Aanhangsel

Algemene aantekeningen

Dit werk, “De Grote Strijd,” handelt over een onderwerp van algemeen belang. Het is dus passend, dat er, gelijk er ook is — voortdurend meer navraag naar het boek zal zijn onder volken, die andere talen spreken. Ook is het passend, dat de bronnen, welke in de aantekeningen in dit Aanhangsel aangehaald worden, veelomvattend zijn. Allereersf is er verwezen naar door de wereld erkende bronnen onder geleerden, maar er is ook gedacht aan de behoeften van evangeliedienaars, studenten, en ontwikkelde leken, die in goed voorziene bibliotheken toegang kunnen hebben tot een of meer betrouwbare oorspronkelike geschriften of verzamelingen van inlichting betreffende de onderwerpen, waarnaar verwezen wordt. Ook zal het kosmopolities karakter van deze bewijsplaatsen, gelijk ze in de Engelse, Duitse, Hollandse, Deense, Zweedse en Spaanse uitgaven gevonden worden, de vertalers in andere talen helpen om zo geredeliker geschikt te maken voor hun respektieve arbeidsvelden.

De katholieke encyclopedie

In de aantekeningen in dit Aanhangsel wordt er dikwels verwezen naar de “Catholic Encyclopædia’ als het nieuwste, gezaghebbende, omvattende werk, dat er bestaat, over alle Katholieke zaken. Het werk draagt de naam van John Kardinaal Farley, Aartsbisschop van Nieuw York.

In de voorrede wordt er gezegd, dat ” ‘The Catholic Encyclopædia,’ gelijk zijn naam aanduidt, zijn lezers volle en gezaghebbende inlichting wenst te geven aangaande alle Katholieke belangen, werkzaamheid, en leerstellingen. Wat de Kerk leert en geleerd heeft; wat hij gedaan heeft en nog doet voor het hoogste welzijn van de mensheid; zijn methode van werken in het verleden en in de tegenwoordige tijd; zijn strijd, zijn overwinningen, en wat zijn leden tot stand hebben ge-bracht. ” Er wordt verklaard, dat de ” ‘Encyclopædia’ dus het meest geschikte middel is om beide (het verschaffen van inlichting en het verbeteren van dwalingen) te doen, daar het de beste Katholieke geleerden in ieder deel van de wereld in staat stelt, artikelen bij te dragen in die korte vorm, welke de bedrijvige man aantrekt en met die juistheid, welke aan de geleerde voldoening geeft.’ ” ” De samenstellers ervan hebben er op gestaan, dat de artikelen de laatste en nauwkeurigste inlichting bevatten zullen, die uit de standaard werken over ieder onderwerp te verkrijgen zijn,” en in de voorrede wordt er uitdrukkelik gezegd, dat de schrijvers van dit werk ” Katholieke geleerdheid in ieder deel van de wereld” vertegenwoordigen. De samenstellers ervan drukken hun dankbaarheid uit “in het biezonder aan de priesterschap voor hun hartelike goedkeuring, ” en het grote werk is door de censors gepasseerd. Geen Katholiek kan tegen zulk een autoriteit opkomen.

Noot 1. Bladz. 57. Titels.— In een paragraaf, welke een deel vormt van de Roomse kanonieke wet, verklaart Paus Innocentius III. dat de Roomse opperpriester “de onderkoning op aarde, niet van een gewoon mens, maar van God zelf” is; en in een uitleg van de paragraaf wordt er verklaard, dat dit is, omdat hij de onderkoning van Christus is, die “werkelik God en werkelik mens” is. (Zie Decretal. D. Gregor. Pap. IX. lib. 1. de translat. Episc. tit. 7. c. 3. Corp. Jur. Canon. ed. Paris, 1612; tom. II. Decretal, col. 205.)

Voor de titel “Heer God de Paus,” zie een uitleg van de “Extravagantes” van Paus Johannes XXII., titel 14, kap. 4, “Declaramus.” In een Antwerpse uitgave van de “Extravagantes,” gedateerd 1584, komen de woorden “Dominum Deum nostrum Papam” (“Onze Heer God de Paus”) voor in kolum 153. In een Parijse uitgave, gedateerd 1612, komen zij in kolom 140 voor. In verscheidene uitgaven, die sedert 1612 gepubliceerd zijn, is het woord “Deum” (“God”) uitgelaten.

