28. Het Onderzoekend Oordeel

“Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol; Zijn troon was als vuurvonken, de raderen ervan een brandend vuur; een vurige rivier vloeide, en ging vor Hem uit; duizendmaal duizenden dienden Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.”

Aldus werd voor het oog van de profeet geopenbaard die grote en plechtige dag, waarop de karakters en het leven van de mensen voor de Hechter van de gehele aarde zouden opengelegd worden, en iedereen zou ontvangen “naar zijn werken.” De Oude van dagen is God de Vader. De psalmist zegt: “Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.” Hij, de bron van alle leven, en oorsprong van alle wet, Hij is het, Die bij het oordeel voorzitten zal. En heilige engelen, “tienduizend maal tienduizenden, en duizendmaal duizenden” wonen als dienaren en getuigen deze grote gerechtszitting bij.

“En ziet, er kwam Eén met de wolken des hemels, als eens mensen Zoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en ze deden Hem voor Dezelve naderen. En Hem werd gegeven heerschappij, en eer en het koninkrijk; dat Hem alle volken, natieën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn koninkrijk zal niet verdorven worden.” De komst van Christus, die hier beschreven wordt, is niet Zijn wederkomst naar de aarde. Hij komt tot de Oude van dagen in de hemel om te ontvangen heerschappij, en eer, en een koninkrijk, hetwelk Hem bij het einde van Zijn werk als Middelaar gegeven zal worden. Het is dit komen, en niet Zijn wederkomst naar de aarde, dat in de profetieën voorzegd is als plaats grijpende aan het eind van de 2300 dagen, in 1844. Vergezeld van heilige engelen treedt onze grote Hogepriester het heilige der heiligen binnen, en verschijnt daar in de tegenwoordigheid van God, om het laatste te doen, dat Hem nog te doen staat in Zijn bediening ten behoeve van de mens, — om het werk van het onderzoekend oordeel op Zich te nemen, en verzoening te doen voor allen, van wie bewezen wordt, dat ze recht hebben op de voorrechten ervan.

In de typiese eredienst namen slechts diegenen aan de plechtigheden van de grote verzoendag deel, die met belijdenis van zonden en boetedoening voor God waren getreden, en wier zonden door het bloed van het zoenoffer op het heiligdom waren overgedragen. Zo ook zullen in de grote dag van de laatste verzoening en het onderzoekend oordeel alleen de gevallen overwogen worden van hen, die tot het volk Gods behoren. Het oordeel over de goddelozen is een afzonderlike en daarvan verschillende zaak, en vindt later plaats. “Het oordeel moet beginnen van het huis Gods; en indien het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn van degenen, die het evangelie van God ongehoorzaam zijn?”

De registers in de hemel, waarin de namen en daden van de mensen staan opgetekend, moeten uitmaken, wat er in het oordeel besloten zal worden. De profeet Daniël zegt: “Het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.” De ziener van Patmos voegt er bij het beschrijven van dezelfde gebeurtenis aan toe: “En een ander boek werd geopend, dat des levens is, en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.”

Het boek des levens bevat de namen van al degenen, die zich ooit aan de dienst van God verbonden hebben. Jezus sprak tot Zijn discipelen: “Verblijdt u, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.” Paulus spreekt van zijn getrouwe medearbeiders, “welker namen zijn in het boek des levens.” Daniël, “een tijd der benauwdheid, als er niet geweest is,” overziende, zegt, dat Gods volk verlost zal worden, “al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.” En de schrijver van de Openbaring zegt, dat alleen diegenen in de stad Gods zullen inkomen, wier namen “geschreven zijn in het boek des levens van het Lam.”

