34. Spiritualisme

De bediening van heilige engelen, zoals die in de Schrift wordt geleerd, is een hoogst troostvolle en kostbare waarheid voor iedere volgeling van Christus. Doch de leer van de Bijbel op dit punt is verduisterd en verdraaid geworden door de dwalingen van de algemeen aangenomen theologie. De leerstelling van de natuurlike onsterfelikheid, oorspronkelik aan de heidense wijsbegeerte ontleend, en in de duisternis van de grote afval in het Christelike geloof opgenomen, heeft de waarheid vervangen, welke zo duidelik in de Schrift aan het licht wordt gebracht: “De doden weten niet met al.” Scharen van mensen zijn begonnen te geloven, dat de geesten van de doden de “gedienstige geesten” zijn, “die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen.” En dat niettegenstaande het bewijs in de Schrift omtrent het bestaan van engelen in de hemel, en hun verhouding tot de geschiedenis van de mens, vor de dood van een enkel menselik wezen.

De leer van het bewustzijn van de mens in de dood, en voornamelik het geloof, dat de geesten van de doden terugkomen om de levenden te dienen, heeft de weg gebaand voor het hedendaagse Spiritualisme. Indien de doden tot de tegenwoordigheid van God en de heilige engelen toegelaten worden, en met kennis worden bevoorrecht, verre te bovengaande wat ze bezeten hebben, waarom zouden ze dan niet naar de aarde terugkeren om de levenden te verlichten en te onderwijzen? Indien, zoals door populaire godgeleerden gepredikt wordt, de geesten van de doden om hun vrienden op aarde heenzweven, waarom zou het hun dan niet vrijstaan zich met hen te onderhouden, om hen te waarschuwen tegen kwaad, of te troosten in verdriet? Hoe kunnen zij, die geloven in het bewustzijn van de mens in de dood, verwerpen wat als Goddelik licht tot hen komt, door verheerlikte geesten medegedeeld? Hier is een middel van gemeenschapsoefening, dat als heilig beschouwd wordt, en waardoor Satan zijn doeleinden weet te bereiken. De gevallen engelen, die zijn wil doen, verschijnen als boodschappers uit de geestewereld. De vorst van het kwaad brengt het verstand van de levenden onder zijn betoverende invloed, voorgevende, hen in gemeenschap met de doden te stellen.

Hij heeft de macht om de uiterlike gedaante van hun overleden vrienden aan de mensen te doen verschijnen. De nagemaakte gelijkenis is volmaakt; de bekende blik, de woorden, de toon worden met verbazende nauwkeurigheid weergegeven. Velen laten zich troosten met de verzekering, dat hun geliefden de zaligheid des hemels genieten; en zonder op gevaar bedacht te zijn, lenen ze het oor aan “verleidende geesten en leringen van duivelen.”

Wanneer ze eenmaal hebben leren geloven, dat de doden wezenlik terugkomen om zich met hen te onderhouden, laat Satan diegenen verschijnen, welke onvoorbereid in het graf zijn gedaald. Ze beweren gelukkig te zijn in de hemel, en daar zelfs hoge plaatsen in te nemen; en op die wijze wordt de dwaling, dat er geen onderscheid gemaakt wordt tussen de rechtvaardigen en de goddelozen, algemeen gepredikt. De voorgewende bezoekers uit de geestewereld manen somtijds tot omzichtigheid, en geven waarschuwingen, die menigmaal juist blijken te zijn. Nadat op die wijze het vertrouwen dan gewonnen is, komen ze met leringen voor de dag, die het geloof in de Schrift direkt ondermijnen. Onder de schijn van de diepste belangstelling in het welzijn van hun vrienden op aarde doen ze de gevaarlikste dwalingen aan de hand. Het feit, dat ze sommige waarheden kunnen aangeven, en bij wijlen in staat zijn om toekomstige gebeurtenissen te voorspellen, geeft aan hun gezegden een schijn van betrouwbaarheid; en hun valse leer wordt door de scharen even geredelik aangenomen, en even onbepaald geloofd, als bevatte hij de heiligste waarheden van de Bijbel. De wet Gods wordt op zijde gesteld, de Geest der genade veracht, en het bloed des verbonds als een onheilige zaak beschouwd. De geesten ontkennen de Godheid van Christus, en plaatsen zelfs de Schepper op gelijke lijn met zichzelven. Aldus zet de grote opstandeling onder een nieuwe vermomming zijn krijg tegen God nog steeds voort, welke krijg in de hemel een aanvang nam, en bijna zes duizend jaren lang op aarde heeft gewoed.

