37. De Schriften een Bron van Veiligheid

“Tot de wet en tot de getuigenis! zo ze niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat ze geen dageraad (licht) zullen hebben.” Gods volk wordt op de Schrift gewezen als een beveiliging tegen de invloed van valse leraars en de verleidende macht van de geesten der duisternis. Satan gebruikt alle mogelike middelen om de mensen te verhinderen, de Schriften te leren kennen; omdat de duidelike uitspraken ervan zijn bedriegerijen openbaren. Bij iedere herleving van Gods werk wordt de vorst van het kwaad tot vuriger ijver aangezet; tans spant hij zijn uiterste krachten in voor een laatste strijd tegen Christus en Zijn volgelingen. De laatste, grote verleiding zal binnen kort over ons komen. De antichrist zal zijn wonderdaden voor onze ogen verrichten. Z— volkomen zal het tegenbeeld op het ware gelijken, dat het onmogelik zal zijn, er tussen te onderscheiden, dan door middel van de Heilige Schrift. Aan wat de Schrift zegt moet iedere verklaring en ieder wonder getoetst worden.

Zij, die al de geboden Gods trachten te gehoorzamen, zullen tegengewerkt en bespot worden. Ze kunnen alleen in God staande blijven. Om de beproeving, die vor hen ligt, te verdragen, moeten ze de wil van God verstaan, zoals die in Zijn woord is geopenbaard; ze kunnen Hem dan alleen eren, wanneer ze het rechte begrip hebben van Zijn karakter, Zijn regering en doeleinden, en in overeenstemming daarmede handelen. Niemand behalve zij, die hun verstand versterkt hebben met de waarheden van de Bijbel, zal staande blijven gedurende de laatste, grote strijd. Iedere ziel moet voor zichzelf de proef doorstaan: Zal ik God meer gehoorzamen dan de mensen? Het beslissende uur staat tans vor de deur. Zijn onze voeten geplant op de rots van Gods onveranderlik Woord? Zijn we bereid om pal te staan ter verdediging van de geboden Gods en het geloof van Jezus?

Vor Zijn kruisiging verklaarde de Heiland aan Zijn discipelen, dat Hij ter dood gebracht moest worden, en weder uit het graf zou opstaan; en er waren engelen tegenwoordig om Zijn woorden in de hoofden en harten van de mensen in te prenten. Maar de discipelen zagen uit naar tijdelike verlossing van het Romeinse juk, en konden de gedachte niet verdragen, dat Hij, op Wie al hun verwachtingen gebouwd waren, een smadelike dood zou sterven. De woorden, welke ze zich nodig moesten herinneren, werden uit hun harten gebannen; en toen de tijd van beproeving aanbrak, vond die hen onvoorbereid. Jezus’ dood maakte even volkomen een einde aan hun verwachtingen, alsof Hij hen niet van tevoren gewaarschuwd had. Op dezelfde wijze wordt de toekomst vor ons opengelegd in de profetieën, en dat wel even duidelik, als hij aan de discipelen door de woorden van Christus werd geopenbaard. De gebeurtenissen in verband met het sluiten van de genadetijd en de voorbereiding op de tijd van benauwdheid worden duidelik aangewezen. Toch hebben de mensen in het algemeen niet meer begrip van deze belangrijke waarheden, dan of ze nooit waren geopenbaard. Satan waakt om iedere indruk weg te nemen, die hen wijs zou kunnen maken tot zaligheid; en de tijd van benauwdheid zal hen onvoorbereid vinden.

Wanneer God de mensen zulke gewichtige boodschappen zendt, dat die gezegd worden verkondigd te worden door heilige engelen, die in het midden van de hemel vliegen, verlangt Hij van elk een, die gezond verstand ontvangen heeft, dat hij er acht op zal geven. De vreselike oordelen, die over de dienst van het beest en zijn beeld uitgesproken worden, behoorden er iedereen toe te leiden, de profetieën ijverig te onderzoeken, ten einde te ontdekken, wat het merkteken van het beest is, en hoe men het ontvangen ervan kan ontgaan. Maar de grote menigte van de mensen keert het oor af van de woorden der waarheid, en wendt zich tot fabelen. De apostel Paulus zegt, ziende op de laatste dagen: “Want er zal een tijd zijn, wanneer ze de gezonde leer niet zullen verdragen.” Die tijd is nu geheel en al daar. Scharen van mensen zijn er, die geen bijbelse waarheid wensen, omdat die de begeerten van het zondige hart, dat de wereld liefheeft, tegengaat, en Satan voorziet hen van de misleidingen, die ze liefhebben.

