29. De Oorsprong van het Kwaad

De oorsprong van de zonde en de reden waarom die bestaat, is voor velen een bron van grote geestesverwarring. Ze zien de werking van het kwaad, met zijn vreselike gevolgen van ellende en verwoesting, en vragen zich af, hoe dit alles bestaan kan onder de heerschappij van Eén, Die oneindig is in wijsheid, in macht, en in liefde. Hier ligt een geheim, waar ze geen uitleg aan geven kunnen. In hun onzekerheid en twijfel worden ze verblind voor waarheden, die in Gods woord duidelik worden geopenbaard, en die ons nodig zijn om zalig te worden. Er zijn er, die in hun onderzoek naar het bestaan van de zonde trachten door te dringen in hetgeen God nooit geopenbaard heeft; vandaar dat ze geen oplossing van hun bezwaren vinden; en zij, die aangedreven worden door lust tot twijfelen en vitten, grijpen dit als een verontschuldiging aan om de woorden van de Heilige Schrift te verwerpen. Aan anderen echter ontbreekt een bevredigend begrip van het grote vraagstuk van het kwaad, ten gevolge van het feit, dat overlevering en verkeerde voorstelling de leer van de Bijbel verduisterd hebben aangaande het karakter Gods, de aard van Zijn regering, en de grondbeginselen van Zijn handelingen met de zonde.

Het is onmogelik om de oorsprong van de zonde z— te verklaren, dat er een reden voor het bestaan ervan gevonden wordt. Toch laat zich genoeg begrijpen, zowel van de oorsprong van de zonde en van de uitroeiing ervan aan het einde, om de rechtvaardigheid en barmhartigheid Gods in de wijke, waarop Hij ermede handelt, ten volle aan het licht te brengen. Niets wordt in de Schrift meer duidelik gemaakt, dan dat God op generlei wijze aansprakelik is voor het ontstaan van de zonde; dat er geen willekeurige terugtrekking van de Goddelike genade, geen onvolmaaktheid in de Goddelike regering geweest is, welke aanleiding gegeven zou hebben tot het ontstaan van de opstand. De zonde is een indringer, voor het bestaan waarvan geen reden aangegeven kan worden. Hij is geheimzinnig, onverklaarbaar; de zonde te verontschuldigen betékent, hem te verdedigen. Indien er een verontschuldiging voor gevonden, of een reden voor zijn bestaan aangewezen kon worden, zou hij ophouden zonde te zijn. Onze enige omschrijving van zonde is die, welke in het woord Gods aangegeven wordt: “de zonde is de ongerechtigheid,“—is wetsovertreding,— de uitwerking van een beginsel, dat in strijd is met de grote wet van de liefde, die het fondament uitmaakt van de Goddelike regering.

Vor het ontstaan van de zonde heersten er vrede en blijdschap in het ganse heelal. Alles was in volkomen overeenstemming met de wil van de Schepper. Liefde tot God was het voornaamste, en de liefde tot elkander onpartijdig. Christus, het Woord, de eniggeboren Zoon van God, was één met de eeuwige Vader,— één in wezen, in karakter, en in doel — het enige wezen in het gehele heelal, dat kon indringen in al de raadsbesluiten en plannen Gods. De Vader wrocht door Christus in de Schepping van alle hemelse wezens. “Door Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen zijn, . . . hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten;” en al de hemelingen bewezen hulde aan Christus in gelijke mate als aan de Vader.

Daar de wet der liefde het fondament van de regering Gods was, hing het geluk van alle geschapen wezens af van hun volkomen overeenstemming met de grote grondbeginselen van gerechtigheid in deze wet. God verlangt van al Zijn schepselen de dienst der liefde,— huldebetoon dat voortvloeit uit een welbegrepen waardering van Zijn karakter. Hij schept geen behagen in gedwongen trouw, en schenkt aan allen vrijheid van wil, opdat ze Hem vrijwillig dienen zouden.

Eén echter was er, die deze vrijheid verkoos te misbruiken. De zonde had zijn oorsprong bij hem, die na Christus door God het meest geëerd werd, en het hoogst stond in macht en heerlikheid onder de hemelbewoners. Vor zijn val was Lucifer de eerste van de overdekkende cherubim, heilig en onbesmet. “Zo zegt de Heer Heer: Gij verzegelaar van de som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid. Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelike gesteente was uw deksel.” “Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; ge waart op Gods heilige berg; ge wandeldet in het midden van de vurige stenen. Ge waart volkomen in uw wegen, van de dag af, dat ge geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u ge-vonden is.”

