30. Vijandschap tussen de Mens en Satan

“En Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.” Het Goddelik vonnis, dat na de val van de mens over Satan werd uitgesproken, was tevens een voorzegging, die al de eeuwen omsloot tot aan het einde der dagen, en de grote strijd voorafschaduwde, waarin al de mensegeslachten, die op aarde zouden leven, betrokken zouden worden.

God verklaart: “Ik zal vijandschap zetten.” Deze vijandschap bestaat van nature niet. Toen de mens de God-delike wet verbrak, werd zijn natuur zondig, en was hij in overeenstemming, niet in tegenspraak, met Satan. Van nature wordt er geen vijandschap gevoerd tussen de zondige mens en de bewerker van de zonde. Beiden werden boos door afval. De afvallige heeft nooit rust, tenzij hij medegevoel en steun ontvangt door overreding van anderen om zijn voorbeeld te volgen. Om deze reden verenigen gevallen engelen en boze mensen zich in een bondgenootschap van wanhoop. Indien God niet op biezondere wijze tussenbeide getreden was, zouden Satan en de mens zich verbonden hebben tegen de Hemel; en in plaats van vijandschap te koesteren tegen Satan, zou het gehele mensegeslacht zich verenigd hebben in opstand tegen God.

Satan verleidde de mens tot zonde, evenals hij er engelen toe gebracht had om op te staan, namelik om zich van medewerking

te verzekeren in zijn strijd tegen de Hemel. Er bestond geen tweespalt tussen hem en de gevallen engelen, wat hun haat tegen Christus betrof; terwijl er op alle andere punten onenigheid was, waren ze vast verbonden in hun tegenstand tegen het gezag van de Heerser van het heelal. Maar toen Satan de verklaring hoorde, dat er vijandschap zou bestaan tussen hemzelf en de vrouw, en tussen zijn zaad en haar zaad, begreep hij, dat zijn pogingen om de menselike natuur te verlagen niet ongehinderd zouden blijven; dat de mens door het ene of andere middel in staat gesteld zou worden om aan zijn macht weerstand te bieden.

Satans vijandschap is tegen het mensegeslacht ontstoken, omdat ze door Christus voorwerpen van Gods liefde en barmhartigheid zijn. Hij wenst het Goddelik plan tot verlossing van de mens te verijdelen, en God te onteren door Zijn handewerk van zijn schoonheid en reinheid te beroven; zijn doel is, droefenis in de hemel te veroorzaken, en de aarde te vervullen met ellende en verwoesting. En hij wijst op al dit kwaad als het gevolg van Gods werk in het scheppen van de mens.

Het is de genade, die Christus aan de ziel schenkt, welke in de mens vijandschap tegen Satan doet ontstaan. Zonder deze bekerende genade en vernieuwende kracht zou de mens de gevangene van Satan blijven, een dienstknecht, immer bereid om hem te gehoorzamen. Maar het nieuwe beginsel in de ziel doet strijd ontstaan, waar tot nu toe vrede heerste. De kracht, welke Christus schenkt, stelt de mens in staat om zich tegen de tiran en indringer te verzetten. Wie er ook maar gevonden wordt, die de zonde verafschuwt in plaats van lief te hebben, en de hartstochten tegengaat en overwint, welke in hem hebben geheerst, die toont de werking van een beginsel, dat geheel en al van Boven is.

De tegenstand, die er tussen de geest van Christus en de geest van Satan bestaat, trad zeer treffend aan het licht in de wijze, waarop de wereld Jezus ontving. Het was niet zozeer omdat Hij zonder aardse rijkdom, pracht, of grootsheid verscheen, dat de Joden ertoe kwamen om Hem te verwerpen. Ze zagen, dat Hij macht bezat, welke het gemis van die uiterlike voordelen meer dan vergoeden zou. Maar de reinheid en heiligheid van Christus lokten de haat van de goddelozen tegen Hem uit. Zijn leven van zelfverloochening en zondeloze toewijding was een voortdurend verwijt voor een trots en zinnelik volk. Dit was het, dat vijandschap verwekte tegen de Zoon van God. Satan en boze engelen verbonden zich met boze mensen. Al de krachten van de afval van God spanden samen tegen de Kampvechter voor de waarheid.