“Alle namen, welke in de Schrift aan Christus gegeven zijn, en op kracht waarvan er vastgesteld is, dat Hij over de kerk staat, al diezelfde namen zijn aan de Paus gegeven.”—“On the Authority of Councils,” Ballarmine (R. K.), boek 2, kap. 17 (Deel II, p. 266), ed. 1619. (Source Book, 378.)

“Want gij zijt de Herder, gij zijt de Heelmeester, gij zijt de Bestuurder, gij zijt de Landman; ten slotte zijt gij een tweede God op aarde.” Uit “Oration of Christopher Marcellus (R.K.)” in de Vierde zitting van het Vijfde Laterale Koncilie, 1512 (een rede tot het volk); “History of the Councils,” Labbe and Coassart, Deel 14, Kol. 109.

Noot 2. Bladz. 59. Aanbidding van Beelden.—“De Aanbidding van beelden . . . was een van die vormen van bederf van het Christendom, welke heimelik en bijna ongemerkt en onzichtbaar in de kerk zijn binnengeslopen. Dit bederf, heeft zich niet, gelijk andere ketterijen, plotseling ontwikkeld, want in dat geval zou het besliste veroordeling en bestraffing ontmoet hebben; maar beginnende onder een fraaie dekmantel, werd het ene gebruik na het andere zo geleidelik in verband ermede ingevoerd, dat de kerk diep in werkelike afgodedienst gedompeld werd, en dat niet slechts zonder enige doeltreffende tegenstand, maar bijna zonder enige besliste tegenwerping; en toen er eindelik een poging gedaan werd om het uit te roeien, werd er bevonden dat het kwaad te diep wortel geschoten had, om nog verwijderd te kunnen worden. . . . De oorsprong ervan moet worden gezocht in de afgodiese neiging van het menselik hart, en zijn geneigdheid om het schepsel meer te eren dan de Schepper. . . .

“Beelden en schilderijen werden in het eerst in de kerken ingevoerd, niet om aangebeden te worden, maar in de plaats van boeken om degenen, die niet lezen konden, te leren, of om in de geest van anderen godsdienstig gevoel op te wekken. In hoe verre ze ooit aan zulk een doel beantwoord hebben, is twijfelachtig; maar zelfs wanneer men toegeeft, dat dit een tijdlang zo was, hield het spoedig op het geval te zijn, en werd er bevonden, dat schilderijen en beelden, die in de kerken gebracht werden, het verstand van de onwetenden eerder benevelden dan verlicht ten — de ernst van de aanbidder eerder verlaagden dan verhoogden. Zodat zij, hoewel ze bedoeld geweest mochten zijn om de geest van de mensen op God te vestigen, hen in het eind van Hem afkeerden tot de aanbidding van geschapen voorwerpen.”— J. Mendham, “The Seventh General Council. the Second of Nicæa,” Inleiding, pp. iii-vi.

Voor een verslag over de handelingen en besluiten van het Tweede Koncilie van Nieea, 737 n. C. belegd om de aanbidding van beelden in te stellen, zie Baronius, ” Ecclesiastical Annals,” Deel IX, pp. 391-407 (1612 Antwerp ed.); (“Annales Ecclesiastici,” Antwerpiae ex officina plantiniana, MDCXXIII, tom. IX, pp. 391-407); J. Mendham, “The Seventh General Council, the Second of Nicæa;” Ed. Stillingfleet, “Defence of the Discourse Concerning the Idolatry Practiced in the Church of Rome” (Londen, 1686); “A Select Library of Nicene and Post-Nicene Fathers,” tweede serie, Deel XIV, pp. 521-587 (N. Y., 1900); C. J. Hefele, ” Konciliengeschichte uit de Oorspronkelike Dokumenten,” boek 18, kap. 1, sektie 332, 333; kap. 2, sektie 345-352 (T. & T. Clark ed., 1896, Deel V, pp. 260-304, 342-372).

