt tot een ander, namelik het kwaad van de zonde, en de omvang en de verdienste ervan, gering te schatten. Naarmate het gebod rechtvaardig is, naar die mate is het onrecht van er niet aan te gehoorzamen groot.”. . .

“Nauw verbonden aan de gevaren, die reeds genoemd zijn, is het gevaar van de rechtvaardigheid Gods gering te schatten. De strekking van de hedendaagse kansel is, de Goddelike rechtvaardigheid uit de Goddelike barmhartigheid uit te ziften, en barmhartigheid meer tot een gevoelen te verlagen dan tot een grondbeginsel te verhogen. Het nieuwe theologiese prisma scheidt wat God samengevoegd heeft. Is de Goddelike wet goed of kwaad? Hij is goed. Dan is rechtvaardigheid goed; want dat is een neiging om de wet uit te voeren. Door de gewoonte van de Goddelike wet en rechtvaardigheid, de omvang en het kwaad van menselike ongehoorzaamheid niet naar waarde te schatten, vervalt men allicht in de gewoonte van de genade, die verzoening voor de zonde heeft aangebracht, evenmin op prijs te stellen.” Aldus verliest het evangelie zijn waarde en belangrijkheid in het oog van de mensen, en spoedig staan ze klaar om de Bijbel zelf zo goed als op zijde te zetten.

Veel predikanten beweren, dat Christus door Zijn bloed de wet heeft te niet gedaan, en dat de mens nu vrij is van de vereisten ervan. Er zijn sommigen, die hem voorstellen als een pijnlik juk, en die als tegenstelling van de dwang van de wet de vrijheid prediken, welke men genieten kan onder het evangelie.

Doch aldus beschouwden de profeten en apostelen de heilige wet niet. David sprak: “Ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.” De apostel Jakobus, die na de dood van Christus schreef, verwijst naar de tien geboden als zijnde “de koninklike wet,” en “de volmaakte wet, die der vrijheid is.” En de Ziener van Patmos spreekt een halve eeuw na de kruisiging een zegen uit over hen, “die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan de boom des levens, en ze door de poorten mogen ingaan in de stad.”

De bewering, dat Christus door Zijn dood de wet van Zijn Vader heeft te niet gedaan, is ongegrond. Was het mogelik geweest, de wet te veranderen, of op zijde te stellen, dan had Christus niet behoeven te sterven om de mens te redden van de straf op de zonde. Verre van de wet te niet te doen, bewijst de dood van Christus, dat hij onveranderlik is. Gods Zoon kwam om “de wet groot te maken, en heerlik.” Hij zei: “Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet te ontbinden,” “totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota, noch één tittel van de wet voorbijgaan.” En wat Hemzelf aangaat, sprak Hij: “Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen, en Uw wet is in het midden van mijn ingewand.”

Gods wet is onveranderlik volgens de aard ervan. Hij is een openbaring van de wil en het karakter van zijn Maker. Gods is liefde, en Zijn wet is liefde. De twee grote grondbeginselen erin zijn liefde tot God en liefde tot de mens. “De liefde is de vervulling van de wet.” Gods karakter is gerechtigheid en waarheid; dat is de aard van Zijn wet. De psalmist zegt: “Uw wet is de waarheid;” “al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.” En de apostel Paulus verklaart: “De wet is heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.” Zulk een wet moet even onvergankelik zijn als Die hem gegeven heeft, daar hij een uitdrukking is van het hart en de wil van God.

Het is het werk van de bekering en heiligmaking om de mensen met God te verzoenen door hen in overeenstemming met de grondbeginselen van Zijn wet te brengen. In den beginne werd de mens naar Gods beeld geschapen. Hij bevond zich in volkomen overeenstemming met de natuur en de wet Gods; de grondbeginselen van de gerechtigheid waren in zijn hart geschreven. Doch de zonde vervreemdde hem van Zijn Maker. Hij weerkaatste het Goddelik beeld niet langer. Zijn hart geraakte in strijd met de beginselen van Gods wet. “Het bedenken van het vlees is vijandschap tegen God; want het onderwerpt zich aan de wet Gods niet; want het kan ook niet.” Maar “alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,” opdat de mens met God verzoend zou kunnen worden. Door de verdiensten van Christus kan hij weder in overeenstemming met Zijn Maker worden gebracht. Zijn hart moet vernieuwd worden door Goddelike genade, hij moet een nieuw leven van Boven ontvangeh. Die verandering is de wedergeboorte, zonder welke hij, gelijk Jezus zegt, “het koninkrijk Gods niet zien kan.”