Maar God wil een volk op aarde hebben, dat de Bijbel, en de Bijbel alleen, zal handhaven als standaard van alle leerstellingen, en grondslag van alle hervormingen. De meningen van geleerde mannen, de gevolgtrekkingen van de wetenschap, de geloofsbelijdenissen of besluiten van geestelike koncilies, even talrijk en evenzeer in tegenspraak met elkander, als de kerken, welke ze vertegenwoordigen, de stem der meerderheid,— geen van deze zaken behoort beschouwd te worden als een bewijs vor of tegen punten van godsdienstige overtuiging. Vor we een leerstelling of voorschrift aannemen, moeten we een duidelik “alzo spreekt de Heer” eisen om het te steunen.

Satan tracht onophoudelik de aandacht op de mens in plaats van op God te vestigen. Hij leidt er de mensen toe om op bisschoppen, predikanten en theologiese professoren te zien als hun gidsen, in plaats van de Schriften te onderzoeken, om voor zichzelven te leren, wat hun plicht is. Dan kan hij, door de harten van deze leiders te beheersen, invloed op de menigte uitoefenen naar zijn wil.

Toen Christus kwam om de woorden des levens te spreken, hoorde het gewone volk Hem gaarne; en velen, zelfs onder de priesters en oversten, geloofden in Hem. Maar de voornaamsten onder de priesters en voorgangers van het volk waren vast besloten om Zijn leer te veroordelen en te verwerpen. Ofschoon al hun pogingen om beschuldigingen tegen Hem te vinden, verijdeld werden, en ze huns ondanks de invloed moesten gevoelen van de Goddelike macht en wijsheid, die zich aan Zijn woorden paarde, bleven ze toch bij hun vooroordeel; ze verwierpen de duidelikste bewijzen dat Hij de Messias was, om niet gedwongen te worden, Zijn discipelen te zijn. Deze tegenstanders van Jezus waren mannen, welke het volk van kindsbeen aan geleerd had te eerbiedigen, en voor wier gezag het gewoon geweest was, zich onvoorwaardelik te buigen. “Hoe komt het,” vroegen ze, “dat onze overheden en schriftgeleerden niet in Jezus geloven? Zouden deze vrome mannen Hem niet aannemen, indien Hij de Christus was?” Het was de invloed van zulke leraars, die er het Joodse volk toe bracht, hun Verlosser te verwerpen.

De geest, die deze priesters en overheden bezielde, openbaart zich nog in velen, die zich op grote vroomheid laten voorstaan. Ze weigeren om het getuigenis van de Schrift aangaande de biezondere waarheden voor deze tijd te onderzoeken. Ze wijzen op hun eigen aantal, rijkdom, en volksgunst, en zien met verachting neder op de voorstanders van de waarheid als klein in getal, arm, en niet in de gunst staande, en die een geloof hebben, dat hen van de wereld scheidt.

Christus voorzag, dat de onbehoorlike aanmatiging van gezag, die de schriftgeleerden en Farizeën zich voroorloofden, niet zou ophouden met de verstrooiing van de Joden. Hij had een profeties inzicht in het werk van de verhoging van menselik gezag over het geweten, dat door al de eeuwen heen zulk een schrikkelike vloek voor de kerk geweest is. En Zijn vreselike veroordeling van de Schriftgeleerden en Farizeën, en Zijn waarschuwingen aan het volk om die blinde leidslieden niet te volgen, staan opgetekend als een vermaning voor de volgende geslachten.

De Roomse Kerk behoudt aan de geestelikheid het recht voor van de Schrift te verklaren. Op grond dat geesteliken alleen bevoegd zijn om Gods woord uit te leggen, wordt het aan het gewone volk onthouden. Ofschoon de Hervorming de Bijbel aan allen gegeven heeft, toch verhindert ditzelfde beginsel, dat door Rome is gehandhaafd, scharen van mensen in Protestantse kerken om de Bijbel voor zichzelven te onderzoeken. Hun wordt geleerd om de leer, die erin vervat is, aan te nemen, gelijk de kerk die uitlegt; en er zijn duizenden, die niets durven ontvangen, hoe duidelik het ook in de Schrift wordt geopenbaard, dat in tegenstelling met hun geloofsbelijdenis, of de gevestigde leer van de kerk is.

