33. Het Eerste Grote Bedrog

Bij het eerste begin van de geschiedenis van de mensheid stelde de Satan zich reeds te werk om ons geslacht te bedriegen. Hij, die oproer gesticht had in de hemel, wenste er de aardbewoners toe te brengen, zich met hem te verbinden in de strijd tegen de Godsregering. Adam en Eva waren volmaakt gelukkig geweest in gehoorzaamheid aan de wet Gods, en dit feit was een gedurig getuigenis tegen Satans bewering in de hemel, dat Gods wet drukkend, en tegen het welzijn van Zijn schepselen was. Ook werd Satans ijverzucht opgewekt, toen hij de schone woonplaats aanschouwde, die voor het zondeloze mensepaar in gereedheid was gebracht. Hij besloot, hun val teweeg te brengen, opdat hij, na hen van God gescheiden en onder zijn eigen macht gebracht te hebben, bezit zou erlangen van de aarde, en hier zijn koninkrijk zou kunnen oprichten, in oppositie tegen de Allerhoogste.

Had Satan zich in zijn ware karakter vertoond, hij zou dadelik afgewezen zijn, want Adam en Eva waren gewaarschuwd tegen deze gevaarlike vijand; maar hij deed zijn werk in het donker, verbergende wat hij voorhad, om zekerder te zijn dat hij zijn doel bereiken zou. Zich van de slang als tussenpersoon bedienende, welk dier toen een aantrekkelik uiterlik had, sprak hij aldus tot Eva: “Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van alle boom van deze hof?” Indien Eva niet met de verleider geredeneerd

had, zo zou ze veilig geweest zijn; maar ze waagde zich met hem in een gesprek, en werd het slachtoffer van zijn list. Op diezelfde wijze worden er nog velen in de val gelokt. Ze twijfelen en redeneren over de eisen, die God hun stelt, en in stede van de geboden Gods te gehoorzamen, nemen ze menselike theorieën aan, die niet anders zijn dan de vermomde strikken van de duivel.

“De vrouw zei tot de slang: van de vrucht van de bomen van deze hof zullen we eten; maar van de vrucht van de boom die in het midden van de hof is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat ge niet sterft. Toen zei de slang tot de vrouw: Gijlieden zult de dood niet sterven; maar God weet, dat ten dage als ge daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en ge zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.” Hij betuigde, dat ze Gode gelijk zouden worden, groter wijsheid dan tevoren zouden bezitten, en tot een hogere staat van bestaan zouden kunnen opklimmen. Eva bezweek voor de verleiding, en door haar invloed werd ook Adam tot zonde gebracht. Ze namen de woorden van de slang aan, dat God niet meende, wat Hij gezegd had; ze wantrouwden hun Schepper, en beeldden zich in, dat Hij hun in hun vrijheid te kort deed, en dat ze hogere wijsheid en een verhevener stelling zouden verkrijgen door Zijn wet te overtreden.

Maar wat bevond Adam na zijn zonde de betekenis te zijn van de woorden: “Ten dage als ge daarvan eet, zult ge de dood sterven?” Bevond hij, dat ze betekenden, wat Satan hem had wijs gemaakt, dat hij tot een hogere staat van bestaan zou opklimmen? Dan was er inderdaad veel te winnen door de overtreding, en was Satan bewezen, een weldoener van het mensegeslacht te zijn. Doch Adam bevond, dat dit geenszins de betekenis van de Goddelike uitdrukking was. God had verklaard, dat de mens, als straf voor zijn zonde, terugkeren zou tot de aarde, waaruit hij genomen was: “Stof zijt ge, en tot stof zult ge wederkeren.” Satans woorden, “Uw ogen zullen geopend worden,” werden bewezen alleen in die zin waar te zijn, dat, nadat Adam en Eva God ongehoorzaam waren geworden, hun ogen geopend werden voor hun dwaasheid; dat ze het kwaad kenden, en de bittere vrucht van overtreding proefden.

In het midden van Eden groeide de boom des levens, de vruchten waarvan de kracht hadden, het leven te verlengen. Was Adam aan God gehoorzaam gebleven, zo zou hij voortdurend vrije toegang tot deze boom hebben gehad, en eeuwig geleefd hebben. Maar toen hij zondigde, werd hem het gebruik van de vrucht van de levensboom ontzegd, en werd hij aan de dood onderworpen. Het Goddelik woord: “Stof zijt ge, en tot stof zult ge wederkeren,” wijst heen op een algeheel ophouden van het leven.

De onsterfelikheid, welke de mens beloofd was, op voorwaarde van gehoorzaamheid, heeft hij door overtreding verbeurd. Adam kon niet op zijn nakomelingen overdragen, wat hijzelf niet bezat; en er zou geen hoop geweest zijn voor het gevallen mensegeslacht, had God niet door het offer van Zijn Zoon de onsterfelikheid binnen hun bereik gebracht. Terwijl “de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben,” heeft Christus “het leven en de onverderfelikheid aan het licht gebracht door het evangelie.” En alleen door Christus is de onsterfelikheid te verkrijgen. Jezus heeft gezegd: “Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien.” Iedere mens kan deze onberekenbare zegen deelachtig worden, indien hij aan de voorwaarden wil voldoen. Allen “die met volharding in goeddoen, heerlikheid, en eer, en onverderfelikheid zoeken,” zullen “het eeuwige leven” ontvangen.