Lucifer had bij God in de gunst kunnen blijven, bemind en geëerd door het gehele engeleheir, zijn edele krachten aanwendende om anderen te zegenen, en zijn Maker te verheerliken. Maar, zegt de profeet: “Uw hart verheft zich over uw schoonheid; ge hebt uw wijsheid bedorven van wege uw glans.” Langzamerhand begon Lucifer toe te geven aan een begeerte tot verhoging van zichzelf. “Gij hebt uw hart gesteld als Gods hart.” “En zeidet in uw hart: . . . ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden. ... Ik zal boven de hoogten van de wolken klimmen; ik zal de Allerhoogste gelijk worden.” In plaats van te trachten, God tot het voornaamste voorwerp van de genegenheid en trouw van Zijn schepselen te maken, poogde Lucifer, hun dienst en hulde voor zichzelf te winnen. En de eer begerende, die de oneindige Vader aan Zijn Zoon geschonken had, stond deze prins onder de engelen naar macht, de uitoefening waarvan rechtens alleen aan Christus toekwam.

Al de hemelingen hadden zich verheugd in het weerspiegelen van de heerlikheid van de Schepper, en het verkondigen van Zijn lof. En zo lang God aldus geëerd werd, was alles vrede en vreugde geweest. Maar nu kwam er een wanklank de hemelse harmonie verstoren. De dienst en verheffing van het “eigen ik”, welke Gods plan tegenwerk-ten, deden een voorgevoel van onheil ontstaan in de harten, bij welke Gods eer boven alles gold. De hemelse raadslieden pleitten met Lucifer. Gods Zoon hield hem de grootheid, de goedheid, en de rechtvaardigheid van de Schepper voor, en de heilige, onveranderlike aard van Zijn wet. God had zelf de bestaande orde in de hemel besteld, en door er van af te wijken, zou Lucifer zijn Maker onteren, en ondergang over zichzelf brengen. Doch de waarschuwing, in eindeloze liefde en barmhartigheid gegeven, wekte slechts een geest van tegenstand op. Lucifer liet naijver op Christus de boventoon in zijn hart voeren, en verhardde zich in zijn voornemen.

Hoogmoed over zijn eigen heerlikheid voedde het verlangen naar de oppermacht. De hoge eer, die Lucifer bewezen was, werd niet als gave Gods gewaardeerd, en kweekte geen dankbaarheid aan de Schepper. Hij verhief zich op zijn schoonheid en grootheid, en streefde naar gelijkheid met God. Hij was geliefd en geëerd bij het hemelheir. Hot was voor de engelen een genot, zijn bevelen ten uitvoer te brengen, en hij was met wijsheid en heerlikheid bekleed boven hen allen. Toch was de Zoon van God de erkende vorst des hemels, één in macht en gezag met de Vader. Aan al de raadsbesluiten Gods nam Christus deel, terwijl het aan Lucifer niet vergund was, op gelijke wijze in de Goddelike plannen in te dringen. “Waarom,” vroeg deze machtige engel, “moet Christus de oppermacht hebben? Waarom wordt hij op deze wijze boven Lucifer geëerd?”

Zijn plaats in de onmiddellike tegenwoordigheid Gods opgevende, ging Lucifer uit om de geest van ontevredenheid onder de engelen te verspreiden. Met geheimzinnige achterhouding te werk gaande, en voor een tijd zijn ware doel verbergende onder een schijn van God te eren, trachtte hij ontevredenheid op te wekken betreffende de wetten, volgens welke de hemelingen geregeerd werden, er op wijzende, dat die onnodige dwang oplegden. Daar ze heilig van natuur waren, beweerde hij, dat de engelen de voorschriften van hun eigen wil zouden volgen. Hij trachtte medegevoel voor zichzelf op te wekken, door het te doen voorkomen, als had God hem onrechtvaardig behandeld door hogere eer aan Christus te bewijzen. Hij beweerde, dat hij niet naar zelfverheffing stond door naar grotere macht en eer te streven, maar dat hij vrijheid poogde te verkrijgen voor al de hemelbewoners, opdat ze daardoor tot een hogere staat zouden kunnen geraken.

