6. Huss en Jerome

Het evangelie had reeds in de negende eeuw in Bohemen wortel geschoten. De Bijbel was vertaald, en de publieke eredienst werd in de volkstaal waargenomen. Maar naarmate de macht van de paus toenam, werd Gods Woord verduisterd. Gregorius VII., die op zich genomen had, de trots van de koningen te breken, had het zich niet minder ten doel gesteld, het volk tot slavernij te brengen, en gevolgelik werd er een bul uitgevaardigd, verbiedende de publieke eredienst in de Boheemse taal te houden. De paus verklaarde, dat “het Gods welbehagen was, dat Zijn dienst zou gehouden worden in een onbekende taal, en dat veronachtzaming van deze regel aanleiding had gegeven tot veel kwaad en ketterijen.” Alzo verordende Rome, dat het licht van Gods Woord zou uitgedoofd, en het volk in duisternis besloten zou worden. Maar God had andere middelen verschaft om de kerk te bewaren. Vele Waldenzen en Albigenzen, die door vervolging uit hun woonsteden in Frankrijk en Italië verdreven waren, gingen naar Bohemen. Ofschoon ze niet in het openbaar durfden leren, werkten ze ijverig in het geheim. Z— werd het ware geloof van eeuw tot eeuw behouden.

Vor de tijd van Huss stonden er reeds mensen in Bohemen op, die het bederf in de kerk en de losbandigheid van het volk openlik veroordeelden. Hun werk wekte algemene belangstelling op. De angst van de geestelikheid werd gaande gemaakt, en vervolging tegen de discipelen van het evangelie ingesteld. In de wouden en bergen gedreven om te aanbidden, werden ze door soldaten verjaagd, en velen ter dood gebracht. Na een tijd werd er bekend gemaakt, dat allen, die van de Roomse eredienst afweken, verbrand zouden worden. Maar terwijl de Christenen hun leven opofferden, zagen ze uit naar de triomf van hun zaak. Een van hen, die gepredikt had, dat zaligheid alleen gevonden wordt door geloof in de gekruiste Heiland, verklaarde stervende: “De woede van de vijanden der waarheid heeft tans de overhand over ons, maar het zal niet altijd zo zijn; er zal iemand opstaan uit het gewone volk, zonder zwaard of gezag, en ze zullen tegen hem niet ver-mogen.” Luthers tijd lag nog ver in het verschiet; doch reeds nu stond er een man op, wiens getuigenis tegen Rome de volkeren beroeren zou.

Johannes Huss was de zoon van eenvoudige ouders, en verloor zijn vader op jeugdige leeftijd. Zijn vrome moeder, die opvoeding en godvrezendheid als bezittingen van de grootste waarde achtte, trachtte deze erfenis voor haar zoon te verzekeren. Huss bezocht de plaatselike school, en ging daarna naar de universiteit te Praag, waar hij als vrije student toegelaten werd. Zijn moeder begeleidde hem op zijn reis naar Praag, een arme weduwe, die haar zoon geen aardse schatten schenken kon; maar toen ze nabij de grote stad kwamen, knielde ze naast de vaderloze jongeling neer, en smeekte de zegen van hun Vader in de hemelen op hem af. Weinig vermoedde die moeder, hoe haar gebed verhoord zou worden.

Op de universiteit onderscheidde Huss zich al spoedig door zijn onvermoeide ijver en zijn snelle vorderingen, terwijl zijn onbesproken leven en stil, innemend gedrag hem algemene achting verwierven. Hij was een oprecht aanhanger van de Roomse Kerk, en zocht ernstig naar de geestelike zegeningen, welke die voorgeeft te verlenen. Bij gelegenheid van een. jaarfeest ging hij ter biecht, betaalde de laatste paar geldstukken die hij bezat, en nam zijn plaats in de processies in, om deel te mogen erlangen aan de beloofde vergiffenis. Na zijn kursus aan de hogeschool afgelopen te hebben, werd hij priester, en daar hij zich snel een naam maakte, vond hij al spoedig een plaats aan het hof van de koning. Ook werd hij professor en later rektor gemaakt van de universiteit, waar hij zijn opvoeding genoten had. In weinige jaren was de eenvoudige vrije scholier de trots van zijn land geworden, en zijn naam door geheel Europa bekend.

Maar het was in een ander veld, dat Huss het hervormingswerk begon. Verscheidene jaren, nadat hij als priester geordend was, werd hij tot prediker van de kapel van Bethlehem aangesteld. De stichter van deze kapel had, als een zaak van groot gewicht, het prediken van de Schriften in de volkstaal voorgestaan. Niettegenstaande Rome’s tegenstand tegen dit gebruik, was het niet geheel en al opgeheven in Bohemen. Maar er bestond grote onkunde aangaande de Bijbel, en de ergste ondeugden heersten onder het volk van alle klassen. Deze zonden bestrafte Huss met gestrengheid, zich beroepende op Gods Woord, om de beginselen van waarheid en reinheid, welke hij inprentte, te bekrachtigen.

Een burger van Praag, Jérome, die later zo nauw met Huss verbonden geraakte, had, uit Engeland terugkerende, de geschriften van Wycliffe met zich medegebracht. De koningin van Engeland, die door Wycliffe’s leer bekeerd was, was een Boheemse prinses, en het was almede door haar invloed, dat de werken van de hervormer wijd en zijd door haar geboorteland verspreid werden. Huss las deze werken met belangstelling; hij geloofde, dat de schrijver ervan een oprecht Christen was, en was geneigd de hervormingen, welke hij voorstond, uit een gunstig oogpunt te beschouwen. Onwetend had Huss zich alzo reeds op een pad gewaagd, dat hem ver van Rome af zou voeren.

Gedurende deze tijd werd Praag bezocht door twee vreemdelingen uit Engeland, geleerde mannen, die het licht ontvangen hadden, en het in dit verre land waren komen verspreiden. Beginnende met de pauselike oppermacht openlik aan te vallen, werden ze al spoedig door de overheden gestild; maar daar ze hun plan niet wilden opgeven, namen ze de toevlucht tot andere middelen. Ze waren kunstschilders zowel als predikers, en begonnen hun handwerk uit te voeren. Op oen plaats, die aan het publiek open stond, tekenden ze twee schilderijen. De een beeldde Christus’ intocht in Jeruzalem af, “zachtmoedig en gezeten op een ezelin” en gevolgd door Zijn discipelen in versleten klederen en barrevoets. De andere schilderij stelde een pauselike processie voor,— de paus, met kostbare klederen bekleed, en met zijn drievoudige kroon, gezeten op een prachtig uitgedost paard, voorafgegan van trompetters, en gevolgd door kardinalen en prelaten in schitterende tooi.