De enige, die Adam het leven beloofde door ongehoorzaamheid, was de grote verleider. En de verklaring van de slang aan Eva in het paradijs,—“Gijlieden zult de dood niet sterven”,— was de eerste preek, die ooit over de onsterfelikheid van de ziel gehouden is. Toch weerklinkt die verklaring, welke uitsluitend op het gezag van Satan berust, van de preekstoelen van de Christenen, en wordt door de meerderheid van de mensen even gretig aangenomen, als onze eerste ouders die ontvingen. De woorden Gods: “De ziel, die zondigt, die zal sterven,“ worden verklaard als te betekenen: De ziel, die zondigt, die zal niet sterven, maar eeuwig leven. Wij kunnen niet dan verwonderd staan over de vreemdsoortige verblinding, welke de mensen de woorden van Satan zo licht doet geloven, en hen zo ongelovig maakt ten opzichte van de woorden Gods.

Had de mens na zijn val vrije toegang gehad tot de boom des levens, hij zou eeuwig hebben geleefd, en met hem zou de zonde tot in eeuwigheid bestaan hebben. Doch cherubim on een vlammig lemmer van een zwaard bewaarden “de weg van de boom des levens,“ en geen enkele van het geslacht van Adam heeft die slagboom mogen overschrijden en eten van de levengevende vrucht. Dientengevolge bestaat er geen onsterfelike zondaar.

Na de val echter beval Satan zijn engelen, buitengewone pogingen te doen, om het geloof aan de natuurlike onsterfelikheid van de mens in te scherpen, en, na de mensen tot die dwaling te hebben overgehaald, er hen toe te brengen, daaruit te besluiten, dat de zondaar eeuwig in ellende voortleven zou. Nu stelt de vorst dor duisternis door zijn handlangers God voor als een wraakzuchtige tiran, verkondigende, dat Hij allen in de hel werpt, in wie Hij geen behagen heeft, on hen daar eeuwig Zijn toorn doet gevoelen; en dat, terwijl ze onuitsprekelike smarten lijden, en in het onuitblusselik vuur liggen te krimpen, hun Schepper met voldoening op hen nederblikt.

Aldus bekleedt de aartsvijand de Schepper en Weldoener van de mensheid met zijn eigen hoedanigheden. Wreedheid is uit de duivel. God is liefde; en alles, wat Hij schiep, was rein, heilig en liefelik, tot op de tijd, toen de eerste grote opstandeling de zonde invoerde. Satan zelf is de vijand, die de mens eerst tot zonde verleidt, en hem daarna vernietigt,

als hij kan; en wanneer hij zich van zijn slachtoffer verzekerd heeft, dan verheugt hij zich over het verderf, dat hij heeft teweeggebracht. Stond het aan hem, hij zou het gehele mensegeslacht in zijn net trekken. En was het niet door de tussenkomst van de Goddelike macht, geen enkele zoon of dochter Adams zou ontkomen.

Ook nog in deze tijd zoekt Satan mensen ten val te brengen, gelijk hij het ons eerste ouderpaar deed, door hun vertrouwen in hun Schepper te schokken, en hen tot twijfeling te brengen aangaande de wijsheid van Zijn bestuur en de rechtvaardigheid van Zijn wetten. Satan en zijn boden stellen God voor als nog erger dan zijzelven zijn, om alzo hun eigen boosheid en opstand te rechtvaardigen. De grote bedrieger beproeft, de gruwelike wreedheid van zijn eigen karakter op onze hemelse Vader te schuiven, ten einde het te laten voorkomen, als was hij groteliks verongelijkt geworden door zijn uitsluiting uit de hemel, omdat hij zich niet wilde onderwerpen aan zulk een onrechtvaardige heerser. Hij stelt de wereld de vrijheid voor ogen, welke die onder zijn weldadig bestuur kan genieten, in tegenstelling van het slavejuk, hem door de harde bevelen van Jehova opgelegd. Aldus gelukt het hem, zielen van hun getrouwheid aan God af te trekken.

Hoe terugstotend voor alle gevoel van liefde en genade en zelfs voor onze rechtvaardigheidszin is de leerstelling, dat de goddeloze doden met vuur en sulfer in een eeuwigbrandende hel gepijnigd worden; dat ze, wegens de zonden van een kortstondig leven op aarde, smarten moeten lijden, zolang God zal bestaan. Toch is deze leer in wijde kring verkondigd, en maakt tot op heden een deel uit van vele Christelike geloofsbelijdenissen. Een geleerde doktor in de godgeleerdheid heeft gezegd: “Het gezicht van de hellesmarten zal de gelukzaligheid van de heiligen eeuwiglik verhogen. Wanneer ze anderen van gelijke natuur, en onder dezelfde omstandigheden geboren, in zulke ellende zien gedompeld, en zichzelven zo hoog bevoorrecht, zal het hen doen gevoelen, hoe gelukkig ze zijn.” Een ander heeft deze woorden ge bruikt: “Terwijl het vonnis van verdoemenis tot in eeuwigheid voltrokken wordt aan de vaten des toorns, zal de rook van hun pijniging eeuwiglik opstijgen voor het aangezicht van de vaten der barmhartigheid, die in stede van partij te kiezen voor die ellendelingen, zeggen zullen: Amen, Halleluja! looft de Heer!,,

Waar wordt in de bladen van het Woord van God zulke leer aangetroffen? Zullen de verlosten in de hemel dood zijn voor alle gevoel van erbarming en medelijden, en zelfs voor gevoelens van gewone menselikheid? Moeten die verruild worden voor de onverschilligheid van de stoïcijn, of de wreedheid van de barbaar?—Neen, neen; dat is niet de leer van het Boek van God. Zij, die inzichten voorstaan als in de bovenaangehaalde woorden uitgedrukt, mogen geleerde en zelfs rechtschapen mannen zijn; maar ze zijn misleid door de drogredenen van de Satan. Hij laat hen sterke uitdrukkingen in de Schrift in een verkeerd licht opnemen, door aan de woorden de schijn van bitterheid en kwaadaardigheid te geven, die hemzelf kenmerken, doch niet onze Schepper. “Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer Heer, zo Ik lust heb in de dood van de goddeloze! maar daarin heb ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt ge sterven, o huis Israels?”