In Zijn grote barmhartigheid was God lankmoedig over Lucifer. Hij werd niet onmiddellik uit zijn verheven staat verlaagd, toen hij begon toe te geven aan een geest van ontevredenheid, ook zelfs nog niet, toen hij zijn valse beweringen aan de getrouwe engelen begon voor te leggen. Lang werd hij in de hemel gehouden. Keer op keer werd hem vergiffenis aangeboden op voorwaarde van berouw en onder-werping. Pogingen, gelijk oneindige liefde en wijsheid die kunnen beramen, werden in het werk gesteld om hem van zijn dwaling te overtuigen. De geest van ontevredenheid was tot dusverre iets onbekends geweest in de hemel. Lucifer zelf zag in het eerst niet in, waar hij heengedreven werd; hij verstond de ware aard van zijn gevoelens niet. Maar daar zijn ontevredenheid bewezen werd zonder oorzaak te zijn, kwam Lucifer tot de overtuiging, dat hij ongelijk had, dat de Goddelike eisen rechtvaardig waren, en dat hij ze voor al de hemelingen als zodanig behoorde te erkennen. Had hij dit gedaan, hij had zichzelf en vele engelen kunnen redden. Hij was op die tijd Gode nog niet geheel en al ontrouw geworden. Ofschoon hij zijn plaats als overdekkende cherub had opgegeven, zou hij daarin weder hersteld zijn geworden, indien hij gewillig was geweest om tot God terug te keren, de wijsheid van de Schepper te erkennen, en zich tevreden te stellen met de plaats, die hem in Gods grote plan was toegekend. Maar trots weerhield hem van zich te onderwerpen. Hij verdedigde standvastig zijn eigen handelwijze, beweerde dat berouw in zijn geval niet nodig was, en openbaarde zijn ware karakter in de grote strijd tegen zijn Maker.

Al de krachten van zijn grote geest werden nu aan het werk van verleiding gewijd, om zich het medegevoel van de engelen te verzekeren, die onder zijn bevel gestaan hadden. Zelfs het feit, dat Christus hen had gewaarschuwd en hun raad had gegeven, werd verdraaid om zijn bedriegelike plannen te bevorderen. Aan hen, die door liefde vol vertrouwen het nauwst aan hem verbonden waren, liet Satan het voorkomen, dat hij verkeerd beoordeeld werd; dat de plaats, die hij bekleedde, niet werd geteld, en dat zijn vrijheid besnoeid zou worden. Van een verkeerde voorstelling van de woorden van Christus ging hij over tot verdraaiing en bepaalde leugen, de Zoon van God van een aanslag beschuldigende om hem te vernederen in de ogen van de hemelbewoners. Hij trachtte eveneens om een valse reden van strijd aan te geven tussen hemzelf en de engelen, die trouw bleven. Al degenen, welke hij niet verleiden en geheel en al op zijn hand krijgen kon, beschuldigde hij van onverschillig te zijn voor de belangen van de hemelingen. Hij legde hun, die God bleven aanhangen, het werk, waarmede hij zelf bezig was, ten laste. En om zijn beschuldiging van Gods onrechtvaardigheid jegens hem goed te maken, nam hij de toevlucht tot een valse voorstelling van de woorden en handelingen van de Schepper. Zijn doel was, de engelen in verwarring te brengen door arglistige argumenten aangaande Gods bedoelingen. Alles wat duidelik was, maakte hij geheimzinnig, en door listige verdraaiing ervan liet hij de duidelikste verklaringen van Jehova in twijfel trekken. Zijn hoge stand, zo nauw verbonden met het Godsbestuur, leende grotere kracht aan zijn voorstellingen, en velen werden er toe gebracht om zich met Hem te verbinden in opstand tegen het gezag des Hemels.

God in Zijn wijsheid stond Satan toe, zijn werk voort te zetten, totdat de geest van ontevredenheid tot bepaalde opstand rijpte. Het was nodig, dat zijn plannen zich volkomen ontwikkelden, opdat de ware aard en strekking ervan door allen zouden worden gezien. Lucifer was, als de gezalfde cherub, hoog verheven geweest; hij was bemind onder de hemelingen, en zijn invloed over hen was groot. Gods heerschappij omvatte niet alleen de hemelbewoners, maar die van al de werelden, welke Hij geschapen had; en Satan dacht, dat indien hij de engelen in de hemel kon doen deelnemen aan zijn rebellie, hij dan ook de andere werelden op zijn hand zou krijgen. Hij had zijn zijde van de twistvraag listig voorgesteld, leugen en bedrog gebruikende om zijn doel te bereiken. Zijn macht om te verleiden was zeer groot, en door zich te vermommen in een mantel van leugen, had hij een bepaald voordeel behaald. Zelfs de trouwe engelen konden zijn karakter niet geheel en al onderscheiden, of inzien, waar zijn werk heen leidde.