Hier was een preek, welke de aandacht van alle klassen tot zich trok. Scharen van mensen kwamen de schilderijen kijken. Niemand kon wel anders dan de moraal erin lezen, en velen waren diep getroffen door de tegenstelling van de zachtmoedigheid en nederigheid van Christus, de Meester, en de trots en aanmatiging van de paus, Zijn zogenaamde dienstknecht. Er ontstond een grote beweging te Praag, en het werd na een tijd raadzaam voor de vreemdelingen, om voor hun eigen veiligheid te vertrekken. Maar de les, die ze waren komen leren, werd niet vergeten. De schilderijen maakten een diepe indruk op Huss, en leidde hem tot uitgebreider studie van de Bijbel en van Wycliffe’s geschriften. Ofschoon hij zelfs toen nog niet gereed was, al de hervormingen, door Wyeliffe voorgestaan, aan te nemen, zag hij duideliker het ware karakter van het pausdom in, en de verdorvenheid van de priesterschap.

Van Bohemen uit verbreidde zich het licht in Duitschland; want rustverstoringen aan de universiteit van Praag waren oorzaak, dat honderden Duitse studenten zich terugtrokken. Velen van hen hadden van Huss hun eerste kennis van de Bijbel ontvangen, en na hun terugkeer verspreidden ze het evangelie in hun vaderland.

Tijdingen van het werk te Praag werden naar Rome overgebracht, en Huss werd al spoedig opgeroepen om voor de paus te verschijnen. Te gehoorzamen zou zich aan een gewisse dood blootstellen zijn. De koning en koningin van Bohemen, de universiteit, de edellieden en regeringsbeambten verenigden zich in een verzoek aan de paus, dat het Huss vergund mocht worden te Praag te blijven, en zich te Rome door een afgevaardigde te verantwoorden. In plaats van aan dit verzoek gehoor te geven, ging de paus over tot het verhoor en de veroordeling van Huss, en deed daarna de stad Praag in de ban.

In die tijd veroorzaakte dit vonnis, wanneer ook uitgesproken, algemene ontzetting. De plechtigheden, die ermede gepaard gingen, waren wel berekend om een volk schrik aan te jagen, dat de paus aanzag voor de vertegenwoordiger van God zelf, die de sleutels van hemel en hel in handen had, en macht bezat om tijdelike zowel als geestelike oordelen uit te spreken. Men geloofde, dat de hemelpoorten gesloten waren voor een streek, die onder de ban lag, en dat de doden buitengesloten waren van de verblijfplaatsen van de zaligen, totdat de ban was opgeheven. Ten teken van dit vreselike onheil werd alle godsdienstige eredienst gestaakt. De kerken werden gesloten. Huweliken werden op de kerkhoven voltrokken. De doden, aan wie ter aarde bestelling in de gewijde grond ontzegd was, werden zonder begrafenisplechtigheden in sloten of velden begraven. Op die wijze trachtte Rome door middelen, die op de verbeelding werkten, de gewetens van mensen in bedwang te houden.

De stad Praag was in rep en roer. Een groot deel van de bevolking beschuldigde Huss als de oorzaak te zijn van al hun onheil, en eiste, dat hij aan de wraak van Rome zou overgegeven worden. Om de storm te laten bedaren, trok de hervormer zich voor een tijd terug naar het dorp van zijn geboorte. Aan vrienden, die hij te Praag achtergelaten had, schrijvende, zei hij: “Dat ik me uit het midden van u heb teruggetrokken, is geweest om het voorschrift en voorbeeld van Jezus Christus te volgen, ten einde de slechtgezinden geen eeuwige veroordeling over zich te laten brengen, en voor de vromen geen oorzaak van moeite en vervolging te zijn. Ik heb me ook teruggetrokken uit vrees, dat goddeloze priesters langer zouden voortgaan, de prediking van Gods Woord onder u te ver-bieden; maar ik heb u niet verlaten om de Goddelike waar heid te verloochenen, waarvoor ik met Gods hulp bereid ben te sterven.” Huss staakte zijn arbeid niet, maar doorreisde het omliggende land, en predikte voor belangstellende menigten. Z— waren de middelen, die de paus aanwendde om het evangelie te onderdrukken, oorzaak, dat het meer algemeen verspreid werd. “Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar vor de waarheid.”

“Het gemoed van Huss schijnt op dit punt van zijn loopbaan het toneel van een pijnlike strijd geweest te zijn. Ofschoon de kerk hem met zijn donderslagen trachtte te overweldigen, had zich niet aan het gezag ervan onttrokken. De Roomse Kerk was voor hem nog steeds de bruid van Christus, en de paus de vertegenwoordiger en stedehouder Gods. Waar Huss zich tegen verzette, was het misbruik van gezag, niet het beginsel zelf. Dit veroorzaakte een vreselike strijd tussen zijn verstandelike overtuiging en de eisen van zijn geweten. Indien het gezag rechtvaardig en onfeilbaar was, zoals hij geloofde het geval te zijn, hoe kwam het dan, dat hij zich gedwongen gevoelde, er ongehoorzaam aan te wezen? Gehoorzamen was, gelijk hij inzag, zonde; maar waarom zou gehoorzaamheid aan een onfeilbare kerk tot zulk een uitkomst leiden? Dat was het vraagstuk, dat hij niet kon oplossen; dat was de twijfel, die hem van uur tot uur martelde. De naaste oplossing, waartoe hij komen kon, was, dat gelijk eenmaal tevoren in de dagen van de Heiland, de priesters van de kerk opnieuw slechte mensen geworden waren, die hun wettig gezag tot onwettige doeleinden aanwendden. Dit leidde hem ertoe, als zijn eigen richtsnoer de grondregel aan te nemen, en die ook aan anderen als het hunne te prediken, dat de voorschriften van de Schrift, door het verstand aan ons verklaard, het geweten moéten beheersen; met andere woorden, dat de stem van God door de Bijbel, en niet die van de kerk, door de priesters sprekende, de enige onfeilbare gids is.”

Toen de onrust te Praag na een tijd bedaarde, keerde Huss naar de kapel van Bethlehem terug, om met grotere ijver en moed de prediking van Gods Woord te hervatten. Zijn vijanden waren werkzaam en machtig, maar de koningin en vele edelen waren zijn vrienden, en het volk deelde in groten getale zijn overtuiging. Zijn zuiver en zielsverheffend onderwijs en zijn heilig leven vergelijkende met de verdorven leerstellingen, die de Roomsen predikten, en de gierigheid en zedeloosheid van hun praktijken, achtten velen het een eer om aan zijn zijde te staan.

Tot hiertoe had Huss alleen gestaan in zijn arbeid; maar nu nam Jérome, die, terwijl hij in Engeland was, de leringen van Wycliffe had aangenomen, aan het hervormingswerk deel. Deze twee waren van nu aan verenigd in hun leven, en in de dood zouden ze niet gescheiden worden. Jérome bezat in hoge mate een schitterend genie, welsprekendheid en geleerdheid — gaven, die de gunst van het volk winnen — maar Huss stond boven hem in die eigenschappen, welke de ware kracht van het karakter uitmaken. Zijn kalm oordeel hield de drijvende geest van Jérome in toom, die met ware nederigheid zijn waarde erkende, en aan zijn raadgevingen gehoor gaf. Onder hun verenigde arbeid breidde de hervorming zich sneller uit.