Wat baat zou er voor God in zijn, indien we toegaven, dat Hij behagen schept in het aanschouwen van nimmer-eindigende martelingen; dat Hij zich vermaakt over het kermen en schreeuwen en vloeken van de lijdende schepselen, die Hij in de hellevlammen houdt? Zouden die schrikkelike tonen muziek kunnen zijn in het oor van de Oneindige Liefde? Men beweert, dat de straf van eeuwige ellende over de goddelozen Gods haat aan het licht zal stellen tegen de zonde als een kwaad, dat de vrede en de orde van het heelal verstoort. O, schrikkelike godslastering! Als was Gods haat tegen de zonde de reden, waarom Hij de zonde laat voortbestaan. Want, volgens de leer van deze godgeleerden,

maakt de aanhoudende pijniging zonder hoop op genade de ongelukkige slachtoffers kwaadaardig, en wordt de last van hun schuld nog immer verzwaard door het uiten van hun woede in vervloekingen en godslastering. Gods glorie wordt niet verhoogd door de verlenging van gedurig aangroeiende zonden de eindeloze eeuwen door!

Het ligt buiten het vermogen van het menselik verstand, het kwaad te berekenen, dat door de dwaalleer van de eeuwige pijniging is gewrocht. De godsdienst van de Bijbel, vol liefde en goedheid, en overvloeiende van mededogen, wordt door bijgeloof verduisterd en met schrik omkleed. Wanneer we in aanmerking nemen, met wat valse kleuren Satan het karakter Gods heeft geschilderd, kunnen we er ons dan over verwonderen, dat onze genadige Schepper wordt gevreesd, als een schrikbeeld beschouwd, en zelfs gehaat? De terugstotènde voorstellingen van God, waarmede het onderwijs van de kansel de wereld heeft vervuld, hebben duizenden, ja miljoenen mensen twijfelaars en ongelovigen gemaakt.

De theorie van de eeuwige pijniging is een van de valse leerstellingen, die de wijn van de gruwelen van Babylon samenstellen, waarvan het alle natieën drinken laat. Dat er dienstknechten van Christus kunnen zijn, die deze ketterij aangenomen hebben en van de kansel af verkondigen, is inderdaad onverstaanbaar. Ze hebben hem, evenals de valse Sabbat, van Rome. Wel is waar is hij door grote en goede mannen verkondigd; maar die hebben niet het licht op dit punt gehad, dat wij ontvangen hebben. Zij waren slechts verantwoordelik voor het licht, dat in hun tijd scheen; wij staan verantwoordelik voor dat, hetwelk onze dag verlicht. Indien we ons van het getuigenis van Gods woord afkeren, en valse leerstellingen aannemen, omdat onze vaderen die geleerd hebben, vallen we onder het oordeel, dat over Babylon uitgesproken is, en drinken van de wijn van zijn gruwelen.

Een grote klasse van degenen, wier gevoel opkomt tegen de leer van de eeuwige pijniging, wordt tot de tegenoverge. 1 Openb. 14:8; 17:2. stelde dwaling gedreven. Ze zien in, dat de Schrift God voorstelt als een wezen vol liefde en barmhartigheid, en kunnen niet aannemen, dat Hij Zijn schepselen naar het vuur van een eeuwig brandende hel zal verwijzen. Aannemende echter, dat de ziel van nature onsterfelik is, zien ze geen andere uitweg dan te besluiten, dat het ganse mensdom ten laatste zalig zal worden. Velen beschouwen de be-dreigingen van de Bijbel als eenvoudig bedoeld, om de mens door schrik tot gehoorzaamheid te dringen, en niet om letterlik vervuld te worden. Aldus kan de zondaar in zelfzuchtig genot leven, de eisen Gods in de wind slaan, en toch verwachten, ten laatste in gunst aangenomen te worden. Zulk een leer, die alles in Gods barmhartigheid zoekt, en Zijn rechtvaardigheid wegcijfert, is het vleselike hart aangenaam, en stijft de zondaren in hun goddeloosheid.

Om aan te tonen, hoe degenen, die in zaligheid voor iedereen geloven, de Schrift verdraaien om hun zielverdervende leerstellingen staande te houden, behoeft men slechts hun eigen woorden aan te halen. Bij de begrafenis van een ongodsdienstige jonge man, die plotseling door een ongeluk aan zijn einde gekomen was, koos een Universalisties predikant tot tekst de volgende woorden van de Schrift betreffende David: “Hij had zich getroost over Ammon, dat hij dood was.”

“Dikwels vraagt men,” zei de spreker, “wat het lot zijn zal van degenen, die de wereld in zonde verlaten, misschien in een staat van dronkenschap sterven, sterven als met de scharlaken vlekken van hun misdaad nog aan hun gewaad klevend, of als deze jonge man omkomen, en nooit enige belijdenis gedaan hebben van, of bevinding gehad hebben over godsdienst. We stellen ons tevreden met was de Schrift zegt; dat antwoord moet het vreselik probleem oplossen. Ammon was een groot zondaar, hij toonde geen berouw, werd dronken gemaakt, en gedood terwijl hij beschonken was. David was een profeet des Heren; hij moet geweten hebben of het goed of slecht zou staan met Ammon in detoekomende wereld. Wat waren de uitingen van zijn hart? ‘De ziel van de koning David verlangde zeer naar Absalom uit te trekken; want hij had zich getroost over Ammon, dat hij dood was.’