“Een gedenkboek” wordt vor God gehouden, waarin de goede daden opgetekend worden van-degenen, “die de Heer vrezen, en degenen, die aan Zijn naam gedenken.” Hun woorden van geloof, hun daden van liefde worden in de hemel op het register ingeschreven. Nehemia doelt hierop, wanneer hij zegt: “Gedenk mijner, mijn God, ... en delg mijn weldadigheden niet uit, die ik aan het huis Gods gedaan heb. “ In Gods gedenkboek staat iedere rechtvaardige daad vereeuwigd. Daar is de getrouwe oorkonde van iedere verleiding, waaraan weerstand geboden, ieder kwaad dat overwonnen, ieder woord van teder medelijden dat uitgesproken is. En alles wat opoffering heeft gekost, alle lijden en smart ter wille van Christus ondergaan, staat daar opgetekend. De psalmist zegt: “Gij hebt mijn omzwervingen geteld. Leg mijn tranen in Uw fles; zijn ze niet in Uw register?”

Ook van de zonden van de mensen wordt een register gehouden. “Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed, of hetzij kwaad.” “Van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zullen ze rekenschap geven in de dag van het oor-deel.” De Heiland heeft gezegd: “Want uit uw woorden zult ge gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult ge geoordeeld worden.” De geheime bedoelingen en drijfveren staan geboekt op dat register, dat onfeilbaar is; want God “zal in het licht brengen hetgeen in de duisternis verborgen is, en zal de raadslagen van het hart openbaren.” “Ziet, het is voor Mijn aangezicht geschreven, . . . uw ongerechtigheden en de ongerechtigheden van uw vaderen tegelijk, zegt de Heer. “

Het werk van iedere mens wordt door God nagegaan, en als een daad van trouw of ontrouw aangetekend. Tegenover iedere naam wordt met schrikkelike juistheid ieder verkeerd woord, iedere zelfzuchtige daad, iedere onvervulde plicht, iedere geheime zonde, en ieder listig bedrog geboekt. Van uit de hemel gezonden waarschuwingen of berispingen, waarop geen acht is geslagen, verloren ogenblikken, ongebruikte gelegenheden, de invloed, die ten goede of ten kwade uitgeoefend is, met de zich ver uitstrekkende gevolgen ervan, worden alle opgeschreven door de engel, die het register houdt.

Gods wet is de standaard, waaraan de karakters en het leven van de mensen in het oordeel getoetst zullen worden. De Prediker zegt: “Vreest God, en houdt Zijn geboden, want dit betaamt alle mensen. Want God zal ieder werk in het gericht brengen.” De apostel Jakobus vermaant zijn broederen: “Spreekt alzo, en doet alzo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden.”

Diegenen, welke in het oordeel “waardig geacht” zullen worden, zullen deel hebben in de opstanding van de rechtvaardigen. Jezus heeft gezegd: “Die waardig zullen geacht zijn, die eeuw te verwerven, en de opstanding uit de doden, . . . zijn aan de engelen gelijk; en ze zijn kinderen Gods, dewijl ze kinderen der opstanding zijn.” En wederom zegt Hij: “Die het goede gedaan hebben”, zullen uitgaan “tot de opstanding des levens.” De rechtvaardige doden zullen niet opstaan tot na het oordeel, waarin ze waardig geacht zullen worden om “de opstanding des levens” te verwerven. Vandaar dat ze niet persoonlik tegenwoordig zullen zijn bij de gerechtszitting, waar hetgeen van hen opgetekend staat, onderzocht, en over hun geval beslist zal worden.

Jezus zal verschijnen als hun voorspraak, om ten behoeve van hen voor God te pleiten. “Indien iemand gezondigd heeft, we hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige.” “Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware; maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons.” “Waarom Hij ook volkomenlik kan zaligmaken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.”

Wanneer de registers in het oordeel geopend worden, wordt het leven van allen, die in Jezus geloofd hebben, door God onderzocht. Beginnende met hen, die het eerste op aarde geleefd hebben, draagt onze Voorspraak de gevallen voor van ieder volgend geslacht, en eindigt met de levenden. Iedere naam wordt genoemd, ieder geval nauwkeurig nagegaan. De ene naam wordt aangenomen, de andere verworpen. Zijn er, van wie nog zonden op het register staan, waarover ze geen berouw hebben betoond en die niet vergeven zijn, dan zullen hun namen uit het boek des levens weggedaan worden, en hun goede daden, die opgetekend staan, uit het boek van Gods gedachtenis worden uitgewist. De Heer verklaarde aan Mozes: “Die zou Ik uit Mijn boek delgen, die aan Mij zondigt.” En de profeet Ezechiël zegt: “Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, ... al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden.”