Niettegenstaande de Bijbel vol is van waarschuwingen tegen valse leraars, zijn er velen bereid om hun zielen op die wijze aan de zorg van de geestelikheid toe te vertrouwen. Er zijn heden ten dage duizenden belijders, die geen andere reden kunnen geven voor de geloofspunten, welke ze belijden, dan dat ze aldus door hun godsdienstige voorgangers onderwezen zijn. Ze gaan hetgeen de Heiland geleerd heeft bijna onopgemerkt voorbij, en stellen onvoorwaardelik vertrouwen in de woorden van predikanten. Maar zijn predikanten dan onfeilbaar? Hoe kunnen we onze zielen aan hun leiding toevertrouwen, tenzij we uit Gods woord weten, dat ze lichtdragers zijn? Gebrek aan zedelike moed om af te wijken van het spoor, dat de wereld gebaand heeft, leidt er velen toe, te volgen in de voetstappen van geleerden; en door hun weerzin om voor zichzelven te onderzoeken, raken ze hopeloos verward in de ketenen der dwaling. Ze zien, dat de waarheid voor deze tijd in de Bijbel duidelik aan het licht wordt gebracht, en gevoelen, dat de kracht van de Heilige Geest zich aan de verkondiging ervan paart; toch laten ze zich door de tegenstand van de geestelikheid van het licht afkeren. Ofschoon rede en geweten overtuigd zijn, durven deze misleide zielen niet verschillend van de predikant denken; en hun eigen oordeel en eeuwige belangen worden opgeofferd aan het ongeloof, de trots, en het vooroordeel van een ander.

Talrijk zijn de wegen, waarlangs Satan werkt, om zijn gevangenen door menselike invloed te binden. Hij verzekert zich van een grote menigte, door hen met de zijden liefdekoorden aan dezulken te verbinden, die vijanden zijn van het kruis van Christus. Wat deze banden ook zijn mogen, oudermin, kinderliefde, huweliks- of maatschappelike betrekkingen, de uitkomst is dezelfde; de tegenstanders van de waarheid oefenen hun gezag uit over het geweten, en de zielen, die onder hun macht staan, bezitten geen moed of onafhankelikheid genoeg, om hun eigen overtuiging van plicht te gehoorzamen.

De waarheid en de heerlikheid Gods kunnen niet gescheiden worden; het is ons onmogelik, met de Bijbel binnen ons bereik, God te eren door verkeerde meningen. Velen beweren, dat het er niet op aan komt, wat de mens gelooft, zo lang zijn levenswijze maar goed is. Doch het leven vormt zich door het geloof. Indien er licht en waarheid binnen ons bereik liggen, en we nalaten, gebruik te maken van het voorrecht van ze te horen en te zien, doen we niet anders dan ze verwerpen; we verkiezen de duisternis boven het licht.

“Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van die zijn wegen des doods.” Onwetendheid is geen verontschuldiging voor dwaling of zonde, wanneer men alle gelegenheid heeft om Gods wil te kennen. Iemand is op reis, en komt aan een plaats, waar onderscheidene wegen uit elkander gaan, en er is een wegwijzer, die aantoont, waarheen elk van die wegen leidt. Indien hij geen acht slaat op de wegwijzer, en eenvoudig het pad inslaat, dat hem het rechte toeschijnt, zal hij met al zijn oprechtheid waarschijnlik bevinden, dat hij dwaalt.

God heeft ons Zijn woord gegeven, opdat we met de leer ervan bekend worden, en voor onszelven onderzoeken zouden, wat Hij van ons verlangt. Toen de wetgeleerde tot Jezus kwam met de vraag: “Wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve?” verwees de Heiland hem naar de Schrift, zeggende: “Wat staat er geschreven in de wet? hoe leest ge?” Onwetendheid zal jong noch oud verontschuldigen, noch hen ontheffen van de straf, die de overtreding van Gods wet na zich sleept; wijl er een getrouwe voorstelling van die wet, en van zijn grondregels en vereisten in hun handen gevonden wordt. Het is niet genoeg om goede voornemens te hebben; het is niet genoeg om te doen, wat de mensen goed achten, of wat de predikant goed noemt. De zaligheid van de ziel staat op het spel, en men behoort de Schrift voor zichzelf te onderzoeken. Hoe sterk iemands overtuigingen ook zijn mogen, hoe zeer hij ook vertrouwt, dat de predikant weet, wat de waarheid is, dat is geen fondament voor hem. Hij heeft een kaart, die elk teken op de reis naar de hemel aangeeft, en hij behoeft naar niets te gissen.

Het is de eerste en hoogste plicht van ieder redelik wezen, uit de Schriften te leren wat waarheid is, en dan in het licht te wandelen, en anderen aan te moedigen om zijn voorbeeld te volgen. We behoren de Bijbel dageliks ijverig te onderzoeken, iedere gedachte overwegende, en schriftuurplaats met schriftuurplaats vergelijkend. Met hulp van Boven moeten we zelfstandige opinies vormen, daar we ons persoonlik voor God zullen moeten verantwoorden.

