32. Strikken van de Satan

De grote strijd tussen Christus en Satan, die al bijna zes duizend jaren lang gevoerd is, zal spoedig ten einde worden gebracht; en de boze verdubbelt zijn pogingen om het werk van Christus ten behoeve van de mens te verijdelen, en zielen in zijn strikken te vangen. Het doel, dat hij tracht te bereiken, is, de mensen in duisternis en onboetvaardigheid te houden, totdat het werk van de Heiland als Middelaar een einde neemt, en er geen verdere offerande voor de zonde zal zijn.

Wanneer er geen bepaalde poging in het werk gesteld wordt om zijn macht te weerstaan; wanneer er in de kerk en de wereld onverschilligheid heerst, is Satan gerust; want dan verkeert hij niet in gevaar van diegenen te verliezen, welke hij naar goedvinden gevangen houdt. Maar wanneer de aandacht gevestigd wordt op zaken, die de eeuwigheid betreffen, en er zielen zijn, die vragen: “Wat moet ik doen om zalig te worden?” dan is hij op het toneel, en zoekt zijn macht te meten met die van Christus, en de invloed van de Heilige Geest tegen te werken.

De Schrift zegt ons, dat bij één gelegenheid, toen de engelen Gods kwamen om zich voor de Heer te stellen, Satan ook onder hen verscheen, niet om zich voor de eeuwige Koning te buigen, maar om zijn eigen kwaadaardige plannen tegen de rechtvaardigen te bevorderen. Met datzelfde doel is hij tegenwoordig, wanneer er mensen samenkomen om God te aanbidden. Ofschoon voor het oog verborgen, werkt hij met alle ijver om de harten van de aanbidders in beslag te krijgen. Als een kundig krijgsoverste maakt hij zijn plannen vooruit. Terwijl hij de boodschapper Gods de Schrift ziet onderzoeken, let hij op het onderwerp, waarbij de gemeente bepaald zal worden. Dan stelt hij al zijn geslepenheid en sluwheid te werk om de omstandigheden z— te schikken, dat de boodschap diegenen niet zal bereiken, welke hij juist op dat punt bezig is te bedriegen. De persoon, die de boodschap het meest nodig heeft, wordt met de een of andere handels-transaktie beziggehouden, welke zijn tegenwoordigheid vereist, of op andere wijze verhinderd, de woorden te horen, die hem misschien een reuk des levens ten leven zouden gebleken zijn.

Of anders ziet Satan de dienstknechten des Heren gebukt gaan onder de geestelike duisternis, waarin de mensen verkeren. Hij hoort hun ernstige gebeden om Goddelike genade en kracht, om de betoverende invloed van onverschilligheid, zorgeloosheid en traagheid te verbreken. Dan brengt hij met vernieuwde ijver zijn kunstgrepen in beoefening. Hij verleidt de mensen tot het toegeven aan hun eetlust, of enige andere wijze van zelfbevrediging, en verstompt op die wijze hun fijngevoeligheid, zodat ze juist die dingen, welke ze het meest nodig hebben te leren, niet horen.

Satan weet goed, dat allen, die hij er toe brengen kan om het gebed en onderzoek van de Schrift te verwaarlozen, voor zijn aanvallen zullen zwichten. Daarom verzint hij alle mogelike plannen om het verstand te boeien. Er is altijd een klasse van mensen geweest, die zich godzalig voordoen, en die in plaats van de waarheid verder te onderzoeken, er hun godsdienst van maken, het een of andere gebrek in het karakter, of dwaling in het geloof op te sporen in degenen, van wie ze verschillen. Dezulken zijn Satans rechterhand in zijn werk. Er zijn niet weinig beschuldigers van de broederen; en ze zijn altijd in de weer, wanneer God werkt, en Zijn dienstknechten Hem ware hulde brengen. Ze stellen de woorden en handelingen van hen, die de waarheid liefhebben en gehoorzamen, in een vals licht. Ze doen de ernstigste, ijverigste, en meest zelfopofferende dienstknechten van Christus voorkomen als bedrogenen of bedriegers. Hun werk is, de beweegredenen van iedere wezenlik edele daad verkeerd voor te stellen, om toespelingen rond te strooien, en verdenking op te wekken in het hart van hen, die weinig ondervinding gehad hebben. Op iedere denkbare wijze trachten ze, wat rein en rechtvaardig is, te doen aanzien als besmet en bedriegelik.