Tegenover de namen van allen, die waarlik berouw hebben gehad over hun zonden, en die in het geloof aanspraak maken op het bloed van Christus als hun zoenoffer, is vergiffenis aangetekend in de boeken des hemels; daar ze deel erlangd hebben aan de gerechtigheid van Christus, en hun karakters in overeenstemming gevonden zijn met de wet Gods, worden hun zonden uitgedelgd, en zijzelven het eeuwige leven waardig geacht. De Heer verklaart bij monde van de profeet Jesaja: “Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg, om mijnentwil, en Ik gedenk aan uw zonden niet.” Jezus sprak: “Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden vor Mijn Vader en vor Zijn engelen.” “Een iegelik dan, die Mij belijden zal vor de mensen, die zal Ik ook belijden vor Mijn Vader, die in de hemelen is. Maar zo wie Mij verloochend zal hebben vor de mensen, die zal Ik ook verloochenen vor Mijn Vader, die in de hemelen is.”

De allergrootste belangstelling, die door de mensen in de uitspraken van aardse rechtbanken betoond wordt, geeft slechts een flauwe voorstelling van de belangstelling, welke in de hemelhoven aan de dag wordt gelegd, wanneer de namen, die in het boek des levens staan opgetekend, opgebracht worden om door de Rechter van de ganse aarde te worden onderzocht. De Goddelike Middelaar pleit, dat de overtredingen van allen, die overwonnen hebben door het geloof in Zijn bloed, zullen worden vergeven, en zij hersteld worden in hun Paradijswoning, en als medeërfgenamen met Hemzelf gekroond tot de “vorige heerschappij.” Satan had in zijn pogen om ons geslacht te bedriegen en te verleiden het Goddelike plan met de schepping van de mens denken te verijdelen; maar Christus vraagt nu, dat dit plan ten uitvoer zal worden gebracht, alsof de mens nooit gevallen was. Hij vraagt voor Zijn volk niet alleen om vergiffenis en vrijspraak, algeheel en vol, maar een aandeel aan Zijn heerlikheid, en een plaats op Zijn troon.

Terwijl Jezus voor de voorwerpen van Zijn genade pleit, beschuldigt Satan hen voor God als overtreders. De grote verleider heeft getracht hen tot twijfel te brengen, hen hun vertrouwen in God te doen verliezen, hen van Zijn liefde te scheiden, en Zijn wet te laten overtreden. Nu wijst hij op hetgeen aangaande hun leven opgetekend staat, op de gebreken in hun karakter, de ongelijkheid aan Christus, die hun Verlosser heeft onteerd, op al de zonden, die ze tengevolge van zijn verleiding bedreven hebben, en maakt om die reden aanspraak op hen als zijn onderdanen.

Jezus verontschuldigt hun zonden niet, maar toont hun berouw en geloof, en, hun vergiffenis eisende, heft Hij Zijn gewonde handen vor de Vader en de heilige engelen op, zeggende: “Ik ken hen bij name. Ik heb hen op de palmen van Mijn handen gegraveerd. ‘De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten.’ “ En tot de beschuldiger van Zijn volk spreekt Hij: “De Heer schelde u, gij Satan! ja, de Heer schelde u, Die Jeruzalem verkiest: is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?” Christus zal zijn getrouwen met Zijn eigen gerechtigheid bekleden, om hen heerlik aan Zijn Vader te kunnen voorstellen als “een gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks. “ Hun namen zijn opgetekend in het boek des levens, en er staat van hen geschreven: “Ze zullen met Mij wandelen in witte klederen, overmits ze het waardig zijn.”