God bescheen het verstand van deze uitverkoren mannen met helder licht, en openbaarde hun vele van de dwalingen van Rome; toch ontvingen ze niet al het licht, dat aan de wereld moest gegeven worden. Door deze Zijn diensknechten bracht God het volk uit de duisternis van het Roomse stelsel; maar ze moesten nog vele en grote hinderpalen ontmoeten; en Hij leidde hen van stap tot stap verder, naardat ze het konden verdragen. Ze waren niet gereed om al het licht tegelijk te ontvangen. Evenals de volle glans van de middagzon hen, die lang in duisternis gewoond hebben, zich doet afkeren, zo zou het ook met dezen gegaan zijn. Daarom openbaarde Hij het licht trapsgewijze aan de leiders, naardat het volk het ontvangen kon. Van eeuw tot eeuw zouden andere getrouwe werkers volgen, om de mensen nog verder te leiden op het pad van de hervorming.

De scheuring in de kerk bleef voortduren. Drie pausen stonden naar de opperheerschappij, en hun strijd vervulde de Christenheid met misdaad en onrust. Niet tevreden met het uitspreken van banvloeken, namen ze de toevlucht tot wereldlike wapenen. Elkeen beijverde zich om wapenen te kopen en soldaten aan te werven. Natuurlik moest er geld zijn; en om dit te verkrijgen, werden al de begiftigingen, ambten, en zegeningen van de kerk te koop aangeboden. Ook de priesters, die hun meerderen volgden, namen de toevlucht tot simonie en oorlog om hun mededingers te vernederen, en hun eigen macht te versterken. Met dageliks toenemende vrijmoedigheid woedde Huss tegen de gruwelen, die in naam van de godsdienst toegelaten werden; en het volk klaagde de Roomse hoofden openlik aan als de oorzaak van de onheilen, die er over de Christenheid losbraken.

Opnieuw scheen de stad Praag op het punt van in een bloedige strijd gewikkeld te worden. Gelijk in vroegere tijden werd Gods dienstknecht aangeklaagd als “die beroerder van Israël.” De stad werd opnieuw in de ban gedaan, en Huss trok zich naar zijn geboorteplaats terug. Het getuigenis, dat hij zo getrouw had afgelegd in zijn geliefde kapel van Bethlehem, was ten einde. Hij moest op een ruimer toneel, ten aanhoren van de gehele Christenheid spreken, vordat hij zijn leven zou afleggen als een getuige voor de waarheid.

Om de onheilen te herstellen, die Europa verscheurden, werd er eep algemeen koncilie te Constance samengeroepen. De raadsvergadering werd op de wens van keizer Sigismund door een van de drie wedijverende pausen, Johannes XXIII., belegd. De eis om een koncilie was verre van welkom geweest aan Paus Johannes, wiens karakter en gedragslijn nauweliks onderzoek konden verdragen, zelfs niet van prelaten, zo los van zeden als de geesteliken van die dagen. Hij durfde zich echter niet tegen de wil van Sigismund verzetten.

Het voornaamste doel, dat het koncilie zich voorstelde, was het helen van de scheuringen in de kerk, en het uitroeien van de ketterij. Vandaar dat de twee mededingende pausen, zowel als de voornaamste voorstander van de nieuwe meningen, Johannes Huss, opgeroepen werden, om ervoor te verschijnen. De eersten, die hun persoonlike veiligheid op prijs stelden, verschenen niet in persoon, maar werden door hun afgevaardigden vertegenwoordigd. Paus Johannes, ofschoon schijnbaar de belegger van het koncilie, ging er met duistere voorgevoelens heen, daar hij vermoedde, dat het geheime doel van de keizer was, hem af te zetten, en vreesde, dat hij tot verantwoording geroepen zou worden voor de zonden, waarmede hij de drievoudige kroon onteerd had, zowel als voor de misdaden, door welke hij die had verkregen. Toch deed hij zijn intocht in de stad Constance met grote praal, vergezeld van geesteliken van de hoogste rang, en door een stoet van hovelingen gevolgd. Al de geesteliken en waardigheidsbekleders van de stad, met een grote menigte burgers, gingen uit om hem te verwelkomen. Boven zijn hoofd was een gouden hemel, door vier van de voornaamste magistraten gedragen. De hostie werd vor hem uitgedragen, en de rijke klederen van de kardinalen en edelen maakten een indrukwekkende vertoning.

Onderwijl naderde een andere reiziger Constance. Huss was zich bewust van de gevaren, die hem dreigden. Hij nam afscheid van zijn vrienden, alsof hij hen nooit weer zou ontmoeten, en aanvaardde zijn reis, gevoelende, dat die hem naar de brandstapel zou leiden. Niettegenstaande hij een vrijgeleide van de koning van Bohemen had gekregen, en hij er ook een ontving van keizer Sigismund, terwijl hij op reis was, regelde hij zijn zaken met het oog op de waarschijnlikheid van zijn dood.

In een brief aan zijn vrienden te Praag schreef hij: “Ik vertrek, mijn broeders, met een vrijgeleide van de koning, om mijn talrijke en dodelike vijanden te gaan ontmoeten. . . . Ik vertrouw volkomen op de almachtige God, op mijn Heiland; ik vertrouw, dat Hij uw vurige gebeden zal verhoren; dat Hij Zijn voorzichtigheid en wijsheid in mijn mond zal leggen, opdat ik hen zal kunnen weerstaan; en dat Hij me Zijn Heilige Geest zal schenken om me te sterken in Zijn waarheid, zodat ik met moed verleidingen, gevangenis, en, zo nodig, een wrede dood in het aangezicht zal kunnen zien. Jezus Christus leed voor Zijn veelgeliefden; en zou het ons dan verwonderen, dat Hij ons Zijn voorbeeld heeft nagelaten, opdat we met geduld alles zouden verdragen voor onze eigen zaligheid? Hij is God, en wij zijn Zijn schepselen; Hij is de Meester, en wij zijn Zijn dienstknechten; Hij is de Heer van de wereld, en wij zijn Zijn veraehtelike stervelingen: — toch leed Hij! Waarom dan zouden wij ook niet lijden, vo—rnamelik wanneer het lijden reiniging voor ons betekent? Daarom, geliefden, indien mijn dood Hem zou moeten verheerliken, bidt dan, dat die spoedig moge komen, en de Heer me moge in staat stellen, al mijn rampen met standvastigheid te verduren. Maar als het beter zal zijn, dat ik tot u terugkeer, laten we dan God bidden, dat ik terugkeren moge zonder blaam,— dat is, dat ik geen tittel van de waarheid van het evangelie moge onderdrukken, opdat ik mijn broederen een goed voorbeeld ter navolging achterlate. Ge zult derhalve mijn aangezicht waarschijnlik nooit meer te Praag aanschouwen; maar zou de wil van God Almachtig het goedachten, me aan u terug te geven, laat ons dan met een vaster hart toenemen in de kennis van en de liefde tot Zijn wet.”