Doch niemand behoeft omtrent dezulken in twijfel te verkeren. Het laat zich gemakkelik zien, wiens kinderen ze zijn, wiens voorbeeld ze volgen, en wiens werk ze doen. “Aan hun vruchten zult ge hen kennen.” Hun handelwijze gelijkt op die van Satan, de giftige lasteraar, “de verklager van onze broederen.”

De grote bedrieger heeft veel handlangers, die gereed staan om elke en iedere soort van dwaling in omloop te brengen om zielen te vangen,— ketterijen, die bestemd zijn om de verschillende smaken en bekwaamheden te passen van hen, die hij ten val wenst te brengen. Het is zijn doel om onoprechte, boze elementen in de kerk te brengen, die twijfel en ongeloof bevorderen, en allen te hinderen, die Gods werk wensen te doen vooruit gaan, en er zelven mede wensen te vorderen. Velen, die niet waarlik in God of Zijn woord geloven, stemmen in de ene of andere grondregel van waarheid toe, gaan voor Christenen door, en worden aldus in de gelegenheid gesteld om hun dwalingen als schriftuurlike leer in te voeren.

De stelling, dat het er niet op aan komt, wat de mensen geloven, is een van Satans best gelukte bedriegerijen. Hij weet, dat de waarheid, in liefde aangenomen, de ziel van de ontvanger heiligt; vandaar dat hij voortdurend tracht om er valse theorieën en fabelen, een ander evangelie, voor in de plaats te stellen. Van het eerste begin aan hebben Gods dienstknechten gestreden tegen valse leraren, niet maar alleen als tegen boze mensen, maar als tegen inbrengers van leugenen, die de ziel doden. Elia, Jeremia en Paulus stelden zich vastberaden en onbevreesd tegen hen, die de mensen van Gods woord aftrokken. De vrijgeestigheid welke een juiste godsdienstige overtuiging als onbelangrijk beschouwt, vond geen genade bij die heilige verdedigers van de waarheid.

De onbestemde en grillige uitleggingen van de Schrift, en de vele strijdige theorieën aangaande godsdienstige overtuiging, welke in de Christelike wereld gevonden worden, zijn het werk van onze grote vijand, om het verstand van de mensen z— te verzwakken, dat ze de waarheid niet zullen kunnen onderscheiden. En de tweedracht en onenigheid, welke onder de kerken van de Christenheid bestaan, zijn voor een groot deel te wijten aan de heersende gewoonte van de Schriften te verdraaien, ten einde een fondament te vinden voor een geliefkoosde theorie. In plaats van Gods woord met zorg te onderzoeken, om in eenvoud van hart Zijn wil te leren kennen, trachten velen iets buitengewoons of oorspronkeliks te ontdekken.

Tot steun van dwaalleer of onchristelike handelingen beroepen sommigen zich op schriftuurplaatsen, die uit hun verband gerukt zijn, ja, men haalt soms slechts de helft van een enkel vers aan om zijn punt te bewijzen, wanneer het overige deel zou aantonen, dat de betekenis geheel en al het tegenovergestelde is. Listig als de slang verschuilt men zich achter onsamenhangende gezegden, samengeraapt om aan de vleselike begeerten te voldoen. Aldus verdraaien velen opzettelik Gods woord. Anderen, die een levendige verbeelding hebben, nemen de beelden en symbolen uit de Heilige Schrift, en leggen ze uit naar hun wijze van denken, zonder veel acht te slaan op het getuigenis van de Bijbel, dat hij zichzelf verklaart; en geven dan hun grillige voorstellingen als bijbelleer uit.