Aldus zal de volkomen vervulling van de belofte in het Nieuwe Verbond verwezenlikt worden: “Ik zal hun onge-rechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken.” “In die dagen en te dier tijd, spreekt de Heer, zal Israels ongerechtigheid gezocht worden, maar zal er niet zijn; en de zonden van Juda, maar ze zullen niet gevonden worden.” “Te dien dage zal des Heren Spruit zijn tot sieraad en tot heerlikheid, en de vrucht van de aarde tot voortreffelikheid en tot versiering van degenen, die het ontkomen zullen in Israël. En het zal geschieden, dat de overgeblevene in Zion, en de overgelatene in Jeruzalem zal heilig geheten worden, een iegelik, die geschreven is ten leven te Jeruzalem.”

Het werk van het onderzoekend oordeel en van het uitdelgen van de zonden moet geëindigd zijn vor de wederkomst van de Heer. Daar de doden geoordeeld moeten worden uit hetgeen in de boeken geschreven staat, is het on- mogelik, dat de zonden van de mensen uitgewist zouden worden voordat het oordeel, waarin hun geval zal worden onderzocht, zal gehouden zijn. Maar de apostel Petrus verklaart beslist, dat de zonden van de gelovigen zullen uitgewist worden, “wanneer de tijden van de verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heren, en Hij gezonden zal hebben Jezus Christus.” Wanneer het onderzoekend oordeel sluit, zal Christus komen, en Zijn loon zal met Hem zijn om een iegelik te geven naar zijn werken.

In de typiese eredienst trad de hogepriester, na verzoening gedaan te hebben, naar buiten, en zegende de vergadering. Zo zal Christus bij het einde van Zijn werk als middelaar verschijnen “zonder zonde tot zaligheid,“ om Zijn volk, dat op Hem wacht, te zegenen met het eeuwige leven. Gelijk de priester bij het wegdoen van de zonden uit het heiligdom ze op het hoofd van de zondebok beleed, evenzo zal Christus al deze zonden leggen op Satan, de bewerker en aanporder tot de zonde. De zondebok werd, met de zonden van Israël beladen, weggezonden naar “een afgezonderd land;” evenzo zal Satan, de schuld dragende van al de zonden, welke hij Gods volk heeft laten begaan, duizend jaren lang gebonden worden op de aarde, welke dan woest en zonder bewoners zal zijn, en zal eindelik de volle straf van de zonde ondergaan in het vuur, dat al de goddelozen verteren zal. Aldus zal het grote plan van de ver-lossing ten slotte zijn vervulling bereiken door uitwissing van de zonde, en verlossing van allen, die gewillig geweest zijn om het kwade vaarwel te zeggen.

Op de tijd, die voor het oordeel was vastgesteld — het einde van de 2300 dagen, in 1844 — is het werk van het onderzoek en het uitdelgen van de zonde begonnen. Al degenen, die ooit de naam van Christus op zich genomen hebben, moeten dat diepgaand onderzoek doorgaan. De levenden zowel als de doden zullen geoordeeld worden “uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.”

Zonden, waarover de mens geen berouw gehad heeft, en die niet afgelegd zijn, zullen niet vergeven, noch uit de registers weggenomen worden, maar zullen blijven staan om in de dag des Heren tegen de zondaar te getuigen. Hij mag zijn slechte daden bij het licht des daags of in de duisternis van de nacht begaan hebben; maar ze zijn openbaar en duidelik geweest vor Hem, met Wie we te doen hebben. Engelen Gods zijn getuigen geweest van iedere zonde, en hebben die in de onfeilbare registers geboekt. De zonde mag bedekt wezen, ontkend worden, of verborgen zijn voor vader, moeder, vrouw, kinderen en vrienden; niemand behalve de schuldige daders mag de geringste achterdocht koesteren van het kwaad; maar het ligt open vor hen, die in de hemel wonen. De duisternis van de donkerste nacht, de geheimzinnigheid van alle bedriegelike kunstgrepen, is niet voldoende om één gedachte te verbergen, dat de Eeuwiglevende er geen kennis aan hebben zou. God bezit een getrouw verslag van iedere onjuiste rekening en iedere oneerlike handeling. Hij wordt niet bedrogen door een schijn van vroomheid. Hij vergist zich niet in Zijn schatting van het karakter. De mensen mogen bedrogen worden door hen, die bedorven van hart zijn, maar Gods oog boort door alle vermommingen heen, en doorgrondt het innerlike leven.