Satan was z— hoog geëerd, en al zijn handelingen waren in zodanige geheimzinnigheid gehuld geweest, dat het moeilik was, de ware aard van zijn werk aan de engelen te ontdekken. Vor de volkomen ontwikkeling ervan zou de zonde niet zo slecht schijnen als die waarlik was. Tot hiertoe had zonde geen plaats gehad in Gods heelal, en dus hadden de heilige engelen geen begrip van de aard en boosheid ervan. Ze konden de vreselike gevolgen, die het op zijde zetten van de Goddelike wet hebben zou, niet onderkennen. Satan had zijn werk in het begin verborgen onder een schijnbare belijdenis van trouw aan God. Hij gaf voor te trachten, Gods eer, de standvastigheid van Zijn regering, en het welzijn van de hemelingen te bevorderen. Terwijl hij in de gemoederen van de engelen onder hem ontevredenheid bewerkte, had hij op arglistige wijze gepoogd, het te doen voorkomen, alsof hij trachtte misnoegdheid uit de weg te ruimen. Wanneer hij erop aandrong, dat er veranderingen gemaakt moesten worden in de regeling en wetten van Gods regering, was het onder het voorwendsel, dat die nodig waren om de eensgezindheid in de hemel te bewaren.

In de wijze, waarop God met de zonde handelde, kon Hij slechts rechtvaardigheid en waarheid beoefenen. Satan kon gebruiken wat Gode niet ten dienste stond — vleierij en bedrog. Hij had het woord Gods pogen te vervalsen, en het plan van Zijn regering bij de engelen in een onwaar daglicht gesteld; bewerende, dat God niet rechtvaardig was in het opleggen van wetten en regels aan de hemelbewoners, maar dat Hij door onderwerping en gehoorzaamheid van Zijn schepselen te eisen, slechts de verheffing van Zichzelf zocht. Derhalve moest er aan de hemelingen, zowel als aan de bewoners van alle werelden getoond worden, dat Gods regering rechtvaardig, en Zijn wet volmaakt was. Satan had de schijn aangenomen, alsof hij trachtte zelf het welzijn van het heelal te bevorderen. Het ware karakter van de indringer en zijn ware bedoeling moesten door allen worden verstaan. Hij moest tijd hebben om zichzelf te openbaren door zijn boze werken.

Van de twist, welke zijn eigen handelwijze in de hemel had veroorzaakt, had Satan de wet en de regering van God de schuld gegeven. Hij verklaarde, dat al het kwaad het gevolg was van het Goddelik bestuur. Hij beweerde, dat het zijn eigen bedoeling was, de voorschriften van Jehova te verbeteren. Daarom was het nodig, dat hij de aard van wat hij voorhad, zou tonen, en de uitwerking van zijn voorgestelde verandering in de Goddelike wet duidelik maken. Zijn eigen werk moest hem veroordelen. Satan had van het begin aan beweerd, dat hij niet in opstand was. Het gehele heelal moest de bedrieger ontmaskerd zien.

Zelfs nadat er besloten was, dat Satan niet langer in de hemel kon blijven, vernietigde de Oneindige Wijsheid hem niet. Daar alleen de dienst der liefde aangenaam is bij God, moet de trouw van Zijn schepselen op overtuiging van Zijn rechtvaardigheid en barmhartigheid berusten. Naardien de bewoners van de hemel en van andere werelden niet voorbereid waren om de aard of de gevolgen van de zonde te doorzien, zouden ze toen de rechtvaardigheid en barmhartigheid Gods niet hebben kunnen billiken in de vernietiging van Satan. Indien hij onmiddellik vernietigd was, zouden ze God uit vrees gediend hebben, in plaats van uit liefde. De invloed van de bedrieger zou niet ten volle te niet gedaan, noch ook zou de geest van opstand ten volle uitgeroeid geweest zijn. Het kwaad moest vrijheid erlangen om tot rijpheid te komen. Tot welzijn van het heelal door eindeloze eeuwen heen moest Satan zijn beginselen meer volkomen ontwikkelen, opdat zijn beschuldigingen tegen de Goddelike regering door alle geschapen wezens in hun ware licht gezien zouden worden, en de rechtvaardigheid en barmhartigheid Gods, en de onveranderlikheid van Zijn wet voor altijd buiten twijfel gesteld.