Wanneer men de Schrift onderzoekt zonder een biddende, eenvoudige, en voor lering vatbare geest, missen de duidelikste en eenvoudigste even goed als de moelikste teksten hun ware betekenis. De pauselike leiders kiezen zulke gedeelten uit de Schrift als het best voor hun doel geschikt zijn, leggen die uit naar het hun het meest past, en geven ze op die wijze aan de mensen, aan wie ze daarbij het recht ontzeggen om de Bijbel te onderzoeken, en de daarin vervatte heilige waarheden voor zichzelven te verstaan. De gehele Bijbel behoort aan het volk gegeven te worden, juist zoals die daar geschreven staat. Het zou beter voor hen zijn om in het geheel geen bijbelonderricht te hebben, dan dat de leer van de Schrift zo schandelik verkeerd wordt uitgelegd.

De Bijbel is bedoeld om een gids te zijn voor allen, die de wil van hun Schepper wensen te leren kennen. God gaf de mens het vaste woord van de profetie; engelen en zelfs Christus in eigen persoon kwamen om aan Daniël en Johannes de dingen te openbaren, welke binnen kort moeten plaats hebben. Die belangrijke zaken, welke tot onze zaligheid dienen, zijn niet verborgen gelaten. Ze zijn niet op zulk een wijze geopenbaard, dat ze de eerlike navorser van de waarheid zouden verwarren of misleiden. De Heer zegt bij monde van de profeet Habakuk: “Schrijf het gezicht, en stel het duidelik op tafelen, . . . opdat daarin leze die voorbijloopt.” Gods Woord is duidelik voor allen, die het met een biddend hart onderzoeken. Iedere waarlik eerlike ziel zal tot het licht van de waarheid komen. “Het licht is voor de rechtvaardige gezaaid.” En geen kerk kan in heiligheid toenemen, tenzij de leden ervan ernstig naar waarheid zoeken als naar verborgen schatten.

Door de kreet van Vrijzinnigheid worden de mensen verblind voor de aanslagen van hun wederpartij, die aldoor rustig arbeidt aan de bereiking van zijn doel. Naarmate hij erin slaagt, menselike verzinselen de plaats van de Bijbel te laten innemen, wordt Gods wet op zijde gezet, en liggen de kerken in de slaveboei der zonde, terwijl ze beweren, vrij te zijn.

Voor velen zijn wetenschappelike nasporingen een vloek geworden. God heeft toegelaten, dat er een vloed van licht over de wereld is uitgestort door de ontdekkingen op het gebied van wetenschap en kunst; maar zelfs de grootste geesten komen tot verwarring in hun pogen om de onderlinge verhouding van wetenschap en openbaring te door-gronden, zo ze niet door het woord van God in hun onderzoek worden geleid.

Menselike kennis zowel van stoffelike als van geestelike dingen is eenzijdig en onvolmaakt; daarom zijn er velen niet in staat om hun inzichten over de wetenschap te rijmen met verklaringen in de Schrift. Velen nemen blote theorieën en gissingen als wetenschappelike feiten aan, en denken, dat Gods woord beproefd kan worden door de leerstellingen van de “wetenschap, die valselik zo genoemd wordt.” De Schepper en Zijn werken gaan hun begrip te boven; en omdat ze die niet volgens natuurlike wetten kunnen verklaren, wordt de bijbelgeschiedenis als onbetrouwbaar beschouwd. Degenen, welke de betrouwbaarheid van de oorkonden van het Oude en Nieuwe Testament betwijfelen, gaan maar al te dikwels een stap verder, beginnen te twijfelen aan het bestaan van God, en schrijven oneindige macht aan de natuur toe. Daar ze hun anker hebben laten glippen, zwalken ze rond tussen de rotsen van het ongeloof.