De eerste kerk was even ver van uit beginsel kunst te haten, als hij was van het maken van beelden van Christus te begunstigen. ” Irenius bestraft de Carpo-Cratianen (Adv. heer. 1, 25, 6), omdat zij beelden van Christus hadden.” “Ook Eusebius noemt het gebruik maken van beelden van de apostels Paulus en Petrus en van de Heiland een heidens gebruik. (“Eccl. Hist.,” 7, 18.) Hij tracht Constantia, de weduwe van Licenius, af te raden een beeld van Christus te begeren, en vraagt haar of zij zodanig beeld in de kerk gezien heeft; en hij raadt haar aan, het beeld van Christus liever in de Schrift te zoeken.” Het gebruik en de verering van beelden verspreidde zich veel meer in het Oosten. Sedert het einde van de vierde eeuw werden er heidense ideeën, gebruiken, en vormen van eredienst ingevoerd, en uit nieuwe Platoniese vooronderstellingen, theologies bewezen. (Hauck’s Realencyclopedia, Deel 3, p. 222.)

“Er waren van de eerste tijd aan schilderijen, oorspronkelik tot versiering, en later voor onderricht, geweest in de begraafplaatsen, kerken, gedachtenis-kapellen en huizen, gehecht aan allerlei soorten van meublement. Er was tegenstand geweest, maar die hield op in de tijd van Konstantijn.” “Het ligt in de natuur van de mens, relikwieën en afbeeldingen van vereerde personen te begeren, ten einde die te onttrekken aan ongewijd gebruik, en ze met diepe eerbied te behandelen.” “Schilderijen van Christus, Maria, en de heiligen waren reeds sedert de vijfde (vierde) eeuw vereerd met begroetingen, kussen, eerbiedig neerknielen, een herlevendiging ran oude heidense gebruiken. In de eenvoudige en vaste overtuiging, dat Christenen niet langer gevaar liepen van tot afgodedienst te vervallen, liet de Kerk het inkomen van het heidendom niet slechts toe, maar bevorderde het. In de zevende en het begin van de achtste eeuw werd er een drukke handel gedreven in beelden, voornamelik door monniken; kerken en kapellen werden met afbeeldingen en relikwieën gevuld; het ‘gebruik van de heidense tijden werd herlevendigd, alleen het schoonheidsgevoel werd verplaatst.” “Door middel ervan beheerste een monnikachtige vroomheid, die zich bezighield met een dom staren op heilige dingen, het volk, en haalde het Christendom meer en meer neer.” (Harnack, Dogma, IV, pp. 317, 319).

De strijd over de aanbidding van beelden werpt veel licht over dit onderwerp. Het zevende algemene koncilie van Nicea, 787, had met goedkeuring van Paus Hadrianus I. besloten, ” eerbied en gepaste verering aan de beelden te bewijzen, inderdaad geen wezenlike aanbidding, die volgens ons geloof Gode alleen toekomt; maar om (gelijk het ons betaamt) een offer van reukwerk en lichten te hunner eer te brengen, ten einde de vorm van het kostbare en levengevende kruis, de heilige evangelieën, en de andere gewijde stichtingen te huldigen, gelijk het vrome gebruik van de ouden was; want de hulde bewezen aan het beeld, gaat over op hetgeen door het beeld voorgesteld wordt; en hij, die het beeld aanbidt, aanbidt in het beeld de persoon of het voorwerp, welke het afbeeldt.”

Alle tegenstanders werden in de ban gedaan, evenals alle zodanige geschriften. Maar Keizer Karel de Grote riep in 794 een Frankiese synode te Frankfort bijeen; de paus moest ingeven, en als gevolg hiervan had het volgende plaats: “De heilige vaders weigerden de aanbidding en verering van beelden geheel en al, verwierpen de synode en veroordeelden allen, die erin toegestemd hadden.” (Zie Hefele, “Konciliengeschichte, ” III, 441-482, 689; Kardinaal Hergenrether’s “Kirchengeschichte, ” 1, 541; Hauck’s ” Kirchengeschichte,” 11, 342.)