In een andere brief aan een priester, die een volgeling van het evangelie geworden was, sprak Huss met diepe nederigheid over zijn eigen dwalingen, zichzelf aanklagende, dat het hem genoegen verschaft had, rijke klederen te dragen, en hij uren verspild had met ijdele arbeid. Hieraan voegde hij deze treffende vermaningen toe: “Mogen de heerlikheid Gods en de redding van zielen uw gedachten bezighouden, en niet het bezit van kerkelike ambten en goederen. Wacht u van uw huis meer te versieren dan uw ziel; en bovenal, draag zorg voor het geestelik gebouw. Wees vroom en nederig bij de armen, en verteer uw vermogen niet met feestvieren. Indien ge uw leven niet verbetert, en u van overdaad onthoudt, vrees ik, dat ge streng gestraft zult worden, gelijk ikzelf. ... Ge kent mijn leer, want ge hebt mijn onderricht ontvangen van uw kindsheid aan; daarom is het nutteloos voor mij om u nog verder te schrijven. Maar ik bezweer u bij de genade van onze Heer, dat ge mij niet navolgt in een van de ijdelheden, waarin ge mij hebt zien vallen.” Op het koevert van de brief voegde hij er aan toe: “Ik bezweer u, mijn vriend, dit zegel niet te verbreken, tot ge de zekerheid zult ontvangen hebben, dat ik dood ben.”

Op zijn reis ontving Huss overal blijken van de verspreiding van zijn leerstellingen, en het welgevallen, waarmede zijn zaak werd beschouwd. Het volk liep tezamen om hem te zien, en in sommige steden begeleidden de overheden hem door hun straten.

Te Constance aangekomen werd aan Huss volle vrijheid toegestaan. Aan het vrijgeleide van de keizer werd een persoonlike verzekering van bescherming door de paus toegevoegd. Doch met schending van deze plechtige en herhaalde verzekeringen werd de hervormer kort daarna in hechtenis genomen op last van de paus en de kardinalen, en in een afschuwelike gevangenis geworpen. Later werd hij naar een sterk kasteel aan de overkant van de Rijn overgebracht, en daar als gevangene bewaard. De paus echter trok weinig voordeel van zijn verraad, want hijzelf werd spoedig daarop in dezelfde gevangenis opgesloten. Hij was door het kon cilie schuldig bevonden aan de laagste misdaden, behalve moord, simonie, en overspel, “zonden, die niet genoemd konden worden.” Dit verklaarde het koncilie zelf; en eindelik werd de drievoudige kroon van hem afgenomen, en hij in de gevangenis geworpen. De mededingende pausen werden eveneens afgezet, en een nieuwe paus gekozen.

Ofschoon de paus zelf zich aan grotere misdaden had schuldig gemaakt, dan waarvan Huss de priesters ooit had beschuldigd, en voor welke hij een hervorming had geëist, ging hetzelfde koncilie, dat de paus onteerd had, over tot vernietiging van de hervormer. De gevangenzetting van Huss veroorzaakte grote verontwaardiging in Bohemen. Invloedrijke edellieden wendden zich tot het koncilie met ernstige protesten tegen deze gruwel. De keizer, die de schending van een vrijgeleide ongaarne gedoogde, verzette zich tegen de wijze, waarop met hem gehandeld werd. Maar de vijanden van de hervormer waren kwaadaardig en ten volle besloten. Ze beriepen zich op de vooroordelen van de keizer, op zijn vrees, op zijn ijver voor de kerk. Ze leverden langgerekte argumenten om te bewijzen, dat “beloften aan ketters, of aan personen van ketterij verdacht, niet behoren gehouden te worden, zelfs al zijn ze voorzien van een vrijgeleide van de keizer en koningen.” Op deze wijze bereikten ze hun doel.

Verzwakt door ziekte en opsluiting,— want de vochtige, bedorven lucht in zijn kerker veroorzaakte een koorst, die hem bijna het leven kostte — werd Huss eindelik voor het koncilie gebracht. Met ketenen beladen stond hij in de tegenwoordigheid van de keizer, die zijn eer en trouw verpand had, om hem te beschermen. Gedurende zijn lange verhoor stond hij pal voor de waarheid, en in de tegenwoordigheid van de vergaderde hoofden van Kerk en Staat protesteerde hij ernstig en getrouw tegen de verdorvenheid van de priesterschap. Toen er van hem geëist werd, te kiezen tussen het herroepen van zijn leerstellingen of de dood, koos hij het lot van de martelaar.

Gods genade hield hem staande. Gedurende de weken van lijden, die er verliepen vor zijn vonnis uitgevoerd werd, vervulde de vrede des hemels zijn ziel. “Ik schrijf deze brief,” schreef hij aan een vriend, “in de gevangenis, met mijn geboeide hand, en verwacht morgen mijn doodvonnis. Wanneer wij, door de tussenkomst van Jezus Christus, elkander weder zullen ontmoeten in de heerlike vrede van het toekomstige leven, zult ge weten, hoe genadig God zich over mij bewezen heeft — hoe krachtig Hij me heeft ondersteund te midden van verleidingen en beproevingen.”

In de duisternis van zijn gevangenis voorzag hij de zegepraal van het ware geloof. In zijn dromen teruggaande naar de kapel te Praag, waar hij het evangelie verkondigd had, zag hij de paus en zijn bisschoppen de afbeeldingen van Christus uitwissen, die hij op de muren geschilderd had. “Hij was diep bewogen door dit gezicht: maar de volgende dag verkeerde zijn droefheid in vreugde, daar hij vele kunstenaars zag komen, die de afbeeldingen vernieuwden, en dat in groter getal en helderkleurige verven. Toen hun werk voleindigd was, riepen de schilders tot de grote schare, die zich rondom hen vergaderd had: ‘Laten de pausen en bisschoppen nu maar komen! Nooit zullen ze deze meer uitwissen.’ ” De hervormer sprak, toen hij zijn droom verhaalde: “Ik ben er zeker van, dat het beeld van Christus nooit zal uitgewist worden. Ze hebben het wensen uit te roeien, maar het zal opnieuw op de harten van de mensen gegrift worden door veel betere predikers dan ik geweest ben.”

Voor de laatste maal werd Huss voor het koncilie gebracht. Het was een grote en schitterende vergadering,— de keizer, de prinsen van het rijk, en de koninklike afgevaardigden, de kardinalen, bisschoppen, priesters, en een ontzaglike menigte, die samengekomen was om de gebeurtenissen van de dag bij te wonen. Uit alle delen van de Christenheid waren er getuigen bijeen van dit eerste grote offer in de lange strijd, waardoor er vrijheid van geweten moest worden verzekerd.

Opgeroepen om zijn eindbesluit te doen horen, verklaarde Huss, dat hij weigerde af te zweren, en zijn doordringende blik op de keizer vestigend, wiens gegeven woord zo schandelik geschonden was, verklaarde hij: “Uit vrije wil besloot ik voor dit koncilie te verschijnen, onder de publieke bescherming en belofte van de keizer, hier tegenwoordig.” Het gelaat van Sigismund kleurde zich donkerrood, toen de ogen van allen in de vergadering zich op hem vestigden.