Aldus dwalen er velen van het geloof af, en worden door de duivel verleid. De mens heeft getracht, wijzer te zijn dan zijn Schepper; de menselike wijsbegeerte heeft geheimen, welke de eeuwen door nimmer geopenbaard zullen worden, pogen uit te vorsen en te verklaren. Indien de mensen slechts wilden onderzoeken en verstaan wat God van Zichzelf en Zijn raadsbesluiten heeft bekend gemaakt, zouden ze zoveel van de heerlikheid, de majesteit, en de macht van Jehova aanschouwen, dat ze hun eigen nietigheid leerden beseffen, en tevreden zouden zijn met hetgeen ten nutte van hen en hun kinderen geopenbaard is.

De slimste van Satans bedriegelike omleidingen is, dat hij de mens aanhoudend doet zoeken en gissen naar hetgeen God niet bekend gemaakt heeft, en dat niet in Zijn voornemen ligt dat door ons verstaan zal worden. Op die wijze verloor Lucifer zijn plaats in de Hemel. Hij werd ontevreden, omdat al de geheimen van Gods raad hem niet werden toevertrouwd, en hij sloeg volstrekt geen acht meer op hetgeen geopenbaard was betreffende zijn eigen werk in de verheven plaats, welke hem was toegewezen. Door gelijke ontevredenheid bij de engelen, die onder zijn bevel stonden, op te wekken, veroorzaakte hij hun val. Nu tracht hij de harten van de mensen van dezelfde geest te laten doordringen, en er hen toe te brengen, ook de direkte bevelen Gods te minachten.

Zij, die ongewillig zijn om de duidelike, scherpe waarheden van de Bijbel aan te nemen, zoeken voortdurend naar schoonklinkende fabelen, welke het geweten tot zwijgen brengen. Hoe minder geestelik, zelfverloochenend, en verootmoedigend de leerstellingen zijn, die gepredikt worden, des te meer vallen ze in de gunst. Zulke personen verlagen hun verstandelike vermogens om hun vleselike lusten te dienen. Te wijs in eigen ogen om de Schrift met verslagenheid van ziel, en ernstig gebed om Goddelike leiding te onderzoeken, hebben ze niets om zich tegen dwalingen te beveiligen. Satan is gereed om aan de wens van het hart te voldoen, en weet het zo te schikken, dat zijn drogredenen in de plaats van de waarheid ontvangen worden. Aldus was het, dat het pausdom zijn macht verkreeg over de harten van de mensen; en de Protestanten volgen hetzelfde pad door de waarheid te verwerpen, omdat die kruisdragen met zich brengt. Al degenen, welke het onderzoek van Gods woord verwaarlozen uit gemakzucht en politiek, om niet van de wereld te verschillen, zullen aan zichzelven overgelaten worden, en schandelike ketterij voor godsdienstige waarheid aannemen. Iedere denkbare vorm van dwaling zal aanvaard worden door hen, die met opzet de waarheid verwerpen. Wie met afschuw op de ene vorm van bedrog neerziet, zal geredelik in een andere vallen. De apostel Paulus, van een klasse sprekende, die “de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden,” zegt: “Daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat ze de leugen zouden geloven, opdat ze allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.” Met zulk een waarschuwing vor ons, past het ons, op onze hoede te zijn met betrekking tot de leerstellingen, die we aannemen.

Tot de dingen, waar de grote bedrieger het best mede slaagt, behoren de bedriegelike leringen en leugenachtige wonderen van het Spiritualisme. Vermond als een engel des lichts, spreidt hij zijn netten waar die het minst ver-moed worden. Indien de mensen Gods Boek maar wilden onderzoeken met ernstig gebed, om het te mogen verstaan, zouden ze niet in het duister gelaten worden, en geen valse leerstellingen aannemen. Maar omdat ze de waarheid verwerpen, vallen ze ten prooi aan bedrog.