Velen trachten openbaringen van de geesten te verklaren, door ze geheel en al aan bedrog en kunstgrepen van de kant van het medium toe te schrijven. Maar terwijl het waar is, dat bedriegerijen menigmaal doorgegaan zijn voor echte openbaringen, is het eveneens waar, dat een bovennatuurlike kracht zich opvallend heeft geopenbaard. Het geheimzinnige kloppen, waarmede het hedendaagse Spiritualisme begon, was niet het gevolg van menselike bedriegerij of list, maar bepaald het werk van boze engelen, die aldus een van de best gelukte zielverdervende verleidingen invoerden. Velen zullen verstrikt worden door dit geloof, dat het Spiritualisme eenvoudig een menselike leugen is; want, wanneer ze met openbaringen te doen krijgen, die ze niet anders dan als bovennatuurlik kunnen beschouwen, zullen ze bedrogen staan, en gedwongen worden om die aan te nemen als de grote kracht Gods.

Deze personen slaan geen acht op het getuigenis van de Schrift aangaande de wonderen, die gedaan zullen worden door Satan en zijn medegenoten. Het was door de hulp van Satan, dat de tovenaars van Faraö in staat waren om Gods werk te doen. Paulus getuigt, dat er vor de wederkomst van Christus gelijksoortige openbaringen van sataniese kracht zijn zullen. De wederkomst des Heren moet voorafgegaan worden door “de werking van de Satan in alle kracht, en tekenen en wonderen der leugen, en in alle verleiding der onrechtvaardigheid.” En de apostel Johannes verklaart, de wonderdoende macht beschrijvende, die in het laatste der dagen geopenbaard zal worden: “En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit de hemel doet afkomen op de aarde voor de mensen, en verleidt degenen, die op de aarde wonen door te tekenen, die aan hetzelve te doen gegeven zijn.” Hier worden geen eenvoudige bedriegerijen voorspeld. De mensen worden bedrogen door de wonderen, welke Satans handlangers macht hebben te doen, niet door die, welke ze voorgeven te doen.

De vorst der duisternis, die reeds zo lang al de kracht van zijn grote geest bepaald heeft tot het werk van bedriegen, richt zijn verleidingen z— in, dat ze voor mensen van allerlei klassen en allerlei omstandigheden passen. Aan personen van opvoeding en beschaving toont hij de meer verfijnde en verstandelike zijde van het Spiritualisme, en slaagt er aldus in om velen in zijn strikken te vangen. De wijsheid, welke het Spiritualisme mededeelt, is die, welke door de apostel Jakobus beschreven wordt als die “niet van boven afkomt, maar aards is, natuurlik, duivels.” Dit verbergt de grote bedrieger echter, wanneer bedekking hem beter past. Hij, die in de woestijn van de verzoeking aan Christus kon verschijnen, met de glans van de hemelse serafs bekleed, vertoont zich aan de mensen op de aantrekkelikste wijze als een engel des lichts. Hij doet een beroep op het verstand door voorlegging van verheven onderwerpen; hij bekoort de verbeelding met betoverende tonelen, en maakt zich van de genegenheden meester door welsprekende schilderingen van liefde en milddadigheid. Hij wekt de verbeelding op tot een hoge vlucht, en brengt er de mensen toe, zich z— te verheffen op eigen wijsheid, dat ze in hun hart de Eeuwige verachten. Dat machtige wezen, dat de Verlosser van de wereld op een zeer hoge berg kon voeren, en Hem al de koninkrijken met hun heerlikheid kon tonen, zal door zijn verleidingen de zinnen verwarren van allen, die niet door Goddelike macht worden beschut.