Noot 3. Bladz. 60. Edikt van Konstantijn.— De wet op de zevende Maart 321 n. C., aangaande een rustdag, uitgevaardigd, luidt als volgt:

“Laat alle rechters, stedelingen, en alle ambachtslieden rusten op de eerbiedwaardige dag van de zon. Maar laat allen, die op het land wonen, vrij en ongehinderd de verbouwing van hun landerijen voortzetten; daar het dikwels gebeurt; dat geen andere dag zo geschikt is voor het zaaien van graan, of het planten van de wijnstok; opdat, door het rechte ogenblik te laten voorbijgaan, de zegeningen, door de hemel geschonken, niet verloren gaan.”—A. H. Lewis, “History of the Sabbath and the Sunday,” pp. 123, 124 (2de ed. herz, 1903).

Het origineel (in de “Codex of Justinian,” lib. 3, tit. 12, leg. 3) wordt door Dr. J. A. Hessey aangehaald in zijn “Bampton Lectures on ‘Sunday’ ” (lecture 3, par. 1), en door Dr. Philip Schaff in zijn “History of the Christian Church,” Deel III, sektie 75, par. 5, noot 1. Zie ook Mosheim ” Institutionum Historiæ Ecclesiasticae Antiquique et recentionis” (4de eeuw, deel 2, kap. 4, sektie 5); Chambers’ Encyclopaedia, art. “Sabbath”; Encyclopaedia Britannica, negende ed., art. “Sunday”; Peter Heylyn, “History of the Sabbath,” deel 2, kap. 3 (2de ed., herz, Londen, 1636, pp. 66, 67). Baronius zegt: “Omnes Judices, Urbanaeque plebes, et cunctarum artium officia venerabili die Solis quiescant. Ruri tamen positi agrorum culturæ liberé libenterque inserviant, quoniam frequenter evenit, ut non optius alio die frumenta fulcis, aut vinæ scrobibus mandentur, ne occasione momenti pereat commoditas coelesti provisione concessa. Dat. Non. Martij, Crispo secundo, et Constantino secundo Coff. ” “Annales Eccl.,” Deel III, p. 232, anno 321, Silvestre, Pap.; Constantine, Imp. 16, Antwerpiæ MDCXIV.

Noot 4. Bladz. 62. Profetiese Datums.— Zie Noot 34.

Noot 5. Bladz. 64. Valse Geschriften.— Onder de dokumenten, die tegenwoordig algemeen toegegeven worden vals te zijn, zijn “Donation of Constantine” en de ” Pseudo-Isidorian Decretals” van bet grootste gewicht.

In het geven van feiten aangaande de vraag, “Wanneer en door wie is Konstantijns 1 Donation opgesteld?” zegt M. Gosselin, Direkteur van het Seminarie van St. Sulpice (Parijs) het volgende:

“Ofschoon dit dokument ongetwijfeld vals is, zou het moeilik wezen, met’ juistheid de datum van de opstelling ervan aan te geven. M. de Marca, Muratori, en andere geleerde beoordelaars, zijn van mening dat het in de achtste eeuw, vor de regering van Karel de Grote geschreven is. Muratori denkt daarenboven, dat het mogelik die vorst en Pepin ertoe bewogen kan hebben zo mild te zijn jegens het Pauselike Hof.”— Gosselin, “Pouvoir du Pope au Moyen Age,” Deel I, p. 321 (vertaald door de Eerw. Matthew Kelly, St. Patrick’s College, Maynooth; Baltimore, J. Murphy & Co., 1853).

Over de datum van de “Pseudo-Isidorian Decretals” zie Mosheim, “Ecclesiastical History,” boek 3, 9de eeuw, deel 2, kap. 2, sektie 8. Gelijk Dr. Murdock, de vertaler, in een voetnoot aanwijst, zegt de geleerde Katholieke geschiedschrijver, M. L’Abbé Fleury, in zijn “Histoire Ecclésiastique ” (diss. 4, sektie 1) aangaande deze dekretalen, dat “ze tegen het einde van de achtste eeuw langzaam aan het licht kwamen.” Fleury, tegen het einde van de zeventiende eeuw schrijvende, zegt verder, dat deze “valse dekretalen acht honderd jaren lang voor echt gehouden werden; en dat het veel moeite gekost heeft om ze in de voorgaande eeuw te laten opgeven. Het is waar dat er in de tegenwoordige tijd bijna niemand is, hoe slecht ook onderricht betreffende deze zaken, die niet erkent, dat deze dekretalen vals zijn.”—Fleury, “Histoire Ecclésiastique,” boek 44, par. 54 (G. Adam’s vertaling, Londen, 1732, Deel V, p. 196). Zie ook Gibbon, “Decline and Fall of the Roman Empire,” kap. 49, par. 16.