Een verdere gevaarlike dwaling is de leer, die de Godheid van Christus ontkent, en beweert dat Hij niet bestond vor Zijn verschijnen in deze wereld. Deze theorie wordt gunstig ontvangen door een grote klasse die belijdt in de Bijbel te geloven; en toch spreekt hij de duidelikste verklaringen van onze Heiland betreffende Zijn verhouding tot de Vader, Zijn Goddelik karakter, en Zijn voorbestaan direkt tegen. Men kan er zelfs het oor niet aan lenen zonder de meest ongegronde verdraaiing van de Schriften. Het verlaagt niet alleen ‘s mensen opvatting van het werk van de verlossing, maar ondermijnt het geloof in de Bijbel als een openbaring van God. Terwijl dit deze theorie des te gevaarliker maakt, maakt het het ook moeiliker om hem te wederleggen. Indien de mensen het getuigenis van de Schrift, die door ingeving geschreven is, verwerpen, wat de Godheid van Christus betreft, heeft het geen zin, het punt met hen te bespreken, want geen bewijsgrond, hoe afdoend ook, zou hen kunnen overtuigen. “De natuurlike mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want ze zijn hem dwaasheid; en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelik onderscheiden worden.” Niemand, die in die dwaalleer gelooft, kan een waar begrip hebben van het karakter of de zending van Christus, of van het grote plan Gods voor de verlossing van de mens.

Nog een andere sluwe en verderfelike dwaling is het zich snel verspreidende geloof, dat de Satan niet als persoonlik wezen bestaat; dat de naam slechts gebruikt wordt in de Schrift om de kwade gedachten en begeerten van mensen voor te stellen.

De leer, die zo algemeen van de volkskansels weerklinkt, dat de wederkomst van Christus Zijn komen is tot ieder mens bij de dood, is een toeleg om de harten van de mensen van Zijn persoonlike komst op de wolken des hemels af te trekken. Jaren lang reeds heeft Satan gezegd: “Ziet, hij is in de binnenkameren;” en vele zielen zijn verloren gegaan door dit bedrog aan te nemen.

Dan ook weer leert de wereldse wijsheid, dat bidden niet noodzakelik is. De mannen van de wetenschap beweren, dat er geen wezenlik antwoord op het gebed zijn kan; dat dit een wetsverkrachting, een wonder zou zijn, en dat er geen wonderen bestaan. Het heelal, zeggen ze, wordt door vaste wetten beheerst, en God-zelf doet niets dat met die wetten in strijd is. Aldus stellen ze God voor als door Zijn eigen wetten gebonden,— alsof de werking van Goddelike wetten de Goddelike vrijheid zou kunnen buitensluiten. Zulke leer is in strijd met wat de Schrift zegt. Werden er geen won-deren gedaan door Christus en Zijn apostelen? Dezelfde medelijdende Heiland leeft heden ten dage nog, en is nog even gewillig om het gebed des geloofs te verhoren, als toen Hij zichtbaar onder de mensen rondwandelde. Het natuurlike werkt samen met het bovennatuurlike. Het is een deel van Gods plan, ons in antwoord op het gelovig gebed datgene toe te staan, dat Hij ons niet zou schenken, indien we er niet aldus om vroegen.

Ontelbaar zijn de dwaalleringen en grillige denkbeelden, welke in de kerken van de Christenheid aangetroffen worden. Het is onmogelik om de kwade gevolgen te schatten van het wegnemen van een van de bakens, die Gods woord gesteld heeft. Weinigen van hen, die dat wagen, houden bij de eerste verworpen waarheid op. De meesten gaan verder, en stellen het ene beginsel van de waarheid na het andere ter zijde, totdat ze wezenlike ongelovigen worden.