De eerste stap tot verzoening met God is de overtuiging van zonde. “De zonde is de ongerechtigheid.” “Door de wet is de kennis van de zonde.” Om zijn schuld in te zien, moet de zondaar zijn karakter toetsen aan Gods grote standaard van gerechtigheid. Dat is een spiegel, die de volmaaktheid van een rechtvaardig karakter aantoont, en hem in staat stelt om de gebreken in zijn eigen karakter te onderkennen.

De wet openbaart aan de mens zijn zonden, maar geeft geen geneesmiddel aan de hand. Terwijl hij aan de gehoorzame het leven belooft, verklaart hij, dat het deel van de overtreder de dood is. Alleen het evangelie van Christus kan de

mens vrijstellen van de veroordeling of de bezoedeling van de zonde. Hij moet berouw hebben voor God, Wiens wet overtreden is, en geloof in Christus, zijn zoenoffer. Aldus verkrijgt hij “vergeving van zijn vorige zonden,” en erlangt deel aan de Goddelike natuur. Hij is een kind van God, de geest van de aanneming tot kinderen ontvangen hebbende, waardoor hij roept: “Abba, Vader!”

Staat het hem nu vrij om Gods wet te overtreden? Paulus zegt: “Doen we dan de wet teniet door het geloof? dat zij verre; maar we bevestigen de wet.” “Wij, die aan de zonde gestorven zijn, hoe zullen wij er nog in leven?” En Johannes zegt: “Want dit is de liefde Gods, dat we Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.” Door de wedergeboorte komt het hart tot eenswillendheid met God, evenals het tot overeenstemming met Zijn wet gebracht wordt. Wanneer deze grote verandering heeft plaats gegrepen in de zondaar, dan is hij van de dood tot het leven overgegaan, van zonde tot heiligheid, van overtreding en opstand tot gehoorzaamheid en getrouwheid. Het oude leven van vervreemding van God is geëindigd; het nieuwe leven van verzoening, van geloof en liefde is begonnen. Dan zal “het recht van de wet vervuld worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.” En de taal van de ziel zal zijn: “Hoe lief heb ik Uw wet! hij is mijn betrachting de ganse dag.”

“De wet des Heren is volmaakt, bekerende de ziel.” Zonder de wet hebben de mensen geen juist begrip van de reinheid en heiligheid van God, of van hun eigen schuld en onreinheid. Ze zijn niet waarlik van zonde overtuigd, en gevoelen geen behoefte aan berouw. Daar ze hun verloren toestand als overtreders van Gods wet niet inzien, beseffen ze hun behoefte niet aan het verzoenend bloed van Christus. De hoop op zaligheid wordt aangenomen zonder dat er een algemene verandering van het hart of een hervorming van het leven plaats heeft. Op deze wijze zijn er oppervlakkige bekeringen in overvloed, en scharen voegen zich bij de kerk, die nimmer met Christus verbonden zijn geworden.

Valse theorieën over heiligmaking, die door verwaarlozing of verwerping van de Goddelike wet ontstaan, nemen almede een voorname plaats in, in de godsdienstige bewegingen van deze tijd. Deze theorieën zijn vals in de leer, en gevaarlik in praktiese gevolgen; en het feit, dat ze zo algemeen in de gunst vallen, maakt het dubbel noodzakelik, dat allen een helder begrip hebben van hetgeen de Schrift aangaande dit punt leert.