Satan verleidt de mensen tans, gelijk hij Eva in het paradijs bedroog, door vleierij, door een verlangen aan te wakkeren om verboden kennis te verkrijgen, door lust tot zelfverheffing op te wekken. Het koesteren van deze euvels veroorzaakte zijn val, en door hetzelfde middel tracht hij de ondergang van de mens te bewerken. “Gij zult als God wezen,” zegt hij, “kennende het goed en het kwaad.” Het Spiritualisme leert, “dat de mens het schepsel van voortuitgang is; dat het zijn bestemming van zijn geboorte aan, en tot in eeuwigheid is, op te klimmen tot de Godheid.” En wederom: “Iedere geest zal zichzelf oordelen, en geen an-der.” “Het oordeel zal goed zijn, omdat het een eigen oordeel is. . . . De troon is binnen in u.” Een Spiritualisties leraar sprak, toen het “geestelik bewustzijn” in hem ontwaakte: “Mijn medemensen waren alle ongevallen half-goden.” En een ander verklaart: “Ieder rechtvaardig en volmaakt wezen is Christus.”

Aldus heeft Satan in de plaats van de gerechtigheid en de volmaaktheid van de eeuwige God, het ware voorwerp van aanbidding, in de plaats van de volmaakte rechtvaardigheid van Zijn wet, de ware standaard van menselike ontwikkeling, de zondige en dwaalzieke natuur van de mens zelf gesteld als het enige voorwerp van verering, de enige standaard van oordeel, of maatstaf van karakter. Dit is vooruit-gang, niet naar omhoog, maar naar omlaag.

Het is een wet zowel van de verstandelike als de geestelike natuur, dat we veranderd worden door aanschouwen. De geest schikt zich van lieverlede naar de onderwerpen, waarmede men hem laat bezig zijn. Hij lost zich op in hetgeen hij gewoon is lief te hebben en te eren. De mens kan nimmer hoger klimmen dan zijn standaard van reinheid, of goedheid, of waarheid gesteld is. Indien het eigen ik zijn hoogste ideaal is, zal hij nooit tot iets verheveners geraken. Hij zal eerder gedurig lager en lager zinken. De genade Gods alleen heeft macht om de mens te verhogen. Aan zichzelf overgelaten, moet zijn pad onvermijdelik naar omlaag voeren.

Aan diegenen, die aan hun lusten toegeven, aan de genotzuchtigen en zinneliken, doet het Spiritualisme zich voor onder een minder sluwe vermomming dan aan de meer beschaafden en verstandigen; zij vinden in de grovere vormen wat met hun neigingen overeenstemt. De Satan bespiedt ieder teken van zwakheid in de menselike natuur; hij let op de zonden, die elkeen geneigd is te doen, en draagt er dan zorg voor, dat er geen gebrek is aan gelegenheden om aan deze neiging tot kwaad toe te geven. Hij verleidt de mensen tot overdaad in wat op zichzelf genomen gewettigd is, en laat hen door onmatigheid hun lichamelike, geestelike, en zedelike kracht verzwakken. Hij heeft duizenden in het verderf gestort, en doet het nog steeds, door toegeven aan hun hartstochten, die de gehele menselike natuur verdierliken. En om zijn werk te voltooien, verklaart hij door de geesten, dat “ware kennis de mens boven alle wet stelt;” dat “wat ook bestaat, goed is;” en dat “God niet veroordelen kan;” en dat “alle zonden, die gedaan worden, onschuldig zijn.” Wanneer de mensen aldus tot het geloof gebracht worden, dat begeerte de hoogste wet, dat vrijheid losbandigheid, is, en dat de mens alleen verantwoordelik is aan zichzelf, wie kan er zich dan over verwonderen, dat verdorvenheid en loszinnigheid aan alle kanten de overhand nemen? Scharen van mensen nemen begerig een leer aan, die hen vrij laat om te doen, wat hun vleselik hart hun ingeeft. De teugels der zelfbeheersing, die de lusten binden, worden losgelaten; de krachten van verstand en ziel worden ondergeschikt gemaakt aan de dierlike neigingen; en Satan sleept triomferend duizenden in zijn net, die belijden, volgelingen van Christus te zijn.

