31. Het Werk van Boze Geesten

Het verband tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld, de dienst van Gods engelen en het werk van boze geesten, wordt in de Schrift duidelik geopenbaard, en is onafscheidelik samengeweven met de geschiedenis van de mens. Er bestaat een toenemende neiging om niet te geloven aan het bestaan van boze geesten, terwijl de heilige engelen, “die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven,” door velen voor de geesten van afgestorvenen gehouden worden. Maar de Schrift leert niet alleen het bestaan van engelen, goede zowel als boze, maar levert onbetwistbaar bewijs, dat ze niet de van het lichaam gescheiden geesten van de doden zijn.

Nog eer de mens geschapen werd, bestonden de engelen; want toen de fondamenten van de aarde gelegd werden, “zongen de morgensterren tezamen vrolik, en juichten al de kinderen Gods.” Na de val van de mens werden er engelen gezonden om de boom des levens te bewaken, en dit nog vor er een menselik wezen gestorven was. Engelen staan volgens hun natuur hoger dan de mensen; want de psalmist zegt, dat de mens “een weinig minder gemaakt is dan de engelen.”

In de Schrift wordt ons het aantal, de macht en heerlikheid van de hemelse wezens, hun betrekking tot de regering van God, alsmede hun verband met het verlossingswerk bekend gesteld. “De Heer heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd; en Zijn koninkrijk heerst over allen.” En de profeet zegt: “Ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon.” Ze staan als wachters in de tegenwoordigheid van de Koning der koningen—“engelen, krachtige helden,” “Zijn dienaars, die Zijn welbehagen doen,” “die Zijn woord doen, gehoorzamende de stem van Zijn woord.” Tien duizend maal tien duizenden en duizendmaal duizenden was het getal van de hemelse boodschappers, die de profeet Daniël zag. De apostel Paulus noemt hen “de vele duizenden van engelen.” Ze gaan uit als Gods boodschappers, als “de gedaante van een weerlicht,“ z— verblindend is hun heerlikheid, z— snel is hun vlucht. De engel, die aan het graf van de Heiland verscheen, had een “gedaante gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw,” en hij deed de wachters beven van vrees voor hem, en “ze werden als doden.” Toen Sanherib, de hoogmoedige Assyriër, God hoonde en lasterde, en Israël met ondergang bedreigde, “geschiedde het dan in diezelfde nacht, dat de engel des Heren uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend.” Er werden verdelgd “alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten” in het leger van Sanherib. “Zo is hij met schaamte des aangezichts in zijn land wedergekeerd.”

Engelen worden uitgezonden om boodschappen van barmhartigheid aan de kinderen Gods over te brengen. Tot Abraham gingen ze met beloften van zegeningen; naar de poorten van Sodom, om de rechtvaardige Lot te redden van de verwoesting van het vuur; naar Elia, toen hij van vermoeienis en honger dreigde om te komen in de woestijn; naar Eliza met vurige wagenen en paarden, het stadje omringende, waar hij door zijn vijanden ingesloten was; naar Daniël, toen hij Goddelike wijsheid zocht aan het hof van een heidens koning, of overgegeven was om aan de leeuwen ten prooi te worden; naar Petrus, toen hij ter dood veroordeeld lag in de kerker van Herodus; naar de gevangenen te Filippi; naar Paulus en zijn metgezellen in de nacht van de storm op de zee; om het hart van Cornelius te openen voor de ontvangst van het evangelie; om Petrus met een boodschap van zaligheid af te vaardigen naar een heidense vreemdeling,— aldus hebben heilige engelen alle eeuwen door Gods volk gediend.

Voor iedere volgeling van Christus wordt een beschermengel aangesteld. Deze hemelse wachters beveiligen de rechtvaardigen voor de macht van de boze. Dit erkende Satan zelf, toen hij sprak: “Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom?” Het werktuig, waardoor God Zijn volk beschermt, wordt in de woorden van de psalmist uitgedrukt: “De Engel des Heren legert zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.” De Heiland zei, sprekende van hen, die in Hem geloven: “Ziet toe, dat ge niet een van deze kleinen veracht; want Ik zeg ulieden, dat hun engelen in de hemelen altijd zien het aangezicht van Mijn Vader.” De engelen, welke aangesteld zijn om de kinderen Gods te dienen, hebben te allen tijde toegang tot Zijn tegenwoordigheid.

Aldus is Gods volk, dat aan de verleidende macht en de nimmer sluimerende kwaadaardigheid van de vorst der duisternis is blootgesteld, en de strijd te voeren heeft met al de machten van het boze, verzekerd van de onvermoeide waakzaamheid van hemelse engelen. Ook wordt zodanige verzekering niet zonder oorzaak geschonken. Indien God Zijn kinderen een belofte van genade en bescherming gedaan heeft, is het omdat ze met machtige werktuigen van het kwaad te doen zullen hebben,— Satans deelgenoten, talrijk, vastberaden, en onvermoeid, aangaande wier kwaadaardigheid en macht niemand onwetend of onverschillig kan zijn, en zich veilig rekenen.