De dwalingen van de algemeen aangenomen godgeleerdheid hebben menig een ziel tot twijfelzucht gedreven, die anders wellicht in de Schrift zou hebben geloofd. Het is zo iemand onmogelik, leerstellingen aan te nemen, die zijn gevoelens over rechtvaardigheid, barmhartigheid, en milddadigheid geweld aandoen; en daar deze als de leer van de Bijbel voorgesteld worden, weigert hij hem als Gods woord aan te nemen.

Dit is juist het doel, dat Satan zoekt te bereiken. Hij verlangt niets zozeer als het vertrouwen op God en Zijn woord te niet te doen. Satan staat aan het hoofd van het grote leger van twijfelaars, en gebruikt al zijn macht, om zielen in zijn gelederen te lokken. Twijfelen komt in de mode. Er is een grote klasse van mensen, die Gods woord met wantrouwen aanziet, en dat om dezelfde reden als ze het de Schrijver ervan doen — omdat het de zonde bestraft en veroordeelt. Zij, die onwillig zijn om te doen wat het vraagt, trachten het gezag ervan omver te werpen. Ze lezen de Bijbel, of luisteren naar zijn leer, zoals die van de gewijde kansel wordt gepredikt, eenvoudig om aanmerkingen te maken op de Schrift of de preek. Niet weinigen worden ongelovigen, om zich wegens plichtverzuim te rechtvaardigen en te verontschuldigen. Anderen nemen twijfelzuchtige beginselen aan uit trots of traagheid. Te veel op hun gemak gesteld om zich te onderscheiden door iets te doen, dat eer waardig is, en dat inspanning vraagt, of zelfverloochening eist, streven ze ernaar om zich de naam te verwerven van biezondere wijsheid te bezitten door de Bijbel te kritiseren. Er is veel, dat het eindige menseverstand, hetwelk niet door Goddelike wijsheid wordt verlicht, niet bij machte is te verstaan; daardoor vinden ze aanleiding tot kritiek. Velen schijnen te denken, dat het een deugd is om zich aan de zijde van ongeloof, twijfelzucht, en goddeloosheid te stellen. Maar men zal bevinden, dat zulke personen onder een schijn van oprechtheid door zelfvertrouwen en trots gedreven worden. Velen scheppen er behagen in, iets in de Schrift te vinden om het verstand van anderen te verwarren. In het eerst kritiseren en redeneren sommigen aan de verkeerde kant, eenvoudig uit lust om te strijden. Ze beseffen niet, dat ze zich, aldus in de strikken van de vogelvanger verwikkelen. Maar daar ze openlik aan hun ongeloof uitdrukking hebben gegeven, gevoelen ze, dat ze hun ingenomen stelling moeten handhaven. Op die wijze verenigen ze zich met de goddelozen, en sluiten de poorten van het Paradijs voor zich toe.

God heeft in Zijn woord genoegzaam bewijs gegeven van het Goddelik karakter ervan. De grote waarheden, welke op onze verlossing betrekking hebben, worden duidelik voorgesteld. Met de hulp van de Heilige Geest, die beloofd is aan allen, die hem in oprechtheid zoeken, kan een iegelik die waarheden voor zichzelf verstaan. God heeft de mensen een sterk fondament gegeven, waarop ze hun geloof kunnen gronden.

Toch is het eindige verstand van de mens niet toereikend om de plannen en bedoelingen van de Oneindige ten volle te verstaan. We kunnen God nimmer leren kennen door onderzoek. We moeten niet trachten, met een aanmatigende hand het gordijn weg te schuiven, waarachter Hij Zijn majesteit verbergt. De apostel roept uit: “Hoe ondoorgrondelik zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlik Zijn wegen!” We kunnen Zijn handelingen met ons, en de beweegredenen, die Hem dringen, in zo verre verstaan, dat wij grenzeloze liefde en barmhartigheid kunnen ontdekken, verbonden met oneindige macht. Onze Vader in de hemel regelt alles in wijsheid en gerechtigheid, en we moeten niet ontevreden of wantrouwend zijn, maar ons in eerbiedige onderwerping buigen. Hij zal ons zoveel van Zijn voornemens openbaren als ons goed is te weten, en voor wat daarboven gaat, moeten we vertrouwen op de Hand, die almachtig, en het Hart, dat vol liefde is.