Toch behoeft niemand bedrogen te worden door de leugenachtige beweringen van het Spiritualisme. God heeft aan de wereld voldoende licht geschonken om ons in staat te stellen, de valstrik te ontdekken. Gelijk reeds aangetoond is, is de theorie, welke het fondament van het Spiritualisme uitmaakt, in strijd met de duidelikste verklaringen van de Schrift. De Bijbel zegt dat de doden niet met al weten, dat hun gedachten vergaan zijn; dat ze geen deel hebben aan iets, dat onder de zon geschiedt; dat ze niets weten van de vreugde of het verdriet van degenen, die hun op aarde het liefst geweest zijn.

Verder heeft God alle voorgegeven gemeenschap met de geesten van afgestorvenen verboden. In de tijd van de Hebreën bestond er een klasse van mensen, die evenals de hedendaagse Spiritualisten beweerden, dat ze gemeenschap hielden met de doden. Maar de “waarzeggende geesten”, zoals deze bezoekers uit andere werelden genoemd werden, worden in de Bijbel verklaard te zijn de “geesten van duivelen.” Met waarzeggende geesten te doen te hebben, werd een gruwel voor de Heer genoemd, en was plechtig verboden op straffe des doods.Lev. 19:31; 20:27. Het woord toverij alleen wekt reeds verachting op in onze tijd. De bewering dat de mensen zich met boze geesten kunnen onderhouden, wordt aangezien voor een fabel uit de Middeleeuwen. Maar het Spiritualisme, dat zijn bekeerlingen bij honderdduizenden, ja, bij miljoenen telt, dat zich een weg gebaand heeft tot wetenschappelike kringen, dat tot de kerken doorgedrongen is, en genade ge-vonden heeft bij wetgevende lichamen, en zelfs aan de hoven van koningen — deze ontzaglike verleiding is slechts een herleving in een nieuwe vorm van de toverij, die van ouds veroordeeld en verboden werd.

Indien er al geen ander bewijs was van het wezenlike karakter van het Spiritualisme, behoorde het genoeg te zijn voor de Christen, dat de geesten geen verschil maken tussen gerechtigheid en zonde, tussen de edelste en reinste onder de apostelen van Christus en de verdorvenste dienstknechten van Satan. Door de laagste mensen voor te stellen als in de hemel zijnde, en daar hoge plaatsen bekledende, zegt Satan tot de wereld: “Het doet er niets toe, hoe slecht ge zijt; het komt er niet op aan, of ge in God en de Bijbel gelooft, of niet gelooft. Leeft zoals het u behaagt; de hemel is uw tehuis.” De Spiritualistiese leraars verklaren in werkelikheid: “Al wie Kwaad doet, is goed in de ogen des Heren, en Hij heeft lust aan de zodanigen; of, Waar is de God van het oordeel?” Gods woord zegt: “Wee aan degenen, die het kwade goed heten en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en licht tot duisternis.”

Men laat de apostelen, door deze leugenachtige geesten verpersoonlikt, tegenspreken, wat ze door ingeving van de Heilige Geest geschreven hebben, toen ze op aarde waren. Ze ontkennen de Goddelike oorsprong van de Bijbel, breken aldus het fondament van de hoop van de Christen aan stukken, en doven het licht uit, dat de weg naar de hemel openbaart. Satan doet de wereld geloven, dat de Bijbel slechts een verdichtsel is, of altans een boek, dat geschikt was voor het mensdom in zijn kindsheid, maar dat nu licht geacht, of als verouderd ter zijde gelegd behoort te worden. En om de plaats van Gods woord in te nemen, schenkt hij openbaringen van de geesten. Hier is een kanaal van invloed, dat geheel en al onder zijn macht staat; door dit middel kan hij de wereld laten geloven, wat hij wil. Het Boek, dat hem en zijn volgelingen zal veroordelen, stelt hij in de schaduw, juist waar hij het hebben wil; de Heiland van de wereld maakt hij uit niet meer te zijn dan een gewoon mens. En gelijk de Romeinse wacht, die het graf van Jezus bewaakte, het leugenachtig gerucht verspreidde, dat de priesters en ouderlingen hun in de mond hadden gelegd om Zijn opstanding te loochenen, zo trachten zij, die in openbaringen van geesten geloven, het te doen voorkomen, alsof er niets wonderdadigs was in de omstandigheden van het leven van onze Heiland. Na op die wijze getracht te hebben, Jezus op de achtergrond te plaatsen, vestigen ze de aandacht op hun eigen wonderen, en verklaren, dat die de werken van Christus verre te boven gaan.

Het is waar, dat het Spiritualisme tans zijn vorm aan het veranderen is, en met verberging van enkele van zijn meer afstotelike karaktertrekken zich onder een Christelike schijn voordoet. Maar zijn uitspraken van de kansel en uit de dagbladpers heeft het publiek bijna vijftig jaren vor zich gehad, en daarin ligt zijn wezenlike karakter geopenbaard. Wat daarin geleerd is, kan niet ontkend of verborgen worden.

Zelfs in zijn tegenwoordige vorm, verre van meer verdraagzaamheid waardig te zijn dan vroeger, is het inderdaad gevaarliker, omdat het bedrog fijner is. Terwijl het vroeger Christus en de Bijbel verwierp, geeft het nu voor, die beide aan te nemen. Maar de Bijbel wordt verklaard op een wijze, waarin het onwedergeboren hart behagen schept ; terwijl aan de ernstige hoofdwaarheden ervan alle kracht ontnomen wordt. Men handelt over de liefde als de voornaamste karaktertrek Gods, maar verlaagt die tot een zwakke overgevoeligheid, welke weinig onderscheid maakt tussen goed en kwaad. Gods rechtvaardigheid, Zijn veroordeling van de zonde, de eis van Zijn heilige wet, worden alle achtergehouden. Aan de mensen wordt geleerd, de Tien Geboden te beschouwen als een dode letter. Aangename, betoverende fabelen boeien de zinnen, en leiden de mensen tot verwerping van de Bijbel als het fondament van hun geloof. Christus wordt even wezenlik verloochend als vroeger; maar Satan heeft de ogen van de mensen z— verblind, dat het bedrog niet wordt ontdekt.

Slechts weinigen hebben een juist begrip van de verleidende kracht van het Spiritualisme, en het gevaar van onder de invloed ervan te vallen. Velen geven er zich alleen mede af om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Ze geloven er niet wezenlik in, en zouden met ontzetting terugschrikken voor het denkbeeld van zich aan de macht van de geesten over te geven. Maar ze wagen zich op verboden grond, en de machtige verwoester oefent zijn kracht over hen uit tegen hun wil. Laat hen er eenmaal toe gebracht worden om hun verstand aan zijn leiding te onderwerpen, en hij houdt hen gevangen. Het is hun onmogelik om in eigen kracht zich los te rukken uit de omstrengelende, verlokkende betovering. Alleen de kracht Gods, in antwoord op het ernstig gebed des geloofs geschonken, kan deze verstrikte zielen redden.

Al diegenen, welke aan zondige karaktertrekken toegeven, of moedwillig een bekende zonde koesteren, roepen de verleidingen van Satan over zich in. Ze scheiden zich van God en de wakende zorg van Zijn engelen; wanneer de boze met zijn verleidingen tot hen komt, vinden ze geen bescherming, en vallen hem gemakkelik ten prooi. Zij, die zich aldus aan zijn macht overgeven, beseffen weinig, waar hun handelwijze hen toe voeren zal. Na hun ondergang bewerkt te hebben, zal de verleider hen gebruiken als zijn handlangers om anderen in het verderf te lokken.

De profeet Jesaja zegt: “Wanneer ze dan tot ulieden zeggen zullen: Vraagt de waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen, zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? Zal men voor de levenden de doden vragen? tot de wet en tot de getuigenis! zo ze niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat ze geen dageraad (licht) zullen hebben.” Indien de mensen gewillig geweest waren om de waarheid aan te nemen, zo duidelik in de Schrift verklaard, aangaande de natuur van de mens, en de doden, ze zouden in de beweringen en openbaringen van het Spiritualisme de werking van Satan gezien hebben, in alle kracht en tekenen en wonderen der leugen. Maar liever dan de vrijheid op te geven, die aan het vleselik hart zo aangenaam is, en de zonden vaarwel te zeggen, die ze liefhebben, sluiten scharen van mensen hun ogen voor het licht, ‘en gaan recht door, zonder op waarschuwingen te letten, terwijl Satan zijn strikken om hen spant, en ze hem ten prooi worden. “Daarvoor, dat ze de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden, zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat ze de leugen zouden geloven.”

Diegenen, welke zich tegen de leer van het Spiritualisme stellen, vallen niet alleen de mensen aan, maar Satan en zijn engelen. Ze hebben een strijd begonnen tegen de overheden, tegen de machten, tegen boze geesten in hoge plaatsen. Satan zal geen voet van zijn grond opgeven, tenzij hij teruggedreven wordt door de macht van hemelse boodschappers. Gods volk behoorde in staat te zijn, hem te ontmoeten, gelijk onze Zaligmaker deed, met de woorden: “Er staat geschreven.” Satan kan nu de Schrift even goed aanhalen als in de dagen van Christus, en zal de leer ervan verdraaien om zijn bedriegerijen te staven. Wie in deze tijd van gevaar staande wenst te blijven, moet voor zichzelf het getuigenis van de Schriften verstaan.

Velen zullen het hoofd moeten bieden aan geesten van duivelen, die geliefde betrekkingen of vrienden voorstellen, en de gevaarlikste ketterijen verkondigen. Deze bezoekers zullen ons tederst medegevoel gaande maken, en wonderen doen om wat ze voorwenden te staven. We moeten klaar staan om hen te ontmoeten met de bijbelse waarheid, dat de doden niet met al weten, en dat zij, die aldus verschijnen, geesten van duivelen zijn.

Vlak vor ons ligt “de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.” Al degenen, wier geloof niet hecht gegrond staat op het woord Gods, zullen bedrogen en overwonnen worden. Satan “werkt in alle verleiding der onrechtvaardigheid,” om macht over de kinderen der mensen te erlangen; en zijn bedriegerijen zullen steeds toenemen. Doch hij kan zijn doel alleen dan bereiken, wanneer de mensen zich vrijwillig aan zijn verleidingen overgeven. Zij, die ernstig naar kennis van de waarheid zoeken, en hun zielen door gehoorzaamheid trachten te reinigen, zullen, zich aldus naar hun beste vermogen voor de strijd toebereidende, een zekere bescherming vinden in de God der waarheid. “Omdat gij het woord van Mijn lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u be-waren in de ure der verzoeking,“ heeft de Heiland beloofd. Hij zal eerder iedere engel uit de hemel zenden om Zijn volk te beschermen, dan dat Hij één ziel, die op Hem vertrouwt, door Satan zou laten overwinnen.

De profeet Jesaja toont de vreselike misleiding aan, die over de goddelozen komen zal, en waardoor ze zich veilig zullen rekenen tegen de oordelen Gods: “We hebben een verbond met de dood gemaakt, en met de hel hebben we een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want we hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben we ons verborgen.” Onder de klasse, welke hier omschreven wordt, zijn zij begrepen, die zich in hun stijfhoofdige onboetvaardigheid troosten met de verzekering, dat er geen straf is voor de zondaar; dat de gehele mensheid, hoe verdorven ook, de hemel zal binnengaan, en aan de engelen Gods gelijk worden. Maar nog beslister maken zij een verbond met de dood en een voorzichtig verdrag met de hel, die de waarheden verwerpen, welke de Hemel geopenbaard heeft tot bescherming van de rechtvaardigen in de ure van het gevaar, en die zich van de toevlucht der leugen bedienen, welke Satan in plaats daarvan aanbiedt,— de misleidende voorwendselen van het Spiritualisme.

Onuitsprekelik verwonderlik is de blindheid van de mensen van dit geslacht. Duizenden verwerpen Gods woord als onwaardig om er geloof aan te slaan, en nemen met gretig vertrouwen de bedriegerijen van Satan aan. Twijfelaars en spotters veroordelen de bijgelovigheid van hen, die strijden voor het geloof van de profeten en apostelen, en vermaken zich met de plechtige verklaringen van de Schrift belachelik te maken betreffende Christus, het verlossingsplan, en de wedervergelding, welke hen treffen zal, die de waarheid verwerpen. Ze geven voor, diep medelijden te gevoelen met gemoederen, die zo bekrompen, zwak en bijgelovig zijn, dat ze de eisen Gods erkennen, en de vereisten van Zijn wet gehoorzamen. Ze leggen even grote verzekering aan de dag, alsof ze waarlik een verbond met de dood, en met de hel een voorzichtig verdrag gemaakt hadden — of ze een onoverkomelike, ondoordringbare beschutting tussen zichzelven en de wraak Gods hadden opgetrokken. Niets kan hun vrees gaande maken. Ze hebben zich z— volkomen aan de verleider overgegeven, zich z— nauw met hem verbonden, en zijn z— degelik doordrongen van zijn geest, dat ze macht noch lust hebben om zich uit zijn strikken los te rukken.

Satan heeft zich lange tijd voorbereid op zijn laatste poging om de wereld te verleiden. Het fondament van zijn werk werd gelegd met de verzekering, die in het paradijs aan Eva gegeven werd: “Gijlieden zult de dood niet sterven.” “Ten dage als ge daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en ge zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.” Langzamerhand heeft hij de weg gebaand voor zijn meesterstuk van misleiding, door de ont-wikkeling van het Spiritualisme. De volkomen uitwerking van zijn plannen heeft hij nog niet bereikt; maar hij zal er toe komen in het allerlaatste van de tijd. De profeet zegt: “En ik zag . . . drie onreine geesten gaan, aan vorsen gelijk; het zijn geesten van duivelen, en ze doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen van de aarde en de gehele wereld, om die te vergaderen tot de krijg van die grote dag van de almachtige God.” Behalve degenen, die in de kracht Gods door geloof aan Zijn woord worden staande gehouden, zal de gehele wereld in de gelederen van deze misleiding opgenomen worden. De mensen worden snel in een noodlottige zekerheid gesust, waaruit ze eerst zullen ontwaken door het uitgieten van de toorn Gods.

De Heer God zegt: “En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht van de leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overlopen. En ulieder verbond met de dood zal te niet worden, en uw voorzichtig verdrag met de hel zal niet bestaan; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, dan zult gijlieden van dezelve vertreden worden.”