Hoe ernstig is de gedachte! Dag na dag, die zich in de eeuwigheid verliest, draagt zijn last van hetgeen in de boeken des hemels moet opgetekend worden. Woorden eenmaal gesproken, daden eenmaal gedaan, kunnen nooit herroepen worden. Engelen hebben zowel het goede als het kwade opgeschreven. De machtigste veroveraar op aarde kan niet herroepen wat er geboekt staat, zelfs niet van één enkele dag. Onze daden, onze woorden, zelfs onze heimelikste drijfveren dragen er alle toe bij om ons lot voor goed of kwaad te beslissen. Ofschoon ze door ons vergeten mogen zijn, ze zullen mede getuigen tot rechtvaardiging of veroordeling.

Gelijk de trekken van het gelaat met onfeilbare juistheid weergegeven worden op de gepolijste plaat van de kunstenaar, zo ook staat het karakter trouw geschetst in de boeken daarboven. En toch, hoe weinig bezorgdheid wordt er aangaande dat register gevoeld, dat voor het oog van de hemelingen zal opengelegd worden. Indien de sluier, welke de zichtbare van de onzichtbare wereld scheidt, kon weggeschoven worden, en de kinderen der mensen een engel konden zien, ieder woord en iedere daad aantekenende, die ze in het oordeel weder moeten ontmoeten, hoeveel woorden, die men dageliks gebruikt, zouden er ongesproken, hoeveel daden ongedaan blijven.

In het oordeel zal het gebruik, dat van ieder talent gemaakt is, nauwkeurig worden onderzocht. Hoe hebben wij het kapitaal, dat de Hemel ons geleend heeft, gebruikt? Zal de Heer bij Zijn komst Zijn eigendom met woeker terugkrijgen? Hebben we van de vermogens, welke ons in onze handen, ons hart, en onze hersenen waren toevertrouwd, gebruik gemaakt tot eer van God en zegen voor de wereld? Hoe hebben wij onze tijd, onze pen, onze stem, ons geld, onze invloed gebruikt? Wat hebben we voor Christus gedaan in de persoon van de arme, de noodlijdende, de wees of de weduwe? God heeft ons Zijn heilig Woord in pand gegeven ; wat hebben we gedaan met het licht en de waarheid, ons toebetrouwd om mensen wijs te maken tot zaligheid? Een blote belijdenis van geloof in Christus heeft geen waarde; alleen de liefde, die door werken getoond wordt, geldt als echt. Het is de liefde alleen, die in het oog van de Hemel een daad van waarde maakt. Wat ook maar uit liefde gedaan wordt, hoe klein het ook mag schijnen in de achting van de mensen, wordt door God aangenomen en beloond.

De verborgen zelfzucht van de mensen is in de boeken van de hemel opengelegd. Daar staan de niet vervulde plichten jegens de medemens, het vergeten van wat de Heiland toekomt, opgetekend. Daar zullen ze zien, hoe menigmaal de tijd, de gedachte, en de kracht aan Satan gegeven is, die Christus toekwamen. Treurig is de tijding, die de engelen naar de hemel brengen. Verstandige mensen, die belijden volgelingen van Christus te zijn, zijn in het verkrijgen van wereldse bezittingen, of het najagen van aardse vermaken verdiept. Geld, tijd en kracht worden opgeofferd aan vertoon en voldoening van de smaak; en slechts weinige ogenblikken worden gewijd aan gebed, of het onderzoek van de Schrift, aan verootmoediging van de ziel en belijdenis van zonde.

Satan bedenkt ontelbare plannen om onze aandacht bezig te houden, opdat we die niet zouden schenken aan het werk, waarmede we het best bekend behoorden te zijn. De aartsverleider haat de grote waarheden, die een zoenoffer en een almachtige Middelaar aan het licht brengen. Hij weet, dat voor hem alles afhangt van het aftrekken van de harten van Jezus en Zijn waarheid.