Ware heiligmaking is een bijbelse leerstelling. De apostel Paulus zegt in zijn brief aan de kerk van de Thessalonicensen: “Dit is de wil van God, uw heiligmaking.” En hij bidt: “De God des vredes zelf heilige u geheel en al.” De Bijbel leert duidelik, wat heiligmaking is, en hoe die verkregen moet worden. De Heiland bad voor Zijn discipelen: “Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.” En Paulus leert, dat gelovigen “geheiligd door de Heilige Geest” moeten zijn. Wat is het werk van de Heilige Geest? Jezus sprak tot Zijn discipelen: “Maar wanneer die zal gekomen zijn, namelik de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden.” En de Psalmist zegt: “Uw wet is de waarheid.” Door het Woord en de Geest Gods worden de grote grondbeginselen van de gerechtigheid aan de mensen geopenbaard, die in Zijn wet besloten liggen. En daar de wet Gods “heilig, en rechtvaardig, en goed” is, een afschrift van de Goddelike volmaaktheid, volgt hieruit, dat een karakter, hetwelk gevormd wordt door gehoorzaamheid aan die wet, ook heilig zijn moet. Christus is een volmaakt voorbeeld van zulk een karakter. Hij zegt: “Ik heb de geboden van Mijn Vader bewaard.” “Ik doe altijd, wat Hem welbehagelik is. “ De volgelingen van Christus moeten Hem gelijk worden,— om door de genade Gods karakters te vormen, die in overeenstemming zijn met de grondbeginselen van Zijn heilige wet. Dit is heiligmaking volgens de Bijbel.

Dit werk kan slechts door het geloof in Christus, door de kracht van de inwonende Geest Gods geschieden. Paulus vermaant de gelovigen: “Werkt uw eigen zaligheid met vreze en beven. Want het is God, die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.” De Christen zal de drang van de zonde voelen, maar zal er voortdurend tegen strijden. Het is hier, waar de hulp van Christus nodig is. Menselike zwakheid wordt met Goddelike kracht verbonden, en het geloof roept uit: “Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus.”

De Schrift toont duidelik aan, dat het werk van de heiligmaking voortstrevend is. Wanneer de zondaar uit kracht van zijn bekering vrede met God vindt door het bloed van de verzoening, dan is het Christelike leven pas begonnen. Hij moet nu “tot de volmaaktheid voortvaren;” om op te wassen “tot de mate van de grootte van de volheid van Christus.” De apostel Paulus zegt: “Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen vor is, jaag ik naar het wit, tot de prijs van de roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.” En Petrus stelt ons de trappen voor, langs welke de heiligmaking van de Bijbel verkregen kan worden: “En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd; en bij de deugd kennis; en bij de kennis matigheid; en bij de matigheid lijdzaamheid; en bij de lijdzaamheid godzaligheid; en bij de godzaligheid broederlike liefde, en bij de broederlike liefde liefde jegens allen . . . want dat doende zult ge nimmermeer struikelen.”

Wie de heiligmaking van de Bijbel bij ondervinding hebben, zullen een geest van ootmoedigheid openbaren. Gelijk Mozes hebben ze iets aanschouwd van de ontzettende majesteit der heiligheid, en zien hun eigen onwaardigheid in tegenstelling van de reinheid en de verheven volmaaktheid van de Oneindige.

De profeet Daniël was een voorbeeld van ware heiliging. Zijn lange leven was een eervol dienen van Zijn Meester. Hij was “een zeer gewenste man” in de hemel. Toch vereenzelvigde deze geëerde profeet zich met de wezenlik zondigen in Israël, in plaats van er zich op te laten voorstaan, dat hij rein en heilig was, toen hij ten behoeve van zijn volk vor God pleitte: “Wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.” “We hebben gezondigd, we zijn goddeloos geweest.” Hij zegt: “Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde van mijn volk.” En toen Gods Zoon later verscheen om hem te onderrichten, zegt Daniël: “Mijn sierlikheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield.”

Toen Job de stem des Heren hoorde in de wervelwind, riep hij uit: “Daarom verfoei ik mij, en heb berouw in stof en as.” Het was toen Jesaja de heerlikheid des Heren zag, en de serafs hoorde roepen: “Heilig, heilig, heilig is de Heer der heirscharen,” dat hij uitriep: “Wee mij, want ik verga.” Paulus spreekt van zichzelf, nadat hij opgetrokken geweest was in de derde hemel, en onuitsprekelike woorden gehoord had, die het een mens niet geoorloofd is te spreken, als “de allerminste van al de heiligen.” Het was de geliefde Johannes, die aan Jezus’ boezem rustte, en Zijn heerlikheid aanschouwde, die voor dood nederviel aan de voeten van de engel.