De boze geesten, in het begin zonder zonde geschapen, waren wat natuur, macht en heerlikheid betreft, gelijk aan de heilige wezens, die nu Gods boodschappers zijn. Maar door zonde gevallen, hebben ze een onderling verbond ge-sloten om God te onteren, en de mensen in het verderf te storten. Met Satan verbonden in zijn opstand, en met hem uit de hemel geworpen, zijn ze door al de volgende eeuwen heen zijn medegenoten gebleven in zijn strijd tegen het Goddelik gezag. In de Schrift wordt ons melding gemaakt van hun samenzwering en regering, van hun verschillende orden, van hun verstand en geslepenheid, en van hun boosaardige plannen tegen de vrede en het geluk van de mensen.

De Oud-Testamentiese geschiedenis maakt hier en daar gewag van hun bestaan en handelingen; maar het was gedurende de tijd, dat Christus op aarde was, dat de boze geesten hun macht op de treffendste wijze openbaarden. Christus was gekomen om het plan ten uitvoer te brengen, dat tot redding van de mens was uitgedacht, en Satan was besloten, zijn recht op de heerschappij van de wereld te laten gelden. Hij was erin geslaagd, overal op aarde afgodedienst in te voeren, behalve in het land Palestina. Christus kwam tot het enige land, dat niet volkomen voor de macht van de verleider gebukt had, om over het volk hemels licht te doen schijnen. Hier stonden twee wedijverende machten naar het oppergezag. Jezus opende Zijn liefdearmen, en nodigde allen uit, die vergiffenis en vrede door Hem wensten te vinden. De heirscharen der duisternis zagen, dat ze geen onbegrensde macht bezaten, en begrepen, dat indien Christus’ zending slagen zou, hun regering spoedig ten einde zou zijn. Satan woedde als een geketende leeuw, en toonde op uitdagende wijze Zijn macht over de lichamen zowel als de zielen van de mensen.

Het feit, dat mensen van duivelen bezeten Zijn geweest, wordt in het Nieuwe Testament duidelik gemeld. De personen, die aldus bezocht waren, leden niet alleen aan ziekte ten gevolge van natuurlike oorzaken. Christus verstond volkomen, waarmede Hij te doen had, en herkende de bepaalde tegenwoordigheid en het werk van boze geesten.

Een treffend voorbeeld van hun aantal, macht, en vijandigheid, zowel als van de macht en barmhartigheid van Christus wordt in het bijbelverhaal van de genezing van de bezetenen te Gadara aangegeven. Deze ellendige waanzinningen, alle banden afschuddende, zich verwringende, schuimende en razende, vervulden de lucht met hun kreten, deden zichzelven geweld aan, en waren gevaarlik voor allen, die in hun nabijheid kwamen. Hun bloedende en misvormde lichamen en hun razernij boden een schouwspel aan, dat aan de vorst der duisternis zeer welgevallig was. Een van de duivelen, die in de lijders gevaren waren, verklaarde: “Mijn naam is Legio, want wij zijn velen.” Bij het Romeinse leger bestond een legioen uit drie tot vijf duizend man. Satans legerscharen zijn ook in troepen gerangschikt, en de biezondere afdeling, waartoe deze duivelen behoorden, telde niet minder dan een legioen.

Op Jezus’ bevel voeren de boze geesten uit hun slachtoffers, en lieten hen rustig zittende aan de voeten van de Heiland achter, onderworpen, verstandig, en zachtmoedig. Maar aan de duivelen werd toegestaan, een kudde zwijnen in de zee te doen storten; en voor de inwoners van Gadara was het verlies hiervan groter dan de zegeningen, die Christus geschonken had, en de Goddelike Heelmeester werd verzocht om te vertrekken. Dit was de uitkomst, welke Satan zich had willen verzekeren. Door de blaam voor hun verlies op Jezus te werpen, wekte hij de zelfzuchtige vrees van de mensen op, en weerhield hen van naar Zijn woorden te luisteren. Satan beschuldigt de Christenen gedurig als de oorzaak van verlies, ongeluk en lijden, in plaats van de blaam te laten vallen, waar die thuis behoort, namelik op hemzelf en zijn handlangers.

Doch Christus’ doel werd niet verijdeld. Hij liet de boze geesten toe, de kudde zwijnen te doen omkomen als straf voor die Joden, welke deze onreine dieren aanteelden om er winst mede te doen. Indien Christus de duivelen niet had weerhouden, ze zouden niet alleen de zwijnen, maar ook hun wachters en eigenaars in de zee gestort hebben. Het behoud van de wachters zowel als van de eigenaars was alleen te danken aan Zijn macht, die in genade tot hun redding werd uitgeoefend. Dan ook werd deze gebeurtenis toegelaten, opdat de discipelen getuigen zouden zijn van de wrede macht van Satan over mens en dier beide. De Heiland wilde, dat Zijn volgelingen kennis zouden hebben aan de vijand, met wie ze te doen zouden hebben, opdat ze niet door zijn lagen bedrogen en overwonnen zouden worden. Ook wilde Hij, dat het volk uit die streek de macht zou aan-schouwen, die Hij had om de banden van de Satan te verbreken, en zijn gevangenen in vrijheid te stellen. En ofschoon Jezus zelf vertrok, bleven de mannen, die Hij zo wonderdadig verlost had, achter, om de barmhartigheid van hun weldoener te verkondigen.