De waarheden, welke in de Bijbel het duidelikst worden geopenbaard, zijn in twijfel en duisternis gehuld door geleerden, die, voorgevende grote wijsheid te bezitten, leren, dat de Schriften een verborgene, geheime en geestelike betekenis hebben, welke niet duidelik is uit de woorden, die gebruikt zijn. Die mannen zijn valse leraars. Het was van zulk een klasse dat Jezus verklaarde: “Gij weet de Schriften niet, noch de kracht Gods.” De bijbeltaal behoort uitgelegd te worden volgens zijn klaarblijkelike betekenis, tenzij er een symbool of beeld gebruikt is. Christus heeft de belofte gegeven: “Zo iemand wil Zijn wil doen, die zal van deze leer bekennen (zal daaromtrent duidelikheid hebben).” Indien de mensen de Bijbel maar wilden nemen, zoals men hem leest, en er geen valse leraars waren om hun verstand te misleiden en te verbijsteren, er zou een werk gedaan kunnen worden, dat engelen verblijden zou, en dat duizenden bij duizenden, die nu in dwaling omdolen, in de schaapskooi van Christus zou brengen.

We behoren al de kracht van ons verstand in te spannen bij het onderzoek van de Schrift, en onze bevatting te scherpen, ten einde de verborgen dingen Gods te verstaan, zo verre dit voor stervelingen mogelik is: tegelijkertijd niet vergetende, dat de leerzaamheid en onderwerping van een kind de ware geest is van hem, die leren wil. Geestelike moeilikheden kunnen nooit door dezelfde middelen te boven gekomen worden, die men gebruikt bij het naspeuren van filosofiese vraagstukken. We behoren ons niet tot het onderzoek van de Bijbel te begeven met dat zelfvertrouwen, waarmede zo velen het rijk van de wetenschap binnengaan, maar met een biddende afhankelikheid van God, en een oprechte begeerte om Zijn wil te leren kennen. Wij moeten met een nederige en leerzame geest komen, om kennis te verkrijgen van de grote “IK BEN, Die Ik zijn zal.” Anders zullen boze engelen ons verstand verblinden en onze harten z— verharden, dat de waarheid geen indruk op ons maakt.

Menig gedeelte van de Schrift, dat door geleerden een verborgenheid genoemd, of als onbelangrijk ter zijde gesteld wordt, is vol troost en lering voor iemand, die onderwezen is in de school van Christus. Eén reden, waarom veel godgeleerden geen duideliker begrip hebben van Gods woord, is, dat ze hun ogen sluiten voor waarheden, die ze niet in beoefening wensen te brengen. Het verstaan van de bijbelse waarheid hangt niet zozeer af van de kracht van verstand, die aan het onderzoek besteed wordt, als van de oprechtheid van de bedoeling, en het ernstig verlangen naar gerechtigheid.

De Bijbel behoort niet zonder gebed onderzocht te worden. De Heilige Geest alleen kan ons het gewicht doen gevoelen van die dingen, welke gemakkelik te verstaan zijn, of ons verhinderen, waarheden te verdraaien, die zich moeilik laten begrijpen. Het is het werk van engelen uit de hemel, het hart voor te bereiden, om alzo het woord Gods te verstaan, dat we bekoord worden door de schoonheid, vermaand door de waarschuwingen, of bezield en versterkt door de beloften ervan. We behoren de bede van de psalmist tot de onze te maken: “Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.” Verzoekingen schijnen dikwels onweerstaanbaar, omdat hij, die verleid wordt, door traagheid in bidden en schriftonderzoek zich Gods beloften niet dadelik herinnert, en Satan daarom niet ontmoeten kan met de wapenen van de Schrift. Doch engelen omringen degenen, die gewillig zijn om onderwezen te wo den in Goddelike zaken; en in de tijden van grote nood zullen die hun juist de waarheden, waaraan ze behoefte hebben, voor de geest brengen. Aldus: “als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des Heren de banier tegen hem op-richten.”

Jezus beloofde Zijn discipelen: “De Trooster, de Heilige Geest, welke de Vader zenden zal in Mijn naam, die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.” Maar Christus’ onderwijs moet van tevoren in het hart opgenomen zijn, zal de Geest Gods het ons indachtig kunnen maken in de tijd van het gevaar. Ik heb “Uw rede in mijn hart verborgen,” zei David, “opdat ik tegen U niet zondigen zou.”