Er kan geen zelfverheffing, geen pochend aanspraak maken op zondeloosheid zijn aan de zijde van hen, die in de schaduw van het kruis van Golgotha wandelen. Ze gevoelen, dat hun zonde de oorzaak is geweest van de doodsangst, die het hart van de Zoon van God heeft gebroken; en die gedachte zal hen tot zelfvernedering leiden. Zij, die het dichtst bij Jezus leven, beseffen het levendigst de zwakheid en zondigheid van het mensdom, en hun enige hoop ligt in de verdienste van een gekruiste en verrezen Heiland.

De heiliging, welke tans in de godsdienstige wereld op de voorgrond treedt, voert een geest van zelfverheffing met zich, en een geringschatting van Gods wet, die hem kenmerken als vreemd aan de godsdienst van de Bijbel. De voorstanders hiervan leren, dat de heiligmaking het werk van een ogenblik is, waardoor zij, door het geloof alleen, tot volkomen heiligheid geraken. “Geloof slechts,” zeggen ze, “en de zegen is uw.” Er wordt verondersteld, dat er geen verdere pogingen van de kant van degene, die hem ontvangt, vereist worden. Tegelijkertijd ontkennen ze het gezag van Gods wet en voeren aan, dat ze van de verplichting ontheven zijn van de geboden te moeten onderhouden. Maar is het iemand mogelik, heilig te zijn in overeenstemming met de wil en het karakter Gods, zonder eenswillend met Hem te zijn aangaande die beginselen, welke een uitdrukking zijn van Zijn natuur en wil, en aantonen, wat Hem welbehagelik is?

Het verlangen naar een gemakkelike godsdienst, die geen strijd, geen zelfverloochening, geen scheiding van de dwaas-heden van de wereld noodzakelik maakt, heeft de leer van het geloof, en het geloof alleen, populair gemaakt; maar wat zegt Gods woord? De apostel Jakobus spreekt: “Wat nut-tigheid is het, mijn broeders! indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? kan dat geloof hem zalig maken? . . . Maar wilt gij weten, o ijdel mens! dat het geloof zonder de werken dood is? Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar? Ziet ge wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken? . . . Ziet ge dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleen uit het geloof?”

De uitspraken van Gods woord weerspreken deze misleidende leerstelling van geloof zonder werken. Wat aanspraak maakt op de gunst des Hemels, zonder te voldoen aan de voorwaarden, waarop genade bewezen wordt, dat is geen geloof; het is aanmatiging; want het ware geloof heeft zijn fondament in de beloften en voorzieningen van de Schrift.

Laat niemand zich bedriegen door te geloven, dat hij heilig worden kan, terwijl hij eigenwillig een van de dingen overtreedt, die God van hem eist. Het doen van een bekende zonde legt de getuigende stem van de Geest het zwijgen op, en scheidt de ziel van God. “De zonde is de ongerechtigheid (is wetsovertreding).” En “een iegelik, die zondigt (die de wet overtreedt), die heeft Hem niet gezien, en heeft Hem niet gekend.” Ofschoon Johannes in zijn brieven zoveel over de liefde zegt, aarzelt hij toch niet om het ware karakter te openbaren van die klasse van mensen, welke beweert geheiligd te zijn, terwijl ze in overtreding van Gods wet leven. “Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in die is de waarheid niet; maar zo wie Zijn woord bewaart, in die is waarlik de liefde Gods volmaakt geworden.” Hier is de toetssteen van iedere belijdenis. We kunnen niemand heiligheid toezeggen zonder hem in aanraking te brengen met de enige standaard van heiligheid, welke God in hemel en op aarde heeft. Indien de mensen het gewicht van de zedewet niet gevoelen, indien ze iets van Gods voorschriften afdoen en die licht opnemen, indien ze één van deze minste geboden zullen breken, en de mensen alzo zullen leren, zo zullen ze in het oog des Hemels niet geacht worden, en we kunnen er ons van overtuigd houden, dat hun beweringen zonder grond zijn.