De “Donation of Constantine” werd, volgens Dr. Dollenger, te Rome opgesteld tussen het jaar 752 en 777 (Fables respecting Popes, p. 116). Bisschop H. Brück neemt in zijn Kerkgeschiedenis aan, dat hun oorsprong dateert van de 9de eeuw, in Frankrijk, en dat er tot aan de twaalfde eeuw niet veel geloof aan werd gehecht. “Noch de vrienden, noch de tegenstanders van het Pausdom twijfelden in die tijd aan de echtheid ervan. Tans wordt er algemeen toegegeven dat ze vals zijn.” (Kirchengeschichte, p. 275.)

Wat de Dekretalen betreft, schrijft Dollinger: “In het midden van de 9de eeuw (ongeveer 845) kwam de ontzagwekkende fabrikatie van de ‘Isidorian Decretals’ tot stand. De gevolgen hiervan waren veel groter dan de eerste bewerkers ervan voorhadden, en veroorzaakten langzaam maar gaandeweg een volslagen verandering van de geestelike grondwet en regering.” “Ongeveer honderd voorgewende dekretalen van de oudste pausen werden toentertijd in het West-Frankiese grondgebied opgesteld, alsook enige geschriften van sommige andere prelaten en synodale handelingen. Paus Nikolaas I. (858*867) nam ze onmiddel- lik gretig aan te Rome, en grondde de nieuwe aanmatigingen, waar hij, en zijn opvolgers, aanspraak op maakten, erop, als zijnde echte dokumenten.” (Papstum, of 1892, bladz. 35, 36.) Zie ook M. Gosselin, Direkteur van het Seminarie van St. Sulpice, “Pouvoir du Pope au Moyen Age,” Deel I, Mosheim, “Hist. Eccl.,” boek 3, 9de eeuw, deel 2, kap., 2, sektie 8.

Noot 6. Bladz. 65. Diktaten van Hildebrand (Gregorius VII).— Of de verdichtselen van de Gregoriaanse partij, waarop deze paus zijn trotse aanmatigingen trachtte te gronden, worden in Dollinger’s Papstym, pp. 40-55, behandeld. Zie ook Migne, Pat. voligæ, tom. 148, 407; Baronius, “Annal. Eccl.,” An. 1076 Antwerp ed., 1608, XI, 479; Gieseler, “Lehrbuch der Kirchengeschichte, ” Deel 3, periode 3, sektie 47, noot 4; Mosheim, “Hist. Eccl.,” boek 3, 11de eeuw, Deel 2, kap. 2, sektie 9.

Noot 7. Bladz. 66. Het Vagevuur.— Dr. Joseph Faa Di Bruno omschrijft het vagevuur op de volgende wijze: “Het vagevuur is een toestand van lijden na dit leven, waarin die zielen een tijdlang gehouden worden, die het leven afleggen nadat hun dodelike zonden hun vergeven zijn wat de vlek en de schuld ervan, en de eeuwige straf die ze verdienden, aangaat; maar die wegens deze zonden nog enige schuld van tijde* like straf af te doen hebben; evenals die zielen, welke deze wereld verlaten en zich alleen schuldig hebben gemaakt aan vergeeflike zon-den.”—“Catholic Belief,” p. 196 (ed. 1884; imprimateur de Aarts-bisschop van Nieuw York).

Zie ook K. R. Hagenbach, “Compendium of the History of Doctrines,” Deel I, pp. 234-237, 405, 408; Deel II, pp. 135-150, 308, 309 (T. & T. Clark ed.); Chas. Elliott, “Delineation of Roman Catholicism,” boek 2, kap. 12; Catholic Encyclopædia, art. “Purgatory.”