Nadat het vonnis uitgesproken was, begon de plechtigheid van de ontering. De bisschoppen bekleedden hun gevangene met een priestermantel, en toen hij dit priesterlik gewaad aandeed, sprak hij: “Onze Heer Jezus Christus werd een wit kleed aangedaan om Hem te honen, toen Herodus Hem vor Pilatus voerde.” Toen hij wederom aangemaand werd om terug te trekken, antwoordde hij, zich naar het volk kerende: “Hoe zou ik dan de hemelen kunnen aanzien? Hoe zou ik mijn aangezicht kunnen vertonen voor de scharen van mensen, aan wie ik het reine evangelie gepredikt heb? Neen; ik acht hun zaligheid meer dan dit arme lichaam, dat nu ten dode bestemd is.” De kledingstukken werden een voor een afgenomen, en iedere bisschop sprak een vloek uit, terwijl hij zijn deel van de plechtigheid uitvoerde. Ten slotte werd er een hoed of puntig gevormde papieren mijter op zijn hoofd gezet, waarop vreselike figuren van duivels geschilderd waren, en die tot opschrift droeg: “De Aartsketter.” “Met blijdschap zal ik deze kroon der schande dragen om Uwentwil, o Heer Jezus, die voor mij een doornekroon gedragen hebt”, sprak hij.

Op die wijze uitgedost, “zeiden de prelaten: ‘Nu geven we uw ziel aan de duivel over.’ ‘En ik’, zei Johannes Huss, opziende naar de hemel, ‘bevel mijn geest in Uw handen, o Heer Jezus, want Gij hebt mij verlost.’ “

Hij werd tans aan de wereldlike macht overgegeven, en naar de plaats van terechtstelling weggeleid. Een ontzaglike optocht volgde, honderden krijgslieden, priesters en bisschoppen in hun kostbare kleding, en de inwoners van Constance. Toen hij aan de paal was gebonden, en alles gereed was om het vuur aan te steken, werd de martelaar nog eenmaal vermaand om zich te redden door zijn dwalingen af te zweren. “Welke dwalingen,” zei Huss, “zal ik herroepen? Ik weet niet, dat ik er aan één schuldig ben. Ik roep God tot getuige, dat al wat ik geschreven en gepredikt heb, geweest is met het doel om zielen van de zonde en het verderf te redden; en daarom zal ik met blijdschap die waarheid, die ik geschreven en gepredikt heb, met mijn bloed bezegelen.”

Toen de vlammen om hem heen flikkerden, begon hij te zingen: “Jezus, gij Zone Davids, ontferm u mijner,” en hield daarmede aan, totdat zijn stem voor altijd gestild was.

Zelfs zijn vijanden waren getroffen door zijn heldhaftig gedrag. Een ijverig pausgezinde sprak, de marteldood van Huss en die van Jérome, die kort daarop volgde, beschrijvende: “Beiden bleven standvastig van ziel, toen hun laatste uur naderde. Ze bereidden zich voor het vuur, alsof ze naar een bruiloft gingen. Ze uitten geen enkele smartkreet. Toen de vlammen opstegen, begonnen ze gezangen te zingen; en de hevigheid van het vuur kon nauweliks een einde maken aan hun gezang.”

Toen het lichaam van Huss geheel verteerd was, werd zijn as met de grond, waarop hij lag, verzameld en in de Rijn geworpen, om alzo naar de Oceaan af te drijven. Zijn vervolgers verbeeldden zich in hun opgeblazenheid, dat ze de waarheden, die hij had gepredikt, uitgeroeid hadden. Weinig vermoedden ze dat de as, welke die dag naar de zee werd afgevoerd, zou zijn als zaad, in al de landen van de aarde gestrooid; en dat hij in onbekende landen overvloedig vruchten zou dragen als getuigenis voor de waarheid. De stem, die in de vergaderzaal te Constance gesproken had, verwekte een weerklank, die door al de volgende eeuwen heen gehoord zou worden. Huss was niet meer; maar de waarheden, waar hij zijn leven voor gegeven had, konden nooit uitgeroeid worden. Zijn voorbeeld van geloof en standvastigheid zou scharen van volgelingen bemoedigen om pal te staan voor de waarheid, al wachtten hun marteling en dood. Zijn terechtstelling had aan de gehele wereld de schandelike wreedheid van Rome ten toon gesteld. De vijanden van de waarheid hadden onbewust de zaak bevoordeeld, die ze tevergeefs trachtten te niet te doen.

Er moest nog een tweede brandstapel te Constance opgericht worden. Het bloed van een andere getuige zou nog ter wille van de waarheid vloeien. Jérome had bij het afscheid nemen van Huss, toen deze naar het koncilie vertrok, hem aangemaand om moedig en standvastig te zijn, zeggende, dat indien hij in gevaar zou geraken, hijzelf zich zou haasten om hem te hulp te komen. Zodra hij van de inhechtenisneming van de hervormer hoorde, maakte de getrouwe leerling zich gereed om zijn belofte na te komen. Zonder vrijgeleide en met slechts één reisgenoot begaf hij zich naar Constance op weg. Daar aankomende bemerkte hij, dat hij zich slechts aan gevaar had blootgesteld, zonder dat het hem mogelik was, iets tot bevrijding van Huss te doen. Hij vluchtte uit de stad, maar werd op de terugreis gevangen, met ketenen beladen, en onder bewaring van een troep soldaten teruggebracht. Bij zijn eerste verschijning voor het koncilie werden zijn pogingen om te antwoorden op de beschuldigingen, welke tegen hem ingebracht werden, ontmoet met de kreten: “Naar de brandstapel!” Hij werd in een kerker geworpen, in een houding geketend, die hem zeer veel pijn veroorzaakte, en op brood en water gevoed. Na enige maanden kreeg Jérome ten gevolge van de wreedheden van zijn opsluiting een ziekte, die zijn leven bedreigde; en zijn vijanden, vrezende, dat hij aan hun handen zou ontkomen, behandelden hem met minder hardheid, ofschoon hij een jaar lang in de gevangenis bleef.