En te zeggen, dat men zonder zonde is, is op zichzelf al een bewijs, dat hij, die zulks beweert, verre van heilig is. Het is omdat hij geen waar begrip heeft van de oneindige reinheid en heiligheid Gods, of van wat zij, die in overeenstemming met Zijn karakter wensen te komen, moeten worden ; omdat hij geen waar begrip heeft van de reinheid en de verheven liefelikheid van Jezus, en van de boosheid en het kwaad van de zonde, dat de mens zichzelf als heilig kan beschouwen. Hoe groter de afstand tussen hem en Christus is, en hoe gebrekkiger zijn opvatting van het Goddelik karakter en de vereisten daarvan zijn, des te rechtvaardiger schijnt hij in zijn eigen ogen.

De heiligmaking, die in de Schrift aan het licht wordt gebracht, omvat het gehele wezen,— geest, ziel, en lichaam. Paulus bad voor de Thessalonicensen, dat hun “gehele geest, en ziel, en lichaam onberispelik bewaard mocht worden in de toekomst (tot de wederkomst) van onze Heer Jezus Christus.” Dan weder schrijft hij aan de gelovigen: “Ik bid u dan, broeders! door de ontfermingen Gods, dat ge uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelike offerande.” Ten tijde van het oude Israël werd iedere gave, die Gode ten offer gebracht werd, zorgvuldig onderzocht. Indien er één gebrek werd ontdekt aan het dier, dat aangeboden werd, zo werd het geweigerd; want God had bevolen, dat de gave “volkomen” moest zijn. Zo ook wordt er van de Christenen verlangd, dat ze hun lichamen zullen stellen “tot een levende, heilige en Gode welbehagelike offerande.” Ten einde dit te kunnen doen, moeten al hun vermogens zo goed mogelik in orde gehouden worden. Iedere gewoonte, die de lichaams- of geesteskracht verzwakt, maakt de mens ongeschikt voor de dienst van Zijn Schepper. En zal God genoegen nemen met iets minder dan het beste, dat we Hem kunnen aanbieden? Christus zegt: “Gij zult liefhebben de Heer, uw God, met geheel uw hart.” Diegenen, welke God met hun gehele hart liefhebben, zullen er naar verlangen, Hem met hun leven op de best mogelike wijze te dienen, en voortdurend trachten om alle krachten van hun bestaan in overeenstemming te brengen met de voorschriften, die hun geschiktheid om Zijn wil te doen zullen verhogen. Ze zullen de gave, die ze hun hemelse Vader aanbieden, niet verzwakken of verontreinigen door toe te geven aan lust of hartstocht.

Petrus zegt: “Onthoudt u van de vleselike begeerlikheden, welke krijg voeren tegen de ziel.” Iedere zondige bevrediging leidt ertoe om de vermogens te verdoven, en het zedelik en geestelik gevoel te doden, zodat het woord of de Geest van God slechts weinig indruk kan maken op het hart. Paulus schrijft aan de Korinthiërs: “Laat ons onszelven reinigen van alle besmetting van het vlees en van de geest, voleindigende de heiligmaking in de vrese Gods.” En onder de vruchten van de Geest,—“liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid,“— rekent hij “matigheid.”

Hoevelen van hen, die voorgeven Christenen te zijn, verzwakken, niettegenstaande deze verklaringen van de Heilige Geest, hun vermogens door winstbejag of mode-aanbidding; hoe velen verlagen hun naar Gods beeld geschapen lichaam door gulzigheid, sterke drank, of verboden genoegens! En de kerk, in plaats van het kwade te bestraffen, bevordert het maar al te dikwels door eetlust, verlangen naar winst, of de lust tot genot aan te moedigen, ten einde zijn schatkist te vullen, waar de liefde tot Christus te flauw is om in het nodige te voorzien. Indien Jezus de kerken van deze tijd zou binnenkomen, en het feestvieren en de onheilige handel aanschouwen, die daar in de naam van de godsdienst plaats vinden, zou Hij de heiligschenders niet evenzo uitdrijven, gelijk Hij de geldwisselaars uit de tempel dreef?