Dezelfde vijandschap openbaart zich tegen de volgelingen van Christus, welke tegen hun Meester getoond werd. Wie ook het afstotelik karakter van de zonde inziet, en door kracht van omhoog weerstand biedt aan de verleiding, zal ongetwijfeld de woede van Satan en zijn onderdanen opwekken. Haat tegen de zuivere beginselen van de waarheid, en verwijt en vervolging van de voorstanders ervan, zullen voortbestaan, zolang er zonde en zondaren gevonden worden. De volgelingen van Christus en de dienstknechten van Satan kunnen niet overeenstemmen. De aanstoot, welke het kruis geeft, heeft niet opgehouden te bestaan. “Allen, die godzaliglik willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.“

Satans werktuigen arbeiden voortdurend onder zijn leiding tot vestiging van zijn gezag en opbouwing van zijn rijk in tegenstelling van de regering Gods. Tot dit doel trachten ze Christus’ volgelingen te bedriegen, en hen af te trekken van hun getrouwheid aan Hem. Ze leggen, gelijk hun leider doet, de Schriften verkeerd uit, en verdraaien ze om hun doel te bereiken. Gelijk Satan getracht heeft, God in verdenking te brengen, zo trachten zijn handlangers, Gods volk te belasteren. De geest, die Christus ter dood gebracht heeft, zet de goddelozen aan om Zijn volgelingen uit te roeien. Dit alles werd voorafgeschaduwd in die eerste profetie: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad.” En tot aan het einde van de tijd zal dit voortduren.

Satan roept zijn gehele macht tezamen, en werpt zich met al zijn kracht in de strijd. Waarom ontmoet hij geen grotere tegenstand? Waarom zijn de strijders voor Christus zo slaperig en onverschillig? — Omdat ze zo weinig waarlik met Christus verbonden zijn; omdat ze zo weinig van Zijn geest bezitten. De zonde is niet zo afstotelik en afschuwelik voor hen als die voor hun Meester was. Ze staan de zonde niet, gelijk Christus het deed, beslist en vastberaden tegen. Ze beseffen het vreselike kwaad en de boosheid van de zonde niet, en zijn blind voor het karakter zowel als de macht van de Vorst der duisternis. Er bestaat weinig vijandschap tegen Satan en zijn werken, omdat er zulk een grote onwetendheid heerst aangaande zijn macht en kwaadaardigheid, en de ontzaglike omvang van zijn strijd tegen Christus en Zijn kerk. Menigten van mensen worden op dat punt bedrogen. Ze weten niet, dat hun vijand een machtige aanvoerder is, die de gemoederen van boze engelen beheerst, en dat hij met wel-gerijpte plannen en behendige bewegingen tegen Christus kampt om de redding van zielen te verhinderen. Onder belijdende Christenen, en zelfs onder de predikers van het evangelie, hoort men Satan nauweliks noemen, behalve misschien, wanneer er toevallig van de kansel op hem gedoeld wordt. Ze merken de bewijzen van zijn voortdurende werkzaamheid en het welslagen daarvan niet op; ze veronachtzamen de vele waarschuwingen tegen zijn geslepenheid; ze schijnen zelfs zijn bestaan te ontkennen.

Terwijl de mensen in onwetendheid verkeren aangaande zijn kunstgrepen, is deze waakzame vijand hun ieder ogenblik op de hielen. Hij doet zijn tegenwoordigheid gevoelen in iedere afdeling van het familieleven, in iedere straat van onze steden, in de kerken, in de volksvergaderingen, in de gerechtshoven; en hij verwart, bedriegt, en verleidt, brengt alom de zielen en lichamen van mannen, vrouwen en kin-deren in het verderf, ontbindt huisgezinnen, en zaait haat, nijd, strijd, muiterij en moord. En de Christelike wereld schijnt deze dingen te beschouwen, alsof God het aldus besteld had, en ze moesten bestaan.

Satan tracht voortdurend de overhand over Gods volk te verkrijgen door de grenspalen, welke hen van de wereld scheiden, af te breken. Het oude Israël werd tot zonde verlokt, toen ze zich aan verboden omgang met de heidenen waagden. Op gelijke wijze wordt het hedendaagse Israël op de verkeerde weg geleid. “In dewelke de God van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelik van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het evangelie van de heerlikheid van Christus, die het beeld Gods is.” Al degenen, die geen bepaalde volgelingen van Christus zijn, zijn dienstknechten van de Satan. In het hart, dat niet wedergeboren is, woont de liefde tot de zonde, en een neiging om die te koesteren en te verontschuldigen. In het ver-nieuwde hart leeft er haat en besliste tegenstand tegen de zonde. Wanneer Christenen het gezelschap van goddelozen en ongelovigen verkiezen, stellen ze zich aan verleiding bloot. Satan verbergt zich voor hun blik, en trekt hun steelsgewijze zijn bedriegelike sluier voor de ogen. Ze kunnen niet inzien, dat zulk gezelschap hun noodzakelik kwaad moet doen; en naarmate ze van lieverlede in karakter, woorden en handelingen de wereld meer gelijk worden, geraken ze meer en meer verblind.