Satans opstand moest alle komende eeuwen door een les zijn voor het heelal, een voortdurend getuigenis tegen de aard en de vreselike gevolgen van de zonde. De uitwerking van Satans regering, de gevolgen ervan op mensen zowel als op engelen, zouden aantonen, wat de uitk—mst zijn moet van het op zijde zetten van het Goddelike gezag. Hierdoor zou bewezen worden, dat het welzijn van de schepselen, die God gemaakt heeft, samenhangt met het bestaan van Zijn regering en wet. Aldus moest de geschiedenis van deze vreselike poging tot opstand een voortdurende beveiliging worden voor alle heilige wezens; verhinderen, dat ze zouden worden misleid, wat de aard van de overtreding aangaat, en hen beveiligen tegen zonde, en de straf, die erop rust.

Tot aan het einde van de strijd in de hemel ging de grote indringer voort met zichzelf te rechtvaardigen. Toen er aangekondigd werd, dat hij met allen, die met hem van hetzelfde gevoelen waren, uit de woning van de zaligen verbannen moest worden, kwam de aanvoerder van de opstand stoutmoedig uit voor zijn verachting van de wet van de Schepper. Hij herhaalde zijn bewering, dat engelen geen toezicht behoeven, maar vrij behoorden te zijn om hun eigen wil te volgen, welke hen niet anders dan ten goede leiden zou. Hij sprak met verachting over de Goddelike voorschriften als een beperking van hun vrijheid, en verklaarde, dat het zijn voornemen was, alle wet afgeschaft te krijgen; opdat het heir des hemels, van deze dwang bevrijd, tot een verhevener en heerliker staat van bestaan zou mogen op-klimmen.

Satan en zijn heir legden de schuld van hun opstand eenstemmig op Christus, verklarende, dat ze nooit zouden gerebelleerd hebben, indien ze niet berispt geworden waren. Aldus hardnekkig en uitdagend in hun ontrouw, tevergeefs trachtende om Gods regering omver te werpen, en toch godslasterlik bewerende, zelven onschuldige slachtoffers te zijn van een onderdrukkende macht, werden de aartsrebel en al zijn bondgenoten ten slotte uit de hemel verbannen.

Dezelfde geest, die aanleiding gaf tot de opstand in de hemel, veroorzaakt nog steeds opstand op de aarde. Satan heeft onder de mensen dezelfde gedragslijn voortgezet, die hij bij de engelen gevolgd had. Zijn geest heerst nu in de kinderen der ongehoorzaamheid. Zij trachten, evenals hij het heeft gedaan, de beperkingen van Gods wet omver te halen, en beloven de mensen vrijheid door overtreding van de voorschriften ervan. Bestraffing van z—nde wekt nog immer de geest van haat en tegenstand op. Wanneer Gods waarschuwende boodschappen tot het geweten spreken, leidt Satan er de mensen toe, zichzelven te rechtvaardigen, en te zoeken naar het medegevoel van anderen in hun zondige loopbaan. In plaats van hun dwalingen te verbeteren, verwekken ze verontwaardiging tegen degene, die bestraft, alsof hij de enige oorzaak van de moeilikheid was. Sedert de dagen van de rechtvaardige Abel tot op onze tijd is dit de geest geweest, welke tegen dezulken getoond wordt, die zonde durven veroordelen.

Door dezelfde verkeerde voorstelling van het karakter Gods, waarvan hij in de hemel gebruik had gemaakt, en waardoor hij Hem laat beschouwen als gestreng en tirannies, verleidde Satan de mens tot zonde, en na daarin geslaagd te zijn, verklaarde hij, dat Gods onrechtvaardige beperkingen tot de val van de mens hadden geleid, gelijk die aanleiding hadden gegeven tot zijn eigen opstand.

Maar de Eeuwiglevende maakt Zelf Zijn karakter bekend: “Here, Here, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, en groot van weldadigheid en waarheid, die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft, die de schuldige geenszins onschuldig houdt.”