De apostel Jakobus verklaart, dat de wijsheid, die van boven is, “ten eerste zuiver” is. Indien hij diegenen ont-moet had, welke de dierbare naam van Jezus nemen op lippen, door tabak verontreinigd, wier adem en lichaam besmet zijn met de walgelike reuk ervan, die de lucht van de hemel verontreinigen, en allen in hun nabijheid noodzaken om het gift in te ademen,— indien de apostel te doen had gehad met een gebruik, dat zozeer in tegenstelling is met de reinheid van het evangelie, zou hij het niet als iets “aards, natuurliks, duivels” bestraft hebben? Slaven van de tabak, aanspraak makende op de zegen van volkomen heiligmaking, spreken van hun hoop op de hemel; maar Gods woord zegt duidelik: “Daarin zal niet inkomen iets, dat ontreinigt.” “Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u is, die gij van God hebt, en dat ge uws zelfs niet zijt (uzelven niet toebehoort)? Want ge zijt duur gekocht; zo verheerlikt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.” Hij, wiens lichaam de tempel is van de Heilige Geest, kan niet verslaafd zijn aan een verderfelike gewoonte. Zijn vermogens behoren Christus toe, die hem gekocht heeft met de prijs van bloed. Zijn bezitting is des Heren. Hoe zou hij zonder schuld kunnen zijn, terwijl hij dit aan hem toevertrouwde kapitaal verkwist? Belijdende Christenen geven jaarliks een ontzaglike som uit voor nutteloze en schadelike overdaad, terwijl er zielen verloren gaan, omdat ze het woord des levens niet kennen. God wordt beroofd van de tienden en het hefoffer, terwijl zij op het altaar van de verdervende wellust meer verteren, dan ze geven om de armen te helpen, of het evangelie te ondersteunen. Indien allen, die voorgeven, volgelingen van Christus te zijn, waarlik geheiligd waren, zouden hun middelen, in plaats van voor nutteloze en zelfs schadelike overdaad gebruikt te worden, in de schatkist des Heren worden gestort, en zouden de Christenen een voorbeeld van matigheid, zelfverloochening en zelfopoffering stellen. Dan zouden ze het licht van de wereld zijn.

De wereld heeft zich overgegeven aan zelfbevrediging. “De begeerlikheid van het vlees, en de begeerlikheid van de ogen, en de grootsheid van het leven,” beheersen de menigten der mensekinderen. Maar de volgelingen van Christus hebben een heiliger roeping. “Gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heer, en raakt niet aan hetgeen onrein is.” In het licht van Gods woord zijn we gerechtigd te zeggen, dat die heiligmaking niet echt kan zijn, welke geen volkomen afstand laat doen van het zondige najagen van werelds genot en bevrediging.

Tot hen, die voldoen aan de voorwaarden: “Gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, ... en raakt niet aan hetgeen onrein is,” komt Gods belofte: “Ik zal ulieden aannemen, en Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heer, de Almachtige.”

Het is het voorrecht en de plicht van iedere Christen om een rijke en volle ondervinding te hebben in de dingen Gods. “Ik ben het licht van de wereld,” zegt Jezus. “Die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.” “Het pad van de rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en schijnende tot de volle dag toe.” Iedere stap van geloof en gehoorzaamheid brengt de ziel in nauwere gemeenschap met het Licht van de wereld, waarin “gans geen duisternis is.” De heldere stralen van de Zon der gerechtigheid schijnen af op de dienstknechten Gods, en ze moeten zijn licht weerkaatsen. Evenals de sterren ons zeggen, dat er een groot licht in de hemel is, door welks heerlikheid ze schijnen, evenzo moeten Christenen tonen, dat er een God op de troon van het heelal zit, Wiens karakter lof en navolging waardig is. De genadegaven van Zijn Geest, de reinheid en heiligheid van Zijn karakter, zullen in Zijn getuigen geopenbaard worden.

Paulus toont in zijn brief aan de Kolossensen de rijke zegeningen aan, die aan de kinderen Gods worden geschonken. Hij zegt: Wij “houden niet op voor u te bidden en te begeren, dat ge moogt vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelik verstand; opdat ge moogt wandelen waardiglik de Heer, tot alle behagelikheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God; met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte van Zijn heerlikheid, tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap.”