Er staan andere gevallen van gelijke aard in de Schrift opgetekend. De dochter van de Syro-Feniciese vrouw was gans en al onder de macht van een onreine geest, welke Jezus uitwierp door Zijn woord. Een “van de duivel bezeten, die blind en stom was;” een jongeling, die een stomme geest had, welke “hem menigmaal in het vuur en in het water wierp, om hem te verderven;” de bezetene, welke, door “een geest van een onreine duivel” geplaagd, de Sabbatsrust van de synagoge te Kapernaüm verstoorde,— deze allen werden door de medelijdende Heiland geheeld. In bijna ieder geval sprak Christus de duivel aan als een zelfbewust wezen, hem bevelende, uit te gaan van zijn slachtoffer, en het niet verder te kwellen. De verzamelde gemeente te Kapernaüm, zijn grote kracht ziende, was verbaasd, en “ze spraken samen tot elkander, zeggende: Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht de onreine geesten gebiedt, en ze varen uit?”

Zij, die van duivel bezeten waren, worden gewoonlik voorgesteld als in zwaar lijden verkerende; toch waren er uitzonderingen op deze regel. Om bovennatuurlike macht te verkrijgen, stelden sommigen zich open voor de invloed van Satan. Natuurlik hadden die geen strijd te voeren met de duivelen. Tot deze klasse behoorden diegenen, die de geest van waarzeggerij hadden,— Simon Magus, Elymas de tovenaar, en de dienstmaagd, die Paulus en Silas te Filippi volgde.

Niemand is in groter gevaar van onder de invloed van boze geesten te geraken, dan zij, die, niettegenstaande het duidelike en overvloedige getuigenis van de Schrift het bestaan en werk van de duivel en zijn engelen ontkennen. Zolang we hun bedrog niet inzien, behalen ze bijna onberekenbaar voordeel op ons; en velen slaan acht op hun inblazingen, terwijl ze menen te volgen, wat hun eigen wijsheid hun voorschrijft. Dit is de reden waarom Satan, naarmate we het einde nader komen, wanneer de duivel het machtigst zal werken om te bedriegen en te verwoesten, overal het geloof verspreidt, dat hij niet bestaat. Zijn wijze van doen is, zichzelf en de manier, waarop hij werkt, te verbergen.

Er is niets, waarvoor de grote bedrieger z— zeer vreest, dan dat wij bekend zullen worden met zijn lagen. Ten einde zijn ware karakter en bedoelingen beter te vermommen, heeft hij zich z— laten voorstellen, dat hij geen sterker gevoelen gaande maakt dan spot of verachting. Hij schept er behagen in, afgebeeld te worden als een bespottelik of walgelik voorwerp, mismaakt, half dier en half mens. Hij hoort gaarne zijn naam in een grap of spot noemen door degenen, die zichzelven voor verstandige, welingelichte mensen houden.

Het is omdat hij zich met zulk een volmaakte behendigheid vermomd heeft, dat de vraag zo algemeen gedaan wordt: “Bestaat er waarlik zulk een wezen?” Het is een bewijs van het welgelukken van zijn arbeid, dat theorieën, die het eenvoudigste getuigenis van de Schriften tot leugen maken, zo algemeen in de godsdienstige wereld aangenomen worden. Maar juist omdat Satan de harten van hen, die geen bewustzijn van zijn invloed hebben, het gemakkelikst kan beheersen, geeft Gods woord ons zoveel voorbeelden van zijn boosaardig werk, ontmaskert zijn geheime krachten voor ons, en stelt ons aldus op onze hoede tegen zijn aanvallen.

De macht en kwaadwillendheid van Satan en zijn heir zouden ons met recht mogen verontrusten, was het niet, dat we heul en redding konden vinden door de kracht van onze Heiland, welke de zijne te boven gaat. We verzekeren onze huizen zorgvuldig met grendelen en sloten om ons eigendom en leven tegen boze mensen te beveiligen; maar we denken zelden aan de boze engelen, die voortdurend toegang tot ons zoeken te verkrijgen, en tegen wier aanvallen wij in eigen kracht geen middel tot verdediging hebben. Indien ze toegelaten worden, kunnen ze ons verstand verwarren, onze licha-men plagen en kwellen, onze bezittingen en ons leven vernielen. Hun enig vermaak ligt in ellende en verwoesting. Vreselik is de toestand van hen, die Gods eisen weerstaan, en toegeven aan Satans verleidingen, totdat God hen overgeeft aan de macht van boze geesten. Maar zij, die Christus volgen, zijn immer veilig onder Zijn wakende zorg. Engelen, uitnemend in kracht, worden van de hemel gezonden om hen te geschermen. De goddelozen kunnen niet door de wacht heenbreken, die God rondom Zijn volk heeft gesteld.