De Roomse Kerk leert dat er een louterend vuur is, waar de zielen van de vromen, na een zekere tijd gepijnigd te zijn, “gelouterd” worden. “De pijnen van het vagevuur zijn biezonder zwaar, en er is zelden een volwassen persoon, die de hemel onmiddellik binnengaat, zonder eerst in het vagevuur gelouterd te zijn. Hebt dus medelijden met de afgestorvenen, en verzacht hun toestand.” Dit wordt gedaan “door gebeden, giften, de mis, vasten, het doen van aalmoezen, en andere vrome werken, waardoor de straf, die in het vagevuur moet worden gele-den, wordt kwijt gescholden.” (Rom. Kat. 1, 6, Fr. 3; Stolz Kat. III, 354; Hefele, Councils, IX, 888.) Zie Catholic Encyclopædia, art. “Purgatory”; K. R. Hagenbach, Lehrbuch der Dogmengeschichte, Deel I, pp. 234-237, 405, 408; Deel II, pp. 135-150, 308, 309.

Noot 8. Bladz. 68. Aflaten.— Voor een omstandige beschrijving van de leer van aflaten, zie de Catholic Encyclopædia, art. “Indulgences” (bijgedragen door W. H. Kent, O. S. C., van Bayswater, Londen); Carl Ullmann, “Reformers before the Reformation,” Band I, boek 2, deel 1, kap. 2; M. Creighton, “History of the Papacy,” Deel V, pp. 56-64, 71; L. von Ranke, “History of the Reformation in Germany,” boek 2, kap. 1, par. 131, 139-142, 153-155 (2de Londen, ed., 1845, vert, door S. Austin, Deel I, pp. 331, 335-337, 343-346); Chas. Elliott, “Delineation of Roman Catholicism,” boek 2, kap. 13; H. C. Lea, “A History of Auricular Confession and Indulgences;” G. P. Fisher, “The Reformation,” kap. 4, par. 7.

Over de praktiese uitwerking van de leer van de aflaten gedurende het tijdperk van de Hervorming, zie een geschrift van de pen van Dr. H.C. Lea, getiteld, “Indulgences in Spain,” uitgegeven in “Papers of the American Society of Church History,” Deel I, pp. 129-171. Over de waarde van deze historiese inlichting zegt Dr. Lea, in zijn eerste paragraaf: “Ongehinderd door de strijd, welke er gevoerd werd tussen Luther en Dr. Eek en Silvester Prierias, ging Spanje rustig voort op het oude afgebakende pad, en verschaft ons de onwederlegbare officiële dokumenten, welke het ons mogelik maken de zaak in het zuivere licht van de geschiedenis te onderzoeken.”

“Aflaten zijn een volkomen of gedeeltelike kwijtschelding van die tijdelike straffen, welke we hier of in het vagevuur moeten ondergaan, na de kwijtschelding van de schuld van de zonde, en de eeuwige straf voor zonden door middel van de overvloedige verdienste van Christus en de heiligen.” (Gibbons, “Faith of Our Fathers,” kap. 27, p. 245, Duitse uitgave.) Het Koncilie van Trente drong zelf aan op de afschaffing van de vele misbruiken in verband met het geven van aflaten, “en besloot derhalve dat alle schandelike koophandel, die ermede gedreven werd, moest ophouden.” (Zitting 25.) Zie Allman, Carl, “Re formatoren vor der Reformation,” Band I, boek 2, deel 1, kap. 2; Ranke, Leopold von, “Deutsche Geschichte: Zeitalter der Reformation,” boek 2, kap. 1, par. 131, 132, 139-142, 153-155; H. C. Lea, “History of Auricular Confession and Indulgences. ”

Noot 9. Bladz. 68. De Mis.— Over de leer van de mis zie Kardinaal Wiseman’s werk, ” The Real Presence of the Body and Blood of Our Lord Jesus Christ in the Blessed Eucharist;” “Canons and Decrees of the Council of Trent,” zitt. 13, kap. 1-8 (Londen, ed., 1851, vert, door T. A. Buckley, pp. 70-79); K. R. Hagenbach, “Lehrbuch der Dogmengeschichte,” Deel I, pp. 214-223, 393-398, en Deel II, pp. 88-114; J. Calvin, ” lnstitutiones Religiones Christianae, ” boek 4, kap. 17, 18; R. Hooker, “Ecclesiastical Polity,” boek 5, kap. 67; Chas. Elliott, “Delineation of Roman Catholicism,” boek 2, kap. 4, 5.