Gelijkvormigheid aan wereldse gebruiken bekeert de kerk tot de wereld, en nooit de wereld tot Christus. Vertrouwd-heid met de zonde doet die onvermijdelik minder afstotelik schijnen. Hij, die omgang met de dienstknechten van Satan verkiest, zal spoedig zijn vrees voor hun meester verliezen. Wanneer wij op het pad der deugd in verzoeking worden gebracht, gelijk Daniël aan het hof van de koning, kunnen we er ons van verzekerd houden, dat God ons zal beschermen; maar indien we onszelven in verleiding plaatsen, zullen we vroeger of later vallen.

De verleider werkt dikwels met de beste uitslag door degenen, die het minst verdacht worden van onder zijn heerschappij te staan. Zij, die talenten en opvoeding bezitten, worden bewonderd en geëerd, alsof die hoedanigheden de afwezigheid van de vreze Gods vergoedden, of de mensen aanspraak gaven op Zijn gunst. Talent en ontwikkeling zijn, op zichzelf beschouwd, gaven Gods; maar indien men ze de plaats van godsvrucht laat innemen; indien ze, in stede van de ziel dichter tot God te brengen, van Hem wegleiden, worden ze een vloek en een valstrik. Velen zijn van oordeel, dat alles wat op welgemanierdheid of beschaving gelijkt, enigermate tot Christus moet behoren. Maar er is geen grotere vergissing denkbaar. Deze hoedanigheden behoorden het karakter van iedere Christen te versieren, omdat ze een krachtige invloed zouden uitoefenen ten gunste van ware godsvrucht; maar ze moeten aan God gewijd zijn, of zijn evenzeer een kracht ten kwade. Menigeen met een beschaafd verstand en aangename manieren, die zich niet zou verlagen tot wat gewoonlik een zedeloze daad genoemd wordt, is niets dan een gepolijst werktuig in de handen van de Satan. De sluwe, bedriegelike aard van zijn invloed en voorbeeld maakt hem een gevaarliker vijand voor de zaak van Christus dan degenen, die onwetend en onbeschaafd zijn.

Salomo verkreeg de wijsheid, die de verbazing en bewondering van de wereld opwekte, door ernstig gebed en afhankelikheid van God. Maar toen hij zich van de Bron van zijn kracht afwendde, en op zichzelf vertrouwende zijn weg ging, viel hij ten prooi aan verleiding. Toen maakten de verwonderlike geestesgaven, die aan de wijste van alle koningen geschonken waren, hem slechts een geschikter werktuig in de hand van de vijand van zielen.

Laten de Christenen nooit vergeten, al tracht Satan voortdurend hun verstand voor het feit te verblinden, dat ze “de strijd hebben niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelike boosheden in de lucht.” De waarschuwing van de Schrift klinkt door de eeuwen heen tot op onze tijd: “Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden.” “Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat ge kunt staan tegen de listige omleidingen van de duivel.”

Van de dagen van Adam af tot op onze tijd heeft onze grote vijand zijn macht gebruikt om te onderdrukken en te vernielen. Hij bereidt zich nu voor op zijn laatste strijd tegen de kerk. Al degenen, die Jezus trachten te volgen, zullen deze onverbiddelike vijand moeten ontmoeten. Hoe getrouwer de Christen het Goddelike Voorbeeld navolgt, des te zekerder maakt hij zich tot een mikpunt voor de aanvallen van de Satan. Al degenen, die werkzaam zijn in de zaak van God, die trachten het bedrog van de boze te ontsluieren, en Christus aan de mensen voor te stellen, zullen de verklaring van Paulus kunnen beamen, waarin hij spreekt van de Heer te dienen met alle ootmoedigheid, en veel tranen en verzoekingen.

Satan viel Christus aan met zijn sterkste en sluwste verleidingen, maar hij werd in iedere kamp verslagen. Die strijd werd ten behoeve van ons gevoerd; die overwinningen maken het voor ons mogelik om te zegevieren. Christus zal kracht geven aan allen, die ernaar zoeken. Niemand kan zonder zijn eigen toestemming door Satan overwonnen worden. De verleider heeft geen macht om de wil te be-heersen, of de ziel tot zonde te dwingen. Hij mag plagen, maar hij kan niet besmetten. Hij kan zielsangst veroorzaken, maar geen verontreiniging. Het feit, dat Christus overwonnen heeft, behoort Zijn volgelingen moed in te boezemen om de strijd tegen de zonde en Satan manmoedig te voeren.