God bracht Zijn rechtvaardigheid aan het licht, en handhaafde de eer van Zijn troon door de verbanning van Satan uit de hemel. Maar toen de mens gezondigd had door gehoor te geven aan de verleidingen van deze afvallige geest, gaf God een bewijs van Zijn liefde door Zijn eniggeboren Zoon over te geven om voor het gevallen mensegeslacht te sterven. In de verzoening wordt Gods karakter geopenbaard. De krachtige bewijsgrond van het kruis toont aan het ganse heelal, dat de loopbaan van zonde, die Lucifer zich verkoos, geenszins aan Gods regering ten laste kon gelegd worden.

In de strijd tussen Christus en Satan, tijdens de aardse bediening van de Heiland, werd het karakter van de grote bedrieger ontmaskerd. Niets kon Satan zo doeltreffend de genegenheid van de engelen in de hemel en van het getrouw gebleven heelal hebben doen verbeuren, als de wrede oorlog, die hij de Verlosser van de wereld aandeed. De stoute godslasterlikheid van zijn eis, dat Christus hem zou aan-bidden, de aanmatigende overmoedigheid, waarmede hij Hem op de top van de berg en de tinne van de tempel voerde, en de kwaadaardige bedoeling, welke hij verried, toen hij er bij Hem op aandrong, zich van de duizelingwekkende hoogte af te werpen, de altijd wakende boosheid, die Hem van plaats tot plaats dreef, en de harten van priesters en volk aanspoorde om Zijn liefde te verwerpen, en eindelik te roepen: “Kruist Hem! Kruist Hem!”—dit alles wekte de verbazing en verontwaardiging van het heelal op.

Het was Satan, die de wereld tot de verwerping van Christus aandreef. De vorst des kwaads gebruikte al zijn macht en geslepenheid om Jezus uit de weg te ruimen; want hij zag, dat de barmhartigheid en de liefde van de Heiland, Zijn erbarming en medelijdende tederheid het karakter Gods aan de wereld openlegden. Satan bestreed alles, wat de Zoon van God voorgaf te zijn, en gebruikte mensen als zijn werktuigen om het leven van de Zaligmaker tot een leven van lijden en kommer te maken. De bedriegerij en leugen, waardoor hij getracht had Jezus’ werk te verhinderen, de haat, door de kinderen der ongehoorzaamheid aan de dag gelegd, zijn wrede beschuldigingen tegen Hem, wiens bestaan een leven van voorbeeldeloze goedheid was, dat alles had zijn oorsprong in diepgewortelde wraak. Het opgekropte vuur van nijd en kwaadaardigheid, haat en wraak, brak op Golgotha tegen de Zoon van God los, terwijl de gehele hemel met stille afschuw op het toneel nederblikte.

Toen het grote offer gebracht was, voer Christus omhoog, en weigerde de aanbidding van de engelen, totdat Hij het verzoek had voorgelegd: “Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.” Toen kwam met onuitsprekelike liefde en kracht het antwoord van de troon van de Vader: “Dat alle engelen Gods Hem aanbidden.” Er rustte op Jezus geen smet. Nadat Zijn vernedering ten einde en Zijn offer volbracht was, werd Hem een naam gegeven, die boven alle naam is.

Nu toonde Satans vergrijp zich zonder verontschuldiging. Hij had zijn ware karakter als leugenaar en moordenaar geopenbaard. Het was duidelik, dat hij dezelfde geest, waarmede hij de kinderen der mensen regeerde, die onder zijn macht stonden, zou getoond hebben, indien het hem vergund was geworden, over hemelingen te heersen. Hij had beweerd, dat overtreding van Gods wet vrijheid en verhoging brengen zou; maar slavernij en vernedering werden gezien de gevolgen ervan te zijn.

Satans leugenachtige beschuldigingen tegen het karakter en de regering Gods traden in hun ware licht te voorschijn. Hij had God beschuldigd van alleen verheffing te zoeken door onderwerping en gehoorzaamheid van Zijn schepselen te eisen, en had verklaard, dat de Schepper geen zelfverloochening beoefende, en geen offer bracht, terwijl hij zelfverloochening van alle andere wezens verlangde. Nu bleek, dat de Heerser van het heelal het grootste offer gebracht had, dat liefde kon brengen voor de redding van een gevallen en zondig geslacht; want “God was in Christus de wereld met zichzelf verzoenende.” En evenzo bleek het, dat terwijl Lucifer door zijn verlangen naar eer en oppermacht de deur geopend had voor zonde, Christus zich had vernederd en gehoorzaam geworden was tot de dood toe, om de zonde te niet te doen.