Allen, die hun eeuwige belangen op prijs stellen, behoren te waken tegen aanvallen van twijfel. De grondvesten zelfs van de waarheid zullen aangevallen worden. Het is onmogelik om buiten het bereik te blijven van de spot en de drogredenen, de valse en verderfelke leringen van het hedendaagse ongeloof. Satan maakt zijn verleidingen passend voor alle klassen. Hij valt de ongeleerden aan met scherts en een spotlach, terwijl hij de welopgevoeden tegentreedt met wetenschappelike tegenwerpingen en filosofiese redeneringen, beide berekend om wantrouwen of verdenking van de Schrift levendig te maken. Jongelieden zelfs van luttele ondervinding matigen zich het recht aan om te twijfelen aangaande de grondregels van het Christendom. En dit ongeloof van de jeugd, oppervlakkig als het is, heeft toch zijn invloed. Velen worden er aldus toe gebracht om te spotten met het geloof van hun vaderen, of de geest der genade te verachten. Menig leven, dat een eer voor God en een zegen voor de wereld beloofde te zijn, is door de adem van het ongeloof vergiftigd. Allen die vertrouwen op de pochende gevolgtrekkingen van de menselike rede, en zich inbeelden, dat ze Goddelike verborgenheden verklaren, en tot de waarheid komen kunnen zonder behulp van de wijsheid Gods, worden in de strik van Satan gevangen.

Wij leven in het ernstigste tijdperk van de geschiedenis van deze wereld. Het lot van de wemelende mensescharen op aarde zal spoedig beslist zijn. Ons eigen toekomstige welzijn, zowel als de zaligheid van andere zielen, hangt af van de koers, die we in deze tijd volgen. Wij hebben er behoefte aan, door de Geest der waarheid geleid te worden. Iedere volgeling van Christus behoort ernstig te vragen: “Heer, wat wilt Gij, dat ik doen zal?” Het is nodig, dat dat we ons voor de Heer verootmoedigen met vasten en bidden, en veel over Zijn woord peinzen, voornamelik over de tonelen van het oordeel. We behoren nu naar een diepe en levendige ondervinding te streven in de dingen Gods. Geen ogenblik valt er te verliezen. Gebeurtenissen van het grootste gewicht grijpen aan alle zijden om ons heen plaats; we staan op het betoverde gebied van Satan. Slaapt niet, schildwachten Gods! de vijand beloert u van nabij, gereed om u ieder ogenblik te bespringen, en u tot zijn prooi te maken, indien ge verslapt of slaperig wordt.

Velen worden misleid, wat hun ware toestand voor God betreft. Ze heten zich gelukkig om de verkeerde daden, die ze niet bedrijven, en vergeten de goede en edele daden op te sommen, die God van hen verlangt, maar die ze nagelaten hebben te doen. Het is niet genoeg, dat ze bomen van des Heren planting zijn. Ze moeten aan Zijn verwachting voldoen door vruchten te dragen. Hij houdt hen aansprakelik voor hun tekortkomingen in het verrichten van al het goede, dat ze, door Zijn genade gesterkt, hadden kunnen doen. In de boeken des hemels staan ze opgetekend als onnuttiglik de aarde beslaande. Toch is zelfs de zaak van deze klasse nog niet volkomen hopeloos. Het hart der lankmoedige liefde pleit nog steeds met degenen, die Gods barmhartigheid geminacht, en Zijn genade misbruikt hebben. “Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt! en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten. Ziet dan, hoe ge voorzichtiglik wandelt, de tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn.”

Wanneer de tijd van toetsing komen zal, zullen allen, die Gods woord tot hun leefregel gemaakt hebben, openbaar worden. In de zomer is er geen merkbaar verschil tussen altijd groene en andere bomen; maar wanneer de rukwinden van de winter waaien, blijven de altijd groene onveranderd, terwijl andere bomen van hun bladeren worden beroofd. Evenzo kan de belijder, wiens hart vals is, nu misschien niet onderscheiden worden van de ware Christen, maar de tijd is zeer nabij, wanneer het verschil uitkomen zal. Laat er tegenstand ontstaan, laten bijgelovigheid en onverdraagzaamheid weer de boventoon voeren, laat vervolging weer losbarsten, en de halfhartigen en schijnheiligen zullen wankelen, en het geloof opgeven maar de ware Christen zal pal staan als een rots, met sterker geloof en levendiger hoop dan in de dagen van voorspoed.

De psalmist zegt: “Uw getuigenissen zijn mijn betrachting.” “Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.”

“Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt.” “Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen.”