“En wat moeten we uit deze woorden afleiden? Is het niet dit, dat eeuwige straf geen deel uitmaakte van zijn godsdienstig geloof? Dat maken wij eruit op; en hier ontdekken we een heerlik bewijs ten gunste van de aantrekkeliker, verlichter en weldadiger stelling van algemene reinheid en algemene vrede in het eind. Hij troostte zich, daar zijn zoon dood was. En waarom? Omdat zijn profetiese blik een heerlike toekomst aanschouwde, en zag, dat zijn zoon buiten het bereik van alle verleiding, verlost van de slavernij, en gereinigd van de besmetting van de zonde, en na genoegzaam geheiligd en verlicht te zijn geworden, toegang verkregen had tot de vergadering van opgevaren en jubelende geesten. Zijn enige troost was, dat zijn geliefde zoon, verlost uit de tegenwoordige staat van zonde en lijden, daarheen gegaan was, waar de zuiverste adem van de Heilige Geest zijn duistere ziel beademen zou; waar zijn verstand zich zou ontvouwen voor de wijsheid des hemels, en de zoete en verhevene vreugde van onsterfelike liefde, en hij aldus door heiliging van zijn natuur toebereid zou worden om de rust en de omgeving van de hemelse erfenis te kunnen genieten.

“In de uitdrukking van deze gedachten wensen we het verstaan te hebben, dat we geloven, dat de hemelse zaligheid van niets afhangt, dat we in dit leven kunnen doen; evenmin van een tegenwoordige verandering van het hart, of van het tegenwoordig geloof, of enige tegenwoordige godsdienstige belijdenis.”

Aldus herhaalt de zogenaamde dienstknecht van Christus de leugen, die de slang in Eden uitsprak:—“Gijlieden zult de dood niet sterven.” “Ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en ge zult als God wezen.” Hij verklaart dat de diepst gezonken zondaren — de moor denaar, de dief, en de hoereerder,— na de dood geschikt gemaakt zullen worden om eindeloze zaligheid te beërven.

En waarop grondt deze verdraaier van de Schrift zijn gevolgtrekkingen?— Op een enkele zinsnede, waarin David zijn onderwerping uitdrukt aan de beschikking van de Voorzienigheid. Zijn ziel “verlangde zeer om naar Absalom uit te trekken; want hij had zich getroost over Ammon, dat hij dood was.” De tijd had de hevigheid-van zijn verdriet verzacht, en zijn gedachten wendden zich van de dode zoon naar de levende, die een eigenwillige balling was door vrees voor de rechtvaardige straf op zijn misdaad. En daarin wordt het getuigenis gezocht dat Ammon, die zich aan bloedschande en dronkenschap had schuldig gemaakt, bij zijn dood onmiddellik werd overgebracht naar het land van gelukzaligheid, om daar gereinigd te worden en voorbereid op de omgang met zondeloze engelen! Inderdaad een aantrekkelike fabel, wel berekend om het vleselik hart te behagen! Dit is Satans eigen leer, en hij doet krachtdadig werk. Moet het ons verwonderen dat de goddeloosheid bij zulk onderwijs toeneemt?

De weg, die deze éne valse leraar bewandelt, is een voorbeeld van die van vele anderen. Een paar woorden uit de Schrift, waarvan de betekenis in de meeste gevallen juist het tegenovergestelde zou blijken van de uitleg, die eraan gegeven wordt, worden uit hun verband genomen; en dergelijke afgescheiden zinsneden worden verdraaid en gebruikt om leerstellingen te bewijzen, die geen grond hebben in het woord van God. Het aangehaalde bewijs, dat de dronken Ammon in de hemel is, is een eenvoudige afleiding, onmiddellik in tegenspraak met de duidelike en stellige verklaring van de Schrift, dat geen dronkaard het koninkrijk Gods zal beërven. Op die wijze verkeren twijfelaars, ongelovigen en spotters de waarheid in leugen. Menigten van mensen zijn door hun valse redeneringen bedrogen, en in slaap gesust in de wieg van vleselike gerustheid.

Indien het waar was, dat de zielen van alle mensen direkt naar de hemel gingen in de ure van hun ontbinding. zo zouden we het recht hebben om de dood boven het leven te verkiezen. Velen zijn er door dit geloof toe gebracht, om een eind aan hun bestaan te maken. Overmand door moeite, verbijstering en teleurstelling schijnt het een lichte zaak, de dunne levensdraad af te snijden, en op te stijgen naar de gelukzaligheid van de onvergankelike wereld.

God heeft in Zijn woord bepaalde aanwijzingen gegeven, dat Hij de overtreders van Zijn wet straffen zal. Zij, die zich vleien, dat Hij te barmhartig is om straf te oefenen over de zondaar, hebben slechts naar het kruis van Golgotha te zien. De dood van de vlekkeloze Zoon van God getuigt dat “de bezoldiging van de zonde de dood is,” en dat op iedere schending van Gods wet rechtvaardige straf moet volgen. Christus, de zondeloze, werd tot zonde gemaakt voor de mens. Hij droeg de schuld van de overtreding, en verdroeg het verbergen van Zijns Vaders aangezicht, totdat Zijn hart gebroken, en Zijn leven vernietigd was. Dit gehele offer werd gebracht, opdat zondaren gered zouden kunnen worden. Op geen andere wijze kon de mens van de straf op de zonde worden bevrijd. En iedere ziel, die weigert deel te hebben aan de verzoening, welke tot zulk een prijs is aangebracht, moet in eigen persoon de schuld en straf van de overtreding dragen.

Laat ons nagaan, wat de Bijbel verder leert aangaande de goddelozen en onboetvaardigen, die de Universalist als heilige, gelukzalige engelen in de hemel plaatst.