De dood van Huss had niet het gevolg gehad, dat de Roomsen hadden gehoopt. De schending van het vrijgeleide had een storm van verontwaardiging verwekt, en het koncilie achtte het veiliger, in plaats van Jérome te verbranden, hem zo mogelik tot herroeping te dwingen. Hij werd voor de vergadering gebracht, en men gaf hem de keus tussen herroepen, of op de brandstapel te sterven. De dood zou bij het begin van zijn gevangenschap genade geweest zijn, in vergelijk van het vreselike lijden, dat hij had ondergaan; maar nu door ziekte, door de ontberingen van zijn gevangenschap, en de marteling van angst en spanning verzwakt, van zijn vrienden gescheiden, en ontmoedigd door de dood van Huss, begaven Jérome de krachten, en hij stemde erin toe, zich aan het koneilie te onderwerpen. Hij beloofde zich vast te zullen houden aan het Katholieke geloof, en keurde de veroordeling van de leerstellingen van Wycliffe en Huss door het koncilie goed, de “heilige waarheden” die ze onderwezen hadden, echter uitgezonderd. 2

Door dit middel trachtte Jérome de stem van zijn geweten te stillen en aan zijn oordeel te ontkomen, doch in de stilte van zijn gevangenis zag hij duidelik in, wat hij gedaan had. Hij dacht aan de moed en de trouw van Huss, en in tegenstelling daarvan peinsde hij over zijn eigen ontkenning van de waarheid. Hij dacht aan de Goddelike Meester, die hij beloofd had te zullen dienen, en Die om zijnentwil de dood des kruises had ondergaan. Vor zijn herroeping had hij te midden van al zijn lijden troost gevonden in de verzekering van Gods gunst; maar nu peinigden berouw en twijfel zijn ziel. Hij wist, dat hij nog meer zou moeten herroepen, eer hij met Rome vrede kon hebben. Het pad, dat hij had ingeslagen, kon slechts op volkomen afval eindigen. Zijn besluit was genomen: om een korte tijd van lijden te ontkomen, zou hij zijn Heer niet verloochenen.

Spoedig werd hij nogmaals voor het koncilie gebracht. Zijn onderwerping had zijn rechters niet bevredigd. Hun bloeddorst, door de dood van Huss geprikkeld, eiste nieuwe slachtoffers. Alleen door een onvoorwaardelik opgeven van de waarheid kon Jérome zijn leven redden. Maar hij was vast besloten, zijn geloof te belijden, en zijn broeder-martelaar naar de brandstapel te volgen.

Hij trok zijn vorige herroeping terug, en verzocht als een stervende, dat hem een gelegenheid gegeven zou worden om zich te verdedigen. De uitwerking van zijn woorden vrezende, stonden de prelaten erop, dat hij alleen de waarheid van de beschuldigingen, die tegen hem ingebracht waren, zou bevestigen of ontkennen. Jérome protesteerde tegen zulk een wreedheid en onrechtvaardigheid. “Ge hebt me drie honderd en veertig dagen in een vreselike gevangenis opgesloten”, zei hij, “in vuilheid, geraas, stank, en in de allergrootste behoefte aan alles; nu stelt ge me vor u, en, het oor lenende aan mijn doodvijanden, weigert ge me aan te horen. . . . Indien gij waarlik wijzen zijt, en lichten van de wereld, neemt u dan in acht, u niet tegen het recht te vergrijpen. Wat mij betreft, ik ben slechts een zwakke, sterveling; mijn leven is slechts van weinig gewicht; en wanneer ik u waarschuw tegen het uitspreken van een onrechtvaardig vonnis, spreek ik minder voor mijzelf dan wel voor u.”

Aan zijn verzoek werd eindelik voldaan. In de tegenwoordigheid van zijn rechters knielde Jérome neder en bad, dat de Heilige Geest beslag mocht leggen op zijn gedachten en woorden, opdat hij niets zou spreken, dat niet overeenkomstig de waarheid, of zijn Meester onwaardig zijn zou. Aan hem werd die dag de belofte Gods aan de eerste discipelen vervuld: “En gij zult voor stadhouders en koningen geleid worden, om Mijnentwil; . . . Doch wanneer ze u overleveren, zo zult ge niet bezorgd zijn, hoe of wat ge spreken zult: want het zal u in diezelve ure gegeven worden, wat ge spreken zult. Want gij zijt het niet, die spreekt, maar het is de Geest van uw Vader, die in u spreekt.”

Jerome’s woorden verwekten verbazing en bewondering, zelfs bij zijn vijanden. Een geheel jaar lang was hij in een kerker opgesloten geweest, zonder te kunnen lezen, of zelfs te zien, en in grote lichaamspijn en zielsangst. Toch bracht hij zijn argumenten voor met een helderheid en kracht, als had hij ongestoorde gelegenheid voor studie gehad. Hij wees zijn hoorders op de lange reeks van heiligen, die veroordeeld waren door onrechtvaardige rechtërs. In bijna ieder geslacht waren er dezulken geweest, die, terwijl ze de mensen van hun tijd trachtten te verlichten, miskend en verworpen waren, maar van wie men in latere tijden had ingezien, dat ze eer waardig waren geweest. Christus zelf was als een boosdoener veroordeeld door een onrechtvaardige rechtbank.

Bij zijn herroeping had Jérome in de rechtvaardigheid van het vonnis, dat Huss getroffen had, toegestemd; nu sprak hij zijn berouw daarover uit, en getuigde van de onschuld en heiligheid van de martelaar. “Ik heb Johannes Huss gekend van zijn kindsheid af,” zei hij. “Hij was een alleruitstekendst mens, rechtvaardig en heilig; hij is veroordeeld geworden ondanks zijn onschuld. ... Ik ook — ik ben bereid te sterven. Ik zal niet terugschrikken voor de martelingen, die me bereid zijn door mijn vijanden, en de valse getuigen, welke eenmaal rekenschap zullen moeten geven van hun verzinselen aan de grote God, wie niemand bedriegen kan.”

Met zelfverwijt over zijn eigen ontkenning van de waarheid, vervolgde Jérome: “Van al de zonden, die ik sinds mijn kindsheid heb bedreven, weegt er geen zo zwaar op mij, en veroorzaakt er geen zulk vlijmend berouw, als die ik bedreven heb op deze noodlottige plek, toen ik het onrechtvaardige vonnis over Wycliffe en de heilige martelaar, Johannes Huss, mijn meester en mijn vriend, uitgesproken, heb goedgekeurd. Ja, ik belijd het van ganser harte; en verklaar met afschuw, dat ik schandelik de moed verloor, toen ik door angst voor de dood hun leerstellingen veroordeelde. Daarom smeek ik . . . de Almachtige God, mij genadig mijn zonden te vergeven, en in het biezonder deze ene, de gruwelikste van alle.” Op zijn rechters wijzende, sprak hij met vaste stem: “Gij hebt Wycliffe en Huss veroordeeld, niet omdat ze de leerstellingen van de kerk schokten, maar eenvoudig omdat ze de schanddaden van de geestelikheid door afkeuring brandmerkten,— hun praal, hun trots, en al de misdaden van de prelaten en priesters. De dingen, die zij verklaard hebben, en die niet te ontkennen zijn, denk en verklaar ik zowel als zij.”

Hier werd hij in de rede gevallen. De prelaten riepen, bevend van woede: “Hebben we nog verder bewijs nodig?” “We zien voor onze ogen de hardnekkigste van alle ketters.”

De storm niet achtend riep Jérome uit: “Hoe! denkt ge, dat ik bang ben om te sterven? Ge hebt me een gans jaar lang in een vreselike kerker, schrikkeliker dan de dood zelf, gevangen gehouden. Ge hebt me met meer wreedheid behandeld dan een Turk, Jood, of Heiden, en mijn vlees is letterlik van mijn beenderen afgerot; en toch klaag ik niet, want klachten passen geen man, die moed heeft; maar ik kan niet anders dan mijn verwondering te kennen geven over zulk een grote barbaarsheid, die men een Christen aandoet.”