Zij, die deel wensen te hebben aan de voorrechten van de tussenkomst van de Zaligmaker, behoren niet te dulden, dat iets hun plicht in de weg staat om heiligheid in de vreze Gods te volmaken. De kostbare uren, in plaats van aan genot, vertoon, of winstbejag te worden opgeofferd, behoren gewijd te worden aan ernstig en biddend onderzoek van het Woord der waarheid. Het onderwerp van het heiligdom en het onderzoekend oordeel behoort door het volk Gods duidelik te worden verstaan. Allen behoren voor zichzelven te weten, welke plaats hun grote Hogepriester bekleedt, en hoedanig het werk is, dat Hij doet. Anders zal het hun niet mogelik zijn, het geloof te oefenen, dat in deze tijd onontbeerlik is, of de plaats in te nemen, die ze volgens Gods bedoeling moeten vervullen. Iedere persoon heeft een ziel te behouden of te verliezen. Iedereen heeft een zaak, die voor Gods rechtbank ligt; elkeen moet de grote Rechter van aangezicht tot aangezicht ontmoeten. Van hoeveel belang is het dus, dat ieder gemoed menigmaal peinzen zal over het plechtige toneel, wanneer het oordeel zal zitten, en de boeken geopend zullen worden, wanneer ieder mensekind, met Daniël, zal staan in zijn lot, in het einde van de dagen.

Al degenen, die het licht over deze onderwerpen hebben ontvangen, moeten getuigenis afleggen van de grote waarheden, welke God hun heeft toebetrouwd. Het heiligdom in de hemel is het middelpunt van Christus werk ten behoeve van de mensen. Het betreft iedere ziel, die op dé aarde woont. Het legt het verlossingsplan voor onze ogen open; en terwijl het ons verplaatst in het laatste der dagen, openbaart het de zegenrijke oplossing van de strijd tussen ge-rechtigheid en zonde. Het is van het grootste belang, dat allen deze onderwerpen degelik onderzoeken, en in staat zijn om een antwoord te geven aan een iegelik, die hun een reden vraagt van de hoop, die in hen leeft.

De bemiddeling van Christus ten behoeve van de mens in het heiligdom daarboven is even onontbeerlik in het verlossingsplan, als Zijn dood op het kruis was. Met Zijn dood begon Hij dat werk, waarvoor Hij, om het in de hemel te volmaken, na Zijn opstanding opvoer. We moeten in het geloof ingaan in het binnenste van het voorhangsel, “daar de Voorloper vor ons is ingegaan.” Daar wordt het licht van het kruis van Golgotha weerkaatst. Daar kunnen we een duideliker inzicht krijgen in de geheimen van de verlossing. De redding van de mensen kost de hemel een oneindige prijs; het offer, dat gebracht wordt, weegt op tegen de strengste eisen van de gebroken wet Gods. Jezus heeft de weg naar de troon van de Vader opengesteld, en door Zijn bemiddeling kan het oprecht verlangen van allen, die in het geloof tot Hem komen, aan God worden voorgelegd.

“Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze belijdt en laat, zal barmhartigheid verkrijgen.” Konden zij, die hun gebreken verbergen en verontschuldigen, zien, hoezeer Satan zich over hen verblijdt, en hoe hij Christus en de heilige engelen tart met hun wijze van handelen, ze zouden zich haasten om hun zonden te belijden en er afstand van te doen. Door gebreken in het karakter tracht Satan macht te verkrijgen over het gehele gemoed, en hij weet, dat indien die gebreken gekoesterd worden, hij slagen zal. Daarom tracht hij de volgelingen van Christus voortdurend te bedriegen met zijn noodlottige, valse redenering, dat het onmogelik voor hen is om te overwinnen. Maar Jezus pleit voor hen op Zijn verwonde handen, Zijn verbroken lichaam; Hij zegt tot allen, die Hem willen volgen: “Mijn genade is u genoeg.” “Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben, en nederig van hart; en ge zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht.” Laat niemand zijn gebreken dan voor ongeneeslik houden. God zal geloof en genade schenken om ze te boven te komen.