Dan weder schrijft hij over zijn verlangen, dat de broederen te Efeze het verhevene van het voorrecht van een Christen zullen verstaan. Hij legt in veelomvattende bewoordingen de wonderlike macht en kennis voor hen open, die ze zouden kunnen bezitten als zonen en dochteren van de Allerhoogste. Het was hun mogelik om “versterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens,” om “in de liefde geworteld en gegrond” te worden, om “met al de heiligen te begrijpen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, en te bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat.” Maar de bede van de apostel reikt tot het allerhoogste voorrecht, wanneer hij bidt: Opdat “ge vervuld wordt tot al de volheid Gods.”

Hier openbaart zich de hoogte, waartoe we kunnen geraken door geloof in de beloften van onze hemelse Vader, wanneer we doen, hetgeen Hij van ons verlangt. Door de verdiensten van Christus hebben we toegang tot de troon van de Oneindige Macht. “Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?” De Vader gaf Zijn Geest aan Zijn Zoon zonder mate, en wij mogen insgelijks deel hebben aan de volheid ervan. Jezus zegt: “Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan degenen, die Hem bidden?” “Zo ge iets begeren zult in Mijn naam, Ik zal het doen.” “Bidt, en ge zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.”

Terwijl het leven van de Christen gekenmerkt zal zijn door ootmoedigheid, behoort het geen droefheid en zelfverachting te openbaren. Het is het voorrecht van elkeen, z— te leven, dat hij Gods goedkeuring kan wegdragen en door Hem gezegend worden. Het is de wil niet van onze hemelse Vader, dat wij ooit onder veroordeling of in duisternis zouden verkeren. Het is geen bewijs van ware nederigheid, dat we het hoofd laten hangen en het hart vol hebben van gedachten over onszelven. We mogen tot Jezus gaan en gereinigd worden, en ons zonder schaamte en verwijt tegenover de wet stellen. “Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.”

Door Jezus worden de gevallen zonen van Adam “zonen Gods.” “Want èn hij, die heiligt, èn zij, die beheiligd worden, zijn allen uit één, om welke oorzaak Hij zich niet schaamt hen broeders te noemen.” Het leven van een Christen behoort een leven van geloof, en overwinning, en vreugde in God te zijn. “Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelik ons geloof.” In waarheid sprak Gods

dienstknecht Nehemia: “De blijdschap des Heren, die is uw sterkte.” En Paulus zegt: “Verblijdt u in de Heer te allen tijd; wederom zeg ik u, verblijdt u.” “Verblijdt u.te allen tijd. Bidt zonder ophouden. Dankt God in alles; want dit is de wil van God in Christus Jezus over u.”

Zodanige zijn de vruchten van de bekering en heiligmaking van de Bijbel; en het is, omdat de grote beginselen van gerechtigheid, door Gods wet aan het licht gebracht, door de Christelike wereld met zoveel onverschilligheid beschouwd worden, dat men deze vruchten zo zelden ziet. Dit is de reden, waarom er zich zo weinig toont van dat diepe en blijvende werk van de Geest Gods, waardoor opwekkingen in vroegere jaren zich kenmerkten.

Het is door te aanschouwen, dat we veranderd worden. En terwijl de heilige voorschriften, waarin God de volmaaktheid en heiligheid van Zijn karakter voor de mensen heeft blootgelegd, worden verwaarloosd, en het verstand van de mensen wordt aangetrokken door de leer en de theorieën van mensen, is het dan wel te verwonderen, dat het gevolg daarvan een afnemen van de levende vroomheid in de kerk geweest is? De Heer zegt: “Mij, de sprinkader van het levende water, hebben ze verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.”

“Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen . . . maar zijn lust is in des Heren wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht. Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.” Het is alleen dan, wanneer Gods wet hersteld wordt tot de plaats, die hem toekomt, dat er een herlevendiging zijn kan van het eenvoudige geloof en de godzaligheid onder het volk, dat Hem belijdt. “Zo zegt de Heer: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin, zo zult ge rust vinden voor uw ziel.”