De Mis is, volgens de Katholieke leer, “de standhoudende bron, waaruit alle goede gaven vloeien, aan welke we in de Katholieke Kerk deel mogen hebben.” Mohler verklaart in zijn “Catholic Symbolic,” dat het offer van Christus aan het kruis slechts een deel was van de grote daad van verzoening; dat, hetgeen er aan ontbreekt, vervuld wordt in het offer van de Mis, die door de respektieve dienstdoende priester geofferd wordt zowel voor zijn eigen zonden als voor die van allen, die tegenwoordig zijn, en voor alle Christenen, levend of dood. (Zie Rom. Kat. II, 4 council of Trent [2nd session] Fr. 62, 63; Beschlusse der 13 u 22 Sitzung [zitting] Trient; Hauck RE. XII, Art. Messe.); Catholic Encyclopædia, art. “Eucharist” (bijgedragen door J. Pohle, S. T. D. Breslau); Hagenbach, “Lehrbuch der Dogmengeschichte,” Deel I, pp. 214-223, 393-398, Deel II, pp. 88-114.

Noot 10. Bladz. 75. Waldenziese Vertalingen van de Bijbel.— Over vroege Waldenziese vertalingen van gedeelten van de Bijbel in de volkstaal zie Townley, “Illustrations of Biblical Literature,” Deel I, kap. 10, par. 1-13; E. Petavel, “The Bible in France,” kap. 2, par. 3, 4, 8-10, 13, 21 (Paris ed., 1864); G. H. Putnam, “The Censorship of the Church of Rome,” Deel II, kap. 2.

Waldenziese Bijbel Vertalingen.— Over vroege Romaanse Bijbelvertalingen zie de verhandelingen van E. Reuss in Hauck’s Realencycl. III, 125-145; P. Meyer, Romania, 1895; E. Petavel, “The Bible in France,” kap. 2. par. 3, 4, 8, 10, 13, 21 (Paris, enz. 1804).

Noot 11. Bladz. 89. Dekreet tegen de Waldenzen.— Paus Lucianus III (1183), uitgevaardigd in de tegenwoordigheid en met de steun van Frederik Barbarossa, het eerste dekreet; daarna volgden pauselike, keizerlike en koninklike dekreten in de jaren 1192, 1220, 1229, 1236, 1243, 1253, 1332, 1380, 1400, 1487 en 1552. Zie Hahn “Gesch. der Waldenser, ” pp. 703-753; Dollinger, “Dokumente der Valdenser”; Hefele, ” Konciliengesch, ” V, 725, 914, 979F, 992; Hauck, RE., art. “Waldenser”; Conradi, “Sabbath History,” pp. 551-559.

Noot 12. Bladz. 96. Aflaten.— Zie Noot 9.

Noot 13. Bladz. 98. Wycliffe.— Voor de oorspronkelike tekst van de pauselike bullen, tegen Wycliffe uitgevaardigd, met een Engelse vertaling, zie J. Foxe, “Acts and Monuments,” Deel III, pp. 4-13 (Pratt- Townsend ed., Londen, 1870). Zie ook J. Lewis, “Life of Wiclif,” pp. 49-51, 305-314 (ed. 1820); Lechler, “John Wycliffe and His English Precursors,” kap. 5, sektie 2, pp. 162-164 (Londen, ed., 1884, vert. door Lorimer); A. Neander, “General History of the Christian Church,” periode 6, sektie 2, deel 1, par. 8.

Voor biezonderheden betreffende de bullen van Gregorius XI., zie Hefele, “Konciliengesch,” VI, 948; ook “Johannes von Wyclif und die Vorgeschichte der Reformation,