“Ik zal aan de dorstigen geven uit de fontein van het water des levens voor niet.” Deze belofte is alleen voor hen, die dorsten. Niemand dan hij, die behoefte gevoelt aan het water des levens, en het ten koste van alle andere dingen zoekt, zal het ontvangen. “Die overwint, zal alles beërven; en ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.” Ook hier worden voorwaarden gesteld. Ten einde alles te beërven, moeten we de zonde wederstaan en overwinnen.

De Heer verklaart bij monde van de profeet Jesaja: “Zeg aan de rechtvaardige, dat het hem welgaan zal.” “Wee de goddeloze, het zal hem kwalik gaan! want de vergelding van zijn handen zal hem geschieden.” “Hoewel een zondaar honderd maal kwaad doet,” zegt de Prediker, “en God hem de dagen verlengt, zo weet ik toch, dat het die zal welgaan die God vrezen; maar de goddeloze zal het niet welgaan.” En Paulus betuigt, dat de zondaar “zichzelf toorn vergadert als een schat in de dag van de toorn en openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, welke een iegelik vergelden zal naar zijn werken;” “verdrukking en benauwdheid over alle ziel van de mens, die het kwade doet.”

“Geen hoereerder of onreine, of gierigaard, die een afgodedienaar is, heeft erfenis in het koninkrijk van Christus en van God.” “Jaagt de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heer zien zal.” “Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan de boom des levens, en ze door de poorten mogen ingaan in de stad. Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodedienaars, en een iegelik, die de leugen liefheeft en doet.”

God heeft aan de mensen een verklaring geschonken van Zijn karakter, en van de wijze, waarop Hij met de zonde handelt. “Heer, Heer, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid! Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft, die de schuldige geenszins onschuldig houdt.” “Hij verdelgt alle goddelozen.” “De overtreders worden tezamen verdelgd; het einde van de goddelozen wordt uitgeroeid.” De macht en het gezag van de Goddelike regering worden in werking gesteld om opstand te onderdrukken; toch zullen alle openbaringen van de straffende gerechtigheid volkomen bestaanbaar zijn met het karakter Gods als een barmhartig, lankmoedig en weldadig wezen.

God verkracht niemands wil of oordeel. Hij schept geen behagen in slaafse gehoorzaamheid. Hij wil, dat de schepselen van Zijn handen Hem zullen liefhebben, omdat Hij hun liefde waardig is. Hij wil door hen gehoorzaamd worden, omdat ze Zijn wijsheid, rechtvaardigheid en weldadigheid met verstand op prijs stellen. En allen, die een waar begrip hebben van deze hoedanigheden, zullen Hem liefhebben, omdat bewondering van Zijn eigenschappen hen tot Hem trekt.

De beginselen van vriendelikheid, barmhartigheid en liefde, door onze Heiland geleerd en in Zijn leven ten toon gespreid, zijn een afbeeldsel van de wil en het karakter van God. Christus verklaarde dat Hij niets leerde, dan wat Hij van Zijn Vader had ontvangen. De beginselen van de Goddelike regering zijn in volkomen overeenstemming met het voorschrift van de Heiland: “Hebt uw vijanden lief.” God oefent rechtvaardige straf over de goddelozen ten goede van het heelal, en zelfs ten goede van degenen, die Hij met Zijn oordelen bezoekt. Hij zou hen gelukkig maken, indien Hij het kon volgens de wetten van Zijn bestuur, en de rechtvaardigheid van Zijn karakter. Hij omringt hen met de tekenen van Zijn liefde; Hij deelt hun de kennis van Zijn wet mede, en gaat hen na met aanbiedingen van Zijn barmhartigheid; doch ze verachten Zijn liefde, doen Zijn wet te niet, en verwerpen Zijn genade. Terwijl ze voortdurend Zijn gaven ontvangen, onteren ze de Gever; ze haten God, omdat ze weten, dat Hij hun zonden verfoeit. De Heer is lankmoedig over hun verkeerdheden; maar het beslissende uur moet eindelik komen, wanneer hun lot bepaald zal worden. Zal Hij die opstandelingen dan met ketenen aan Zich verbinden? Zal Hij hen dwingen, Zijn wil te doen?

Zij, die Satan tot hun leider gekozen hebben, en onder Zijn macht hebben gestaan, zijn niet bereid om in de tegen-woordigheid Gods te verschijnen. Trots, bedrog, losbandigheid, wreedheid hebben zich met hun karakter samengeweven. Kunnen zij de hemel binnengaan, om eeuwiglik te wonen met degenen, die ze op aarde veracht en gehaat hebben? De waarheid zal een leugenaar nimmer aanstaan; nederigheid voldoet niet aan eigendunk en trots; reinheid is voor de verdorvene niet aannemelik; belangeloze liefde heeft voor de eigenzuchtige geen aantrekkelikheid. Welke bron van genot zou de hemel aan dezulken kunnen aanbieden, die gans en al verdiept zijn in hun aardse en zelfzuchtige belangen?

Zouden zij, die een leven doorgebracht hebben in opstand tegen God, plotseling in de hemel kunnen worden overgeplaatst, en de verheven, heilige staat van volmaaktheid aanschouwen, die daar eeuwig heerst,— elke ziel van liefde vol; ieder gelaat stralend van vreugde; bezielende tonen van welklinkende liederen opstijgend tot eer van God en van het Lam, en onafgebroken lichtstromen neerdalende op de verlosten van het aangezicht Desgenen, die op de troon zit,— zouden zij, wier harten vervuld zijn van haat tegen God en waarheid en heiligheid, zich kunnen mengen met de hemelse scharen, en met hun lofliederen instemmen? Zouden zij de heerlikheid Gods en van het Lam kunnen verdragen?— Gewis neen; een proeftijd van jaren is hun toegestaan om een karakter te kunnen verkrijgen, dat voor de hemel past; maar ze hebben hun geest niet aan de liefde tot reinheid gewend; ze hebben de sprake des hemels niet geleerd, en nu is het te laat. Een leven van opstand tegen God heeft hen voor de hemel ongeschikt gemaakt. Zijn reinheid, heiligheid en vrede zouden hen folteren; de heerlikheid Gods zou hun een verterend vuur wezen. Ze zouden die heilige plaats wensen te ontvluchten. Ze zouden naar vernietiging verlangen, om verborgen te worden van het aangezicht van Hem, die stierf om hen te verlossen. Het lot van de goddelozen wordt door hun eigen keus bepaald. Hun uitsluiting uit de hemel is vrijwillig van hun kant, en rechtvaardig en barmhartig aan de zijde Gods.

Gelijk de wateren van de zondvloed, zo verkondigt het vuur van de grote dag Gods oordeel, dat de goddelozen ongeneeslik zijn. Ze hebben geen lust, om zich aan hemels gezag te onderwerpen. Ze hebben hun wilskracht geoefend in opstand; en wanneer het einde van het leven dáár is, is het te laat om de richting van hun gedachten te veranderen,— te laat om van overtreding te komen tot gehoorzaamheid, van haat tot liefde.

Door het leven van Kaïn, de moordenaar, te sparen, gaf God aan de wereld een voorbeeld van wat het gevolg zou wezen van de zondaar het leven te verlengen, en hem voort te laten gaan op de baan van teugelloze verkeerdheden. Door de invloed van Kaïns onderwijs en voorbeeld werden er een menigte van zijn nakomelingen tot zonde geleid, totdat “de boosheid van de mensen menigvuldig was op de aarde,” en “al het gedichtsel van de gedachten van zijn hart te allen dage alleenlik boos was.” “De aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel.”

Uit genade over de wereld vernietigde de Heer de goddeloze aardbewoners in Noachs tijd. Uit barmhartigheid deed Hij de boze inwoners van Sodom weg. Door Satans bedriegelike macht verwerven zich de werkers der ongerechtigheid medegevoel en bewondering, en brengen op die wijze voortdurend anderen tot opstand. Z— was het in de dagen van Kaïn en Noach, en ten tijde van Abraham en Lot; en z— is het ook in onze tijd. Het is uit barmhartigheid over het heelal, dat God in het eind vernietigen zal, die Zijn genade verwerpen.

“De bezoldiging van de zonde is de dood; maar de genadegift Gods is het eeuwige leven door Jezus Christus, onze Heer.” Terwijl het leven het erfdeel van de rechtvaardigen is, is de dood het deel van de goddelozen. Mozes verklaarde aan Israël: “Ik heb u heden voorgesteld het leven en het goede, en de dood en het kwade.” De dood, waarop deze schriftuurplaatsen heenwijzen, is niet die, welke aan Adam werd aangekondigd, want alle mensen lijden de straf van zijn overtreding. Het is “de tweede dood,” die tegenover het eeuwige leven wordt gesteld.

Als gevolg van Adams zonde is de dood tot het gehele mensegeslacht doorgegaan. Allen tezamen gaan ze ten grave. En ten gevolge van de bepalingen van het heilsplan zullen allen weder uit hun graven worden voortgebracht. “Er zal een opstanding van de doden wezen, beide van de rechtvaardigen en van de onrechtvaardigen;” “want gelijkerwijs ze allen in Adam sterven, alzo zullen ze ook in Christus allen levend gemaakt worden.” Maar er wordt onderscheid gemaakt tussen de twee klassen, die uit de graven zullen worden voortgebracht. “Allen, die in de graven zijn, zullen Zijn stem horen; en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding van het leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de. opstanding van de verdoemenis.” Zij, die “waardig geacht” zijn om deel te hebben aan de opstanding van het leven, zijn “zalig en heilig.” “Over dezen heeft de tweede dood geen macht.” Maar zij, die zich niet door berouw en geloof van vergiffenis verzekerd hebben, moeten de straf van hun overtreding,—“de bezoldiging van de zonde,“—dragen. Ze lijden straf, verschillend in duur en hevigheid, “naar hun werken,” maar die ten slotte op de tweede dood uitloopt. Daar het Gode in Zijn rechtvaardigheid en barmhartigheid onmogelik is om de zondaar in zijn zonden te redden, ontneemt Hij hem het bestaan, dat zijn overtredingen hebben verbeurd, en dat hij zich onwaardig betoond heeft. Een van de gewijde schrijvers zegt: “Nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn, en ge zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.” En een ander verklaart: “Ze zullen zijn, alsof ze er niet geweest waren.” Met schande bedekt verzinken ze in hopeloze, eeuwige vergetelheid.

Aldus zal er een einde gemaakt worden aan de zonde, met al het wee en de verwoesting, die eruit ontstaan zijn. De psalmist zegt: “Gij hebt de goddelozen verdaan, hun naam uitgedelgd tot in eeuwigheid en altoos. O vijand, zijn de verwoestingen in eeuwigheid?” Wanneer Johannes in de Openbaring vooruitblikt op de eeuwige staat, hoort hij van het ganse heelal een lofzang oprijzen, waarin geen enkele wanklank zich mengt. Hij hoorde ieder schepsel in de hemel en op de aarde Gode heerlikheid toebrengen. Dan zullen er geen verloren zielen zijn, die God lasteren, terwijl ze gefolterd worden door nimmer eindigende pijniging; geen ellendige wezens in de hel zullen hun gekerm mengen met de liederen van de gezaligden.

Op de dwaling van de natuurlike onsterfelikheid als grondslag berust de leer van het bewustzijn in de dood,— welke leer, even als die van de eeuwigheid van de straf, tegen het onderwijs van de Schrift, de stem van de rede, en ons menselik gevoel ingaat. Volgens het algemeen aangenomen geloof dragen de verlosten in de hemel kennis aan alles, wat op aarde plaats heeft, en in het biezonder aan het leven van de vrienden, die ze achtergelaten hebben. Maar hoe zou het een bron van geluk voor de doden kunnen wezen, op de hoogte te blijven van de moeite van de levenden, getuigen te zijn van de zonden, die hun eigen dierbaren bedrijven, en hen al de verdrietelikheden, teleurstellingen en angsten van het leven te zien doorstaan? Hoeveel van de zaligheid des hemels zou er genoten worden door degenen, die om hun vrienden op aarde rondzweven? En hoe schrikkelik tegenstrijdig is het geloof, dat zodra de adem het lichaam verlaat, de ziel van de onbekeerde naar de helse vlammen verwezen wordt! In welk een afgrond van angst moeten diegenen gedompeld worden, die hun vrienden onvoorbereid ten grave zien dalen, een eeuwigheid van zonde en smart tegemoet! Velen zijn er, welke deze folterende gedachte tot waanzin gedreven heeft.

Wat zegt de Schrift aangaande deze dingen? David verklaart, dat de mens in de dood geen bewustzijn heeft. “Zijn geest gaat uit; hij keert weder tot zijn aarde, te diezelfde dage vergaan zijn aanslagen (gedachten).” Salomo geeft hetzelfde getuigenis: “De levenden weten, dat ze sterven zullen, maar de doden weten niet met al.” “Ook is alrede hun liefde, ook hun haat, ook hun nijdigheid vergaan ; en ze hebben geen deel meer in deze eeuw in alles, wat onder de zon geschiedt.” “Er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar gij henengaat.”

Toen Hiskia’s leven vijftien jaren verlengd was als antwoord op zijn gebed, bracht de dankbare koning Gode een dankoffer voor Zijn grote barmhartigheid. In dit lied spreekt hij de reden uit, waarom hij zich alzo verheugt: “Het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in de kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen. De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe.” De godgeleerdheid, die algemeen bijval vindt, plaatst de rechtvaardige doden in de hemel, ingegaan tot de gelukzaligheid, en God met onsterfelike tong lovende; doch Hiskia kon geen zodanig heerlik vooruitzicht in de dood ontwaren. Met zijn woorden stemt het getuigenis van de psalmist overeen: “In de dood is van U geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?” “De doden zullen de Heer niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.”

Petrus verklaarde op de Pinksterdag, dat de patriarch David “beide gestorven is en begraven, en zijn graf is onder ons tot op deze dag.” “Want David is niet opgevaren in de hemelen.” Het feit, dat David in het graf vertoeft tot de dag van de opstanding, bewijst, dat de rechtvaardigen niet bij de dood naar de hemel gaan. Het is alleen door de opstanding, en krachtens het feit, dat Christus is opgestaan, dat David ten laatste aan de rechterhand Gods zitten kan.

En Paulus zegt: “Indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt. En indien Christus niet opgewekt is, zo is ook uw geloof tevergeefs, zo zijt ge nog in uw zonden. Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.” Indien de rechtvaardigen vier duizend jaren lang onmiddellik bij de dood-naar de hemel waren gegaan, hoe zou Paulus hebben kunnen zeggen, dat, indien er geen opstanding was, “degenen verloren zijn, die in Christus zijn ontslapen?” Er zou dan toch geen opstanding nodig wezen.

Tyndale, de martelaar, sprekende over de staat van de doden, verklaarde: “Ik belijd openlik, dat ik er niet van overtuigd ben, dat zij alreeds in de volle heerlikheid zijn, waar Christus in is, en de verkoren engelen Gods in zijn. Ook is het geen artikel van mijn geloof; want indien dit zo was, dan kan ik niet anders dan inzien, dat de prediking van de opstanding van het vlees een ijdel iets zou zijn.

Het is een onwedersprekelik feit, dat de hoop op eeuwige gelukzaligheid bij de dood tot grote veronachtzaming geleid heeft van de bijbelse leer aangaande de opstanding. Deze neiging werd door Dr. Adam Clarke opgemerkt, die gezegd heeft: “De leer van de opstanding schijnt bij de eerste Christenen van veel groter gewicht geacht geweest te zijn, dan nu! Hoe kan dat-wezen? De apostelen drukten die leer gedurig op de harten, en wekten er de volgers Gods door op tot ijver, gehoorzaamheid en blijmoedigheid. En hun opvolgers in de tegenwoordige tijd maken er slechts zelden melding van! Gelijk de apostelen predikten, zo geloofden de eerste Christenen; gelijk wij prediken, zo geloven onze hoorders. Er is geen leerstelling in het evangelie, waar meer gewicht aan wordt gehecht; en er is geen leerstelling in de tegenwoordige wijze van prediking, waar minder aandacht aan geschonken wordt!”

Dit heeft voortgeduurd totdat de heerlike waarheid van de opstanding bijna geheel en al verduisterd is geworden, en de Christelike wereld die uit het oog heeft verloren. Aldus zegt een godsdienstig schrijver van naam in zijn aanmerkingen over de woorden van Paulus in 1 Thess. 4:13-18: “Als een bron van wezenlike troost neemt de leer van de zalige onsterfelikheid bij ons de plaats in van alle onzekere stellingen aangaande de wederkomst des Heren. Bij ons sterven komt de Heer voor ons. Dat is het, waar we op moeten wachten, en waarvoor we moeten waken. De doden zijn reeds tot heerlikheid ingegaan. Zij wachten niet op de bazuin, om het oordeel en de gelukzaligheid te ontvangen.”

Maar toen Hij op het punt stond van Zijn discipelen te verlaten, zei Jezus niet tot hen, dat ze spoedig tot Hem zouden gaan. “Ik ga heen om u plaats te bereiden,” sprak Hij. “En wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder, en zal u tot Mij nemen.” En Paulus deelt ons daarenboven mede, dat “de Heer zelf met een geroep, met de stem van de archangel en met de bazuin van God zal nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en alzo zullen we altijd met de Heer wezen.” En hij voegt erbij: “Vertroost elkander met deze woorden.” Hoe groot een tegenstelling tussen die troostwoorden en de hierboven aangehaalde van de Universalistiese predikant. Deze troostte de rouwdragende vrienden met de verzekering dat, hoe zondig de gestorvene ook mocht geweest zijn, hij onder de engelen zou opgenomen worden, wanneer hij hier beneden de adem uitblies. Paulus verwijst zijn broederen naar de wederkomst des Heren, wanneer de boeien van het graf zullen worden verbroken, en “die in Christus gestorven zijn”, opgewekt zullen worden ten eeuwigen leven.

Alvorens iemand de woningen van de gezaligden kan binnengaan, moet ieders zaak onderzocht, en zijn karakter met zijn daden vor de rechtbank Gods beproefd worden. Allen zullen geoordeeld worden volgens hetgeen in de boeken geschreven is, en beloond naar hun werken. Dit oordeel grijpt niet bij de dood plaats. Let op de woorden van Paulus: “Hij heeft een dag gesteld, op welke Hij de aardbodem rechtvaardiglik zal oordelen door een man, die Hij daartoe verordend heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.” Hier heeft de apostel in duidelike bewoordingen aangegeven, dat er een bepaalde, toen nog toekomstige tijd was vastgesteld voor het oordeel van de wereld.

Judas verwijst naar datzelfde tijdperk: “De engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.” En wederom haalt hij de woorden van Henoch aan: “Ziet, de Heer is gekomen (is aan het komen) met Zijn vele duizenden heiligen om gericht te houden tegen allen.” Johannes verklaart: “Ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend;” “en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was. “

Doch indien de doden alreeds de gelukzaligheid van de hemel smaken, of anders alreeds smarten lijden in de vlammen van de hel, wat heeft dan het toekomende oordeel te betekenen? Het onderwijs van Gods woord op deze belangrijke punten is duister, noch verward; een gewoon verstand kan het begrijpen. Maar welk eerlik hart kan wijsheid of rechtvaardigheid zien in de algemeen aangenomen leer? Zullen de rechtvaardigen, nadat hun geval in het gericht onderzocht is, het goedkeurende getuigenis horen: “Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht,” “ga in tot de vreugde van uw Heer,“ wanneer ze wellicht eeuwen lang reeds in Zijn tegenwoordigheid verblijf hebben gehouden? Worden de goddelozen uit de plaats der pijniging opgeroepen, om het oordeel van de Rechter van de ganse aarde te vernemen: “Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur?” O, wat plechtige spotternij! wat schandelike beschuldiging van Gods wijsheid en rechtvaardigheid!

De theorie van de onsterfelikheid van de ziel was een van die valse leerstellingen, welke Rome van het heidendom overnam, en met de godsdienst van de Christenheid samenvlocht. Martin Luther plaatste die leer onder de “ontelbare wonderheden van de Roomse mesthoop van bisschoppelike verordeningen.” Over de woorden van Salomo in Prediker sprekende, waar het heet, dat de doden niet met al weten, zegt de hervormer: “Een verder bewijs, dat de doden geen . . . bewustzijn hebben. Er is daar,” zegt hij, “geen plicht, geen wetenschap, geen kennis, geen wijsheid. Salomo is van oordeel dat de doden slapen, en in het geheel niets voelen. Want de doden liggen daar, en berekenen dagen noch jaren; maar wanneer ze opgewekt zorden, zal het hun zijn, als hadden ze slechts een ogenblik geslapen.”

Nergens wordt in de Heilige Schrift de verklaring gevonden, dat de rechtvaardigen hun beloning of de goddelozen hun straf bij de dood erlangen. De patriarchen en profeten hebben geen zodanige verzekering achtergelaten. Christus en Zijn apostelen hebben er zelfs niet op gedoeld. De Bijbel leert duidelik, dat de doden niet rechtuit naar de hemel gaan. Ze worden voorgesteld als slapende tot de opstandingsdag. Diezelfde dag, wanneer de zilveren koord ontketend, en de gulden schaal in stukken gestoten wordt, vergaan de gedachten van de mens. Zij, die in de groeve nederdalen, gaan in de stilte. Ze weten van niets, dat onder de zon geschiedt. Zalige rust voor de vermoeide rechtvaardigen! De tijd, hetzij hij lang zij of kort, is voor hen slechts een ogenblik. Ze slapen, en de bazuin Gods wekt hen op tot een heerlike onsterfelikheid. “Want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelik opgewekt worden. . . . En wanneer dit verderfelike zal onverderfelikheid aangedaan hebben, en dit sterfelike zal onsterfelikheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat ge-schreven is: De dood is verslonden tot overwinning.” Terwijl ze uit hun diepe slaap worden opgeroepen, beginnen ze te denken juist van het punt af, waar ze opgehouden zijn. Hun laatste gevoel was de smart van de dood, hun laatste gedachte, dat ze ten prooi werden aan het geweld van het graf. Wanneer ze uit de groeve te voorschijn treden, zal hun eerste blijde gedachte in de zegekreet weerklinken: “Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning?”