Terwijl God ruimschoots bewijs gegeven heeft om te geloven, neemt Hij nimmer alle verontschuldiging voor ongeloof weg. Allen, die aanknopingspunten voor twijfel zoeken, zullen ze vinden. En zij, die Gods woord weigeren aan te nemen en te gehoorzamen, voordat iedere tegenwerping uit de weg geruimd is, en er geen gelegenheid tot twijfelen meer overblijft, zullen nooit tot het licht komen.

Wantrouwen aan God is de natuurlike uitkomst van het hart, dat niet wedergeboren, en met zichzelf in strijd is. Maar geloof wordt door de Heilige Geest gewerkt, en kan slechts bloeien naarmate het gekoesterd wordt. Niemand kan sterk in het geloof worden zonder een vastberaden poging daartoe te doen. Het ongeloof neemt toe in kracht, naar mate het aangemoedigd wordt; en indien de mensen, in plaats van de bewijzen te bepeinzen, welke God tot schraging van hun geloof gegeven heeft, aan wantrouwen toegeven, en uitvluchten zoeken, zullen ze onvervinden, dat hun twijfelingen hoe langer hoe meer bevestigd worden.

Maar zij, die aan Gods beloften twijfelen, en de verzekeringen van Zijn genade wantrouwen, onteren Hem; en in plaats van anderen tot Christus te trekken, leidt hun invloed hen van Hem af. Ze zijn onvruchtbare bomen, die hun donkere takken ver uitstrekken, en, terwijl ze het zonlicht van andere planten wegkeren, die doen kwijnen en sterven in de koude van hun schaduw. Het levenswerk van die mensen zal immer tegen hen blijven getuigen. Ze zaaien zaden van twijfel en ongeloof, die een zekere oogst zullen opbrengen.

Er is slechts één weg open voor hen, die in oprechtheid wensen van twijfel bevrijd te worden. Laat hen in plaats van dingen, die ze niet verstaan, te betwijfelen, en uitvluchten te zoeken, acht geven op het licht, hetwelk hen reeds beschijnt, en ze zullen groter licht ontvangen. Laat hen iedere plicht vervullen, die voor hun verstand duidelik is gemaakt, en ze zullen in staat gesteld worden om die, over welke ze tans in twijfel verkeren, te begrijpen en te volvoeren.

Satan kan een tegenbeeld geven, dat zo nauwkeurig op de waarheid gelijkt, dat het diegenen bedriegt, welke gewillig zijn om bedrogen te worden, en de zelfverloochening en opoffering, welke door de waarheid geëist worden, wensen te vermijden; maar het is hem onmogelik om één ziel onder zijn macht te houden, die eerlik en tot elke prijs de waar-heid wenst te leren kennen. Christus is de waarheid, en het “licht, hetwelk verlicht een iegelik mens, komende in de wereld.” De Geest der waarheid is uitgezonden, om de mensen in alle waarheid te leiden. En op gezag van Gods Zoon wordt er verklaard: “Zoekt, en ge zult vinden.” “Zo iemand wil Zijn wil doen, die zal van deze leer bekennen, of hij uit God is.” 2

De volgelingen van Christus weten weinig van de aanslagen, welke Satan en zijn heiren tegen hen smeden. Maar Hij, die in de hemel troont, zal op deze listige aanslagen beslag leggen om Zijn verborgen bedoelingen ten uitvoer te brengen. De Heer laat toe dat Zijn volk aan dè vuurproef van verleiding onderworpen wordt, niet omdat Hij in hun nood en beproeving behagen schept, maar omdat die proef ten slotte tot hun overwinning nodig is. Hen voor verleiding te beveiligen zou niet bestaanbaar zijn met Zijn eigen heerlikheid; want het doel van de beproeving is juist om hen in staat te stellen, al de verlokkingen van het kwaad te weerstaan.