Wederom brak de storm van woede los, en Jérome werd in aller ijl naar de gevangenis teruggevoerd. Toch waren er sommigen in de vergadering, op wie zijn woorden een diepe indruk gemaakt hadden, en die zijn leven wensten te sparen. Hij werd door hoge geesteliken van de kerk bezocht, en aangemaand om zich aan het koncilie te onderwerpen. De schitterendste voorstellen van beloning werden hem gedaan, indien hij wilde afzien van zijn verzet tegen Rome. Maar gelijk zijn Meester, toen Hem de heerlikheid van de wereld werd aangeboden, bleef Jérome standvastig.

“Bewijst me uit de Heilige Schriften, dat ik dwaal,” zei hij, “en ik zal afzweren.”

“De Heilige Schriften?” riep een van zijn verleiders uit, “moet alles volgens die beoordeeld worden? Wie kan ze verstaan, voordat de kerk ze uitgelegd heeft?”

“Zijn de overleveringen van mensen meer geloofwaardig dan het evangelie van onze Heiland?” hernam Jérome. “Paulus vermaande hen, aan wie hij schreef, niet te luisteren naar de overleveringen van mensen, maar sprak: ‘Onderzoekt de Schriften.’”

“Ketter,” was het antwoord, “ik heb spijt, dat ik zo lang met u gepleit heb. Ik zie, dat ge door de duivel wordt aangezet.”

Het duurde niet lang, of een vonnis van veroordeling werd over hem uitgesproken. Hij werd uitgeleid naar dezelfde plaats, waar Huss zijn leven afgelegd had. Hij ging al zingende, zijn gelaat blinkende van vreugde en vrede. Zijn blik was op Christus gericht, en de dood had voor hem alle verschrikking verloren. Toen de beul achter hem om ging om de brandstapel aan te steken, riep de martelaar uit: “Kom ruiterlik naar voren; steek het vuur voor mijn ogen aan. Was ik bang geweest, ik zou niet hier staan.”

De laatste woorden, die hij uitte, toen de vlammen rondom hem opstegen, waren een bede. “Here, Almachtige Vader,” riep hij uit, “ontferm u over mij, en vergeef me mijn zonden, want Gij weet, dat ik Uw waarheid altijd heb liefgehad.” Zijn stem verstomde, maar zijn lippen bleven zich biddend bewegen. Toen het vuur zijn werk gedaan had, werd de as van de martelaar met de grond waarop die lag, samengegaard, en, even als bij Huss gebeurd was, in de Rijn geworpen.

Zo kwamen Gods getrouwe lichtdragers om. Maar het licht van de waarheden, die ze verkondigd hadden,— het licht van hun heldhaftig voorbeeld,— kon niet uitgedoofd worden. De mens had even goed kunnen trachten de zon in zijn loop te keren, als het aanbreken van die dag te verhinderen, die aan de wereld stond geopenbaard te worden.

De terechtstelling van Huss had in Bohemen een vuur van verontwaardiging en afschuw ontstoken. Het gehele volk ge-voelde, dat hij ten prooi was geworden aan de kwaadaardigheid van de priesters en het verraad van de keizer. Men verklaarde van hem, dat hij een getrouwe prediker van de waarheid was geweest, en het koncilie, dat zijn dood verordend had, werd van de misdaad van moord beschuldigd. Aan wat hij geleerd had, werd nu meer aandacht geschonken dan ooit tevoren. Op pauselik bevel waren al de geschriften van Wycliffe verbrand. Maar die aan de vernieling ontkomen waren, werden tans uit hun schuilhoeken te voorschijn gehaald, en in verband met de Bijbel bestudeerd, of zulke gedeelten ervan, als de mensen in handen konden krijgen; en velen werden er op die wijze toe geleid, het hervormde geloof te omhelzen.

De moordenaars van Huss waren geen stille getuigen van de zegepraal van zijn zaak. Paus en Keizer verbonden zich om de beweging uit te roeien, en Sigismunds legers trokken Bohemen binnen.

Doch er stond een bevrijder op. Ziska, die kort na het uitbreken van de oorlog volkomen blind werd, maar die desniettemin een van de bekwaamste legerhoofden van zijn tijd was, voerde de Bohemers aan. Vertrouwende op Gods hulp en de rechtvaardigheid van hun zaak, wederstond dat volk de machtigste legers, die tegen hen uitgezonden konden worden. Keer op keer bracht de keizer nieuwe legers op de been, en drong Bohemen binnen, slechts om een schandelike nederlaag te lijden. De Hussieten waren boven de angst voor de dood verheven, en niets kon voor hun aangezicht bestaan. Enkele jaren na het begin van de oorlog stierf de moedige Ziska ; maar zijn plaats werd ingenomen door Procopius, die een even moedig en bekwaam veldheer was, en in sommige opzichten een beter aanvoerder.

De vijanden van de Bohemers, wetende dat de blinde krijger dood was, achtten de gelegenheid gunstig om alles te herwinnen, wat ze verloren hadden. De paus riep nu een kruistocht tegen de Hussieten uit en andermaal trok een ontzaglike macht Bohemen binnen, maar slechts om een vreselike nederlaag te lijden. Een tweede kruistocht werd uitgeroepen, in al de Roomse landen van Europa werden mannen, geld, en krijgsbehoeften verzameld. Scharen voegden zich onder het pauselike vaandel, verzekerd dat er eindelik een eind gemaakt zou worden aan de Hussieten ketters. Van de overwinning zeker, trok de grote macht Bohemen in. Het volk verzamelde zich om hen terug te slaan. De twee legers trokken tegen elkander op, totdat slechts een rivier hen scheidde. “De kruisvaarders waren verreweg de meesten in getal, en toch stonden ze in plaats van moedig de stroom over te trekken en de strijd met de Hussieten aan te binden, met welk doel ze van zo verre gekomen waren, hen stil aan te staren.” Toen viel er plotseling een geheimzinnige schrik op het leger. Zonder een enkele slag te slaan werd die grote macht verbroken en verstrooid, alsof door een onzichtbare macht verjaagd. Een groot aantal werden er door het leger van de Hussieten, dat de vluchtelingen nazette, gedood, en een ontzaglike buit viel de overwinnaars in handen, zodat de oorlog, in plaats van de Bohemers te verarmen, hen verrijkte.

Enige jaren later werd er onder een andere paus nogmaals een kruistocht begonnen. Gelijk tevoren werden de mannen en de geldmiddelen uit al de Roomse landen van Europa verzameld. Groot was het loon, dat voorgespiegeld werd aan hen, die deel zouden nemen aan deze gevaarlike onderneming. Algehele vrijstelling van de gruwelikste misdaden werd aan iedere kruisvaarder verzekerd. Aan allen, die in de oorlog omkwamen, werd een rijke beloning in de hemel toegezegd, en zij, die het leven behielden, zouden eer en rijkdom op het slagveld inoogsten. Nogmaals werd er een groot leger op de been gebracht, dat de grenzen overschreed, en Bohemen binnentrok. Het leger van de Hussieten trok zich voor hen terug, om de indringers op die wijze verder en verder het land in te lokken, en hen in de waan te brengen, dat ze de overwinning alreeds behaald hadden. Eindelik hielden de troepen van Procopius halt, en, zich naar de vijanden kerende, rukten ze op hen toe, om de strijd aan te binden. De kruisvaarders, die nu begrepen, dat ze zich vergist hadden, lagen in hun legerplaats de aanval af te wachten. Op het horen van het gedruis van het naderende leger, zelfs vor de Hussieten nog in het gezicht waren, overviel hun andermaal een plotselinge schrik. Prinsen, aanvoerders, en gewone soldaten vloden in alle richtingen, en wierpen hun wapenen weg. Tevergeefs trachtte de pauselike afgevaardigde, die de inval bestuurde, zijn verschrikte en verwarde macht weder te verzamelen. Niettegenstaande zijn uiterste pogingen werd hijzelf in de stroom van de vluchtelingen medegevoerd. De nederlaag was volkomen, en weder viel er een ontzaglike buit de overwinnaars in handen.

Zo vluchtte ten tweeden male een groot leger, uitgezonden door de machtigste volken van Europa, een grote bende moedige, krijgshaftige mannen, geleerd en uitgerust ten strijde, zonder dat er een slag geslagen was, voor de verdedigers van een klein en tot hiertoe zwak volk. Hier was een openbaring van Goddelike macht. De indringers werden geslagen door bovennatuurlike angst. Hij, die Farao’s heir in de Rode Zee deed omkomen, die de legers van de Midianieten voor Gideon en zijn drie honderd deed vluchten, die in één nacht de legerscharen van de trotse Assyriër vernietigde, had wederom Zijn hand uitgestrekt om de macht van de onderdrukker te fnuiken. “Aldaar zijn ze met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was: want God heeft de beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid: gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen.”

De pauselike leiders, er aan wanhopende om door geweld te overwinnen, namen ten laatste de toevlucht tot staatslist. Er werd een overeenkomst getroffen, waarbij aan de Bohemers ogenschijnlik vrijheid van geweten werd toegestaan, doch die hen in werkelikheid verraderlik onder de macht van Rome bracht. De Bohemers hadden vier punten als vredesvoorwaarden met Rome gesteld: Vrije verkondiging van de Bijbel; het recht voor de gehele gemeente op het brood zowel als de wijn bij het avondmaal, en het gebruik van de moedertaal bij de godsdienstoefening; uitsluiting van de geestelikheid van alle wereldse posten en gezag; en, in geval van wangedrag, jurisdiktie van de burgerlike hoven zowel over de geestelikheid als over de leken. De pauselike overheden “kwamen ten laatste overeen om de vier artikelen van de Hussieten aan te nemen, doch het recht van ze uit te leggen, dat is, de ware bedoeling ervan vast te stellen, zou bij. het koncilie berusten,— met andere woorden, bij de paus en de keizer.” Op deze grondslag werd er een verdrag gesloten, en Rome won door huichelarij en bedrog, wat het door strijd niet had kunnen verkrijgen; want door zijn eigen uitlegging te geven aan de artikelen van de Hussieten, zowel als aan de Bijbel, kon het de betekenis ervan z— verdraaien, dat het zijn eigen doeleinden bereikte.

Een grote klasse van mensen in Bohemen weigerde in het verdrag toe te stemmen, daar ze inzagen, dat ze hun vrijheid zouden verliezen. Het gevolg was scheuring en verdeeldheid, die tot strijd en bloedvergieten onder henzelven leidden. In deze strijd viel de edele Procopius, en de vrijheid van Bohemen ging te gronde.

Sigismund, de verrader van Huss en Jérome, werd nu koning van Bohemen, en zijn eed om de rechten van de Bohemers te handhaven niet achtende, begon hij het pauselike gezag in te voeren. Maar hij plukte weinig vruchten van zijn onderdanigheid aan Rome. Twintig jaren lang was zijn leven vol moeite en gevaren geweest. Zijn legers waren versmolten en zijn schatten verteerd door een lange en vruchteloze strijd; en nu stierf hij na één jaar geregeerd te hebben, zijn koninkrijk in zulk een toestand achterlatende, dat er ieder ogenblik burgeroorlog kon uitbreken, en zijn nakomelingen een naam vermakende, die door eerloosheid gebrandmerkt was.

Opstand, strijd en bloedvergieting. duurden voort. Weder trokken vreemde legers Bohemen binnen, en binnenlandse verdeeldheid beroerde het volk voortdurend. Zij, die aan het evangelie getrouw bleven, hadden bloedige vervolging te verduren.

Terwijl hun vroegere broederen door verbinding met Rome de dwalingen ervan inzagen, vormden zij, die zich aan het oude geloof vasthielden, zich tot een bepaalde kerk, die de naam van “Verenigde Broederen” aannam. Om deze handeling werden ze door alle klassen gevloekt. Toch wankelden ze niet. Gedwongen om schuilplaats te zoeken in bossen en grotten, bleven ze zich verzamelen om Gods Woord te lezen en zich tot Zijn dienst te verenigen.

Door in het geheim boodschappen uit te zenden naar verschillende landen, vernamen ze, dat er hier en daar “afgezonderde belijders van de waarheid bestonden — enkele in de ene stad en een klein getal in een andere,— evenals zij aan vervolging blootgesteld; en dat er midden tussen de Alpen een oude kerk bestond, die zich op de Schriften grondde, en de afgodiese misbruiken van Rome tegenstond.” Deze tijding werd met grote vreugde ontvangen, en briefwisseling werd begonnen met de Waldenziese Christenen.

Aan het Evangelie getrouw, doorstonden de Bohemers de nacht van hun vervolging, in de donkerste ure nog hun ogen op de horizon richtende, als mannen, die wachten op de morgen. “Hun lot viel in kwade dagen, maar . . . ze herdachten de woorden, die het eerst door Huss waren uitgesproken, en door Jérome herhaald, dat er een eeuw moest verlopen, voordat de dag zou aanbreken. Deze woorden waren voor de Taborieten (Hussieten), wat de woorden van Jozef voor de stammen in het diensthuis waren: ‘lk sterf, maar God zal u gewisselik bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land.’ “ “De sluitingsperiode van de vijftiende eeuw was getuige van de langzame maar zekere toename van de Broederkerken. Ofschoon ze gans niet ongehinderd bleven, genoten ze een zekere mate van rust. Bij het begin van de zestiende eeuw bestonden er twee honderd van deze kerken in Bohemen en Moravië.” “Zo talrijk was het overblijfsel, dat, ontkomen aan de blakende woede van vuur en zwaard, het breken van die dag mocht aanschouwen, welke Huss voorspeld had.”