We beleven nu de grote verzoendag. In de typiese eredienst moesten allen hun zielen kwellen door berouw over hun zonden, en verootmoediging voor de Heer, terwijl de hogepriester verzoening deed voor Israël, opdat ze niet van het volk afgesneden zouden worden. Op gelijke wijze behoorden nu allen, die hun namen in het boek des levens wensen te behouden, in de weinige dagen van hun genadetijd, die hun nog overblijven, hun zielen te kwellen voor God door droefheid over de zonde, en waar berouw. Er moet een diep, getrouw onderzoek van het hart zijn. Er moet afstand gedaan worden van de luchthartige, nietige geest, waaraan zovelen onder de belijdende Christenen zich over-geven. Er is een ernstige strijd, die allen wacht, welke de kwade neigingen wensen te onderdrukken, die de overhand trachten te verkrijgen. Het werk van voorbereiding is voor een ieder op zichzelf. We worden niet in groepen gered. De reinheid en toewijding van de een kan niet goedmaken wat een ander in deze hoedanigheden te kort schiet. Ofschoon alle volken zullen moeten opkomen om door God geoordeeld te worden, toch zal Hij de zaak van iedere afzonderlike persoon z— nauwkeurig en grondig onderzoeken, alsof er geen ander wezen op de aarde was. Iedereen moet getoetst, en zonder vlek of rimpel of iets dergelijks bevonden worden.

Plechtig zijn de gebeurtenissen in verband met het sluitingswerk van de verzoening. Allergewichtigst zijn de belangen, welke daarin betrokken zijn. Het oordeel vindt tans in het heiligdom daarboven plaats. Reeds vele jaren lang is dit werk aan de gang. Spoedig — niemand weet hoe spoedig — zal het bij de gevallen van de levenden komen. Ons leven zal in de vreselike tegenwoordigheid van God moeten opkomen om onderzocht te worden. In deze tijd meer dan in enige andere past het iedere ziel, acht te slaan op de vermaning van de Zaligmaker: “Waakt en bidt: want ge weet niet, wanneer de tijd is;” “Indien ge dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en ge zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.”

Wanneer het werk van het onderzoekend oordeel eindigt, zal het lot van allen beslist zijn voor leven of dood. De genadetijd sluit kort voordat de Heer verschijnen zal op de wolken des hemels. Christus, op deze tijd ziende, zegt in de Openbaring: “Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde, en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde. En ziet, Ik kom haastiglik; en Mijn loon is met Mij, om een iegelik te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.”

De rechtvaardigen en goddelozen zullen nog op de aarde leven in hun sterfelike staat — de mensen zullen planten en bouwen, eten en drinken, geheel en al onbewust, dat het laatste, onherroepelik besluit in het heiligdom daarboven gevallen is. Nadat Noach in de ark gegaan was, vor de vloed, sloot God hem er in, en de goddelozen er buiten; maar zeven dagen lang zetten de mensen, niet wetende, dat hun lot beslist was, hun zorgeloos, genotzuchtig leven nog voort, en spotten met de waarschuwingen van een naderend oordeel. “Alzo,” zegt de Heiland, “zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen.” Stil, onopgemerkt, als een dief te middernacht, zal de ure komen, die de beslissing van het lot van iedere mens, en het voor altoos terugtrekken van het aanbod van genade aan schuldigen kenmerken zal.

“Zo waakt dan; . . . opdat Hij niet onvoorziens kome, en u slapende vinde.” Vol van gevaar is de toestand van hen, die zich, moede wordende van het waken, tot de bekoorlikheden van de wereld wenden. Terwijl de man van zaken verdiept is in winstbejag, terwijl de genotzuchtige zich zoekt te bevredigen, terwijl de mode-dochter bezig is, haar versierselen te schikken,— op diezelfde stond kan het zijn, dat de Rechter van de ganse aarde het vonnis uitspreekt: “Gij zijt in weegschalen gewogen, en zijt te licht bevonden.”