Noch boze mensen, noch duivelen kunnen Gods werk verhinderen, of Zijn tegenwoordigheid van Zijn volk wegnemen, Indien dezen met ootmoedige en verbroken harten hun zonden belijden en afleggen, en zich in het geloof Zijn beloften willen toeëigenen. Iedere verleiding, iedere tegenstrijdige invloed, hetzij openlik of in het geheim, kan met goed gevolg wederstaan worden, “niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest, zegt de Heer der heirscharen.”

“De ogen des Heren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed. . . . En wie is het, die u kwaad doen zal, indien ge navolgers zijt van het goede?” Toen Bileam, door beloften van grote beloningen verlokt, Israël trachtte te bezweren, en door aan de Heer offeranden te brengen, vloek over Zijn volk zocht in te roepen, verbood de Geest Gods het kwaad, dat hij wenste uit te spreken, en werd Bileam gedwongen om uit te roepen: “Wat zal ik vloeken, die God niet vloekt? en wat zal ik schelden, waar de Heer niet Scheldt?” “Mijn ziel sterve de dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne!” Toen er andermaal geofferd was, verklaarde de goddeloze profeet: “Zie, ik heb ontvangen te zegenen; dewijl Hij zegent, zo zal ik het niet keren. Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël. De Heer, zijn God, is met hem, en het geklank van de Koning is bij hem.” “Want er is geen toverij tegen Jakob, noch waarzeggerij tegen Israël. Te dezer tijd zal van Jakob gezegd worden, en van Israël, wat God gewrocht heeft.” Nog een derde maal werden er altaren opgericht, en opnieuw trachtte Bileam een vloek te verkrijgen. Maar door de onwillige lippen van de profeet verklaarde Gods Geest de voorspoed van Zijn verkoren volk, en bestrafte de dwaasheid van hun vijanden: “Zo wie u zegent, die zij gezegend, en vervloekt, wie u vervloekt!”

Toentertijd was het volk van Israël aan God getrouw; en zo lang ze Zijn wet bleven gehoorzamen, vermocht geen macht van aarde of hel iets tegen hen. Maar de vloek, die Bileam niet tegen Gods volk had mogen uitspreken, vermocht hij eindelik over hen te brengen door hen tot zonde te verleiden. Toen ze Gods geboden overtraden, scheidden ze zich van Hem af, en gaf God hen over, dat ze de macht van de vernieler gevoelen zouden.

Satan weet zeer goed, dat de zwakste ziel, die in Christus blijft, zich meten kan met de legerscharen der duisternis, en dat hij, indien hij zich openlik zou openbaren, tegengegaan en wederstaan zou worden. Daarom tracht hij de strijders van het kruis uit hun sterke vesting te lokken, terwijl hij met zijn macht in hinderlaag ligt, gereed om een iegelik, die zich op zijn grond waagt, om te brengen. We kunnen alleen veilig zijn in ootmoedig vertrouwen op God, en gehoorzaamheid aan al Zijn geboden.

Niemand is een dag of uur veilig zonder gebed. Voornamelik behoren we de Heer te smeken om wijsheid om Zijn woord te verstaan. Daar worden de listen van de verleider in geopenbaard, en de middelen aangegeven, waardoor hij met goed gevolg wederstaan kan worden. Satan is geslepen in het aanhalen van de woorden van de Schrift, en geeft zijn eigen verklaring aan teksten, waardoor hij hoopt ons te kunnen laten struikelen. We behoren de Bijbel met een nederig hart te onderzoeken, en daarbij nimmer onze afhankelikheid van God uit het oog te verliezen. Voortdurend wakende tegen Satans aanslagen, behoren we zonder ophouden in het geloof te bidden: “Leid ons niet in ver-zoeking.”