God had Zijn afschuw van de beginselen van rebellie bewezen. De gehele hemel zag Zijn rechtvaardigheid geopenbaard, zowel in de veroordeling van Satan als in de verlossing van de mens. Lucifer had verklaard, dat indien Gods wet onveranderlik was, en de straf erop niet kon vrijgescholden worden, iedere overtreder dan voor eeuwig van de gunst van de Schepper verstoken was. Hij had beweerd, dat het zondige mensegeslacht reddeloos, en daarom zijn rechtmatige prooi was. Maar de dood van Christus was een argument ten gunste van de mens, dat niet omvergeworpen kon worden. De straf van de wet viel op Hem, die Gode gelijk stond, en aan de mens stond het vrij, de gerechtigheid van Christus aan te nemen, en door een leven van boetedoening en vernedering te overwinnen, gelijk de Zoon van God gezegevierd had over Satans macht. Aldus is God rechtvaardig, en tegelijkertijd de rechtvaardigmaker van allen, die in Jezus geloven.

Maar het was niet alleen om de verlossing van de mens te bewerken, dat Christus naar de aarde kwam om te lijden en te sterven. Hij kwam om de wet te verhogen en te verheerliken. Niet alleen opdat de bewoners van deze wereld de wet zouden beschouwen, gelijk die beschouwd behoort te worden; maar om aan al de werelden in het heelal te bewijzen, dat Gods wet onveranderlik is. Indien de eisen ervan te niet gedaan hadden kunnen worden, zou de Zoon van God Zijn leven niet hebben behoeven af te leggen om verzoening te doen voor de overtreding van die wet. De dood van Christus bewijst daarom, dat de wet onveranderlik is. En het offer, waartoe oneindige liefde de Vader en de Zoon dreef, opdat zondaren gered zouden worden, toont aan het ganse heelal — en niets minder dan dit verzoeningsplan zou er voldoende voor geweest zijn — dat rechtvaardigheid en barmhartigheid het fondament zijn van de wet en de regering van God.

In de laatste voltrekking van het oordeel zal er uitkomen, dat er geen oorzaak voor zonde bestaat. Wanneer de Rechter van de ganse aarde aan Satan vragen zal: “Waarom zijt ge tegen Mij opgestaan, en hebt Me beroofd van de onderdanen van Mijn koninkrijk?” dan zal de bewerker van de zonde geen verontschuldiging kunnen inbrengen. Iedere mond zal gesloten zijn, en het gehele heir van de opstandelingen sprakeloos staan.

Terwijl het kruis van Golgotha getuigenis aflegt, dat de wet onveranderlik is, verkondigt het aan het heelal, dat de bezoldiging van de zonde de dood is. Met de stervenskreet van de Heiland, “Het is volbracht,” werd de doodsklok voor Satan geluid. De grote strijd, zo lang gevoerd, werd toen beslist, en de eindelike uitwissing van de zonde verzekerd, Cods Zoon ging de poorten van het graf door, opdat “Hij door de dood te niet doen zou degene, die het geweld des doods had, dat is, de duivel.” Lucifers verlangen naar zelfverheffing had er hem toe geleid om te zeggen: “Ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen ... ik zal de Allerhoogste gelijk worden.” God zegt: “Ik heb u gemaakt tot as op de aarde ... ge zult niet meer zijn tot in eeuwigheid.” Wanneer “die dag komt, brandende als een oven,” dan zullen “alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn; en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de Heer der heirscharen, Die hun wortel noch tak laten zal.”

Het ganse heelal zal getuige zijn van de aard en de gevolgen van de zonde. En de volkomen uitroeiing ervan, welke in den beginne de engelen vrees aangejaagd en God oneer aangedaan zou hebben, zal nu Zijn liefde rechtvaardigen en Zijn eer bevestigen voor een heelal van schepselen, die er zich in verlustigen, Zijn wil te doen, en in wier hart Zijn wet woont. Nooit zal de zonde zich weder openbaren. Het woord van God zegt: “De benauwdheid zal niet tweemaal oprijzen.” De wet van God, welke door Satan beschuldigd werd van een slavejuk te zijn, zal geëerd worden als de wet der vrijheid. Een getoetste en beproefde schepping zal zich nooit weder afkeren van de trouw aan Hem, Wiens karakter zich aan allen ten volle heeft geopenbaard als zijnde onuitputtelik in liefde en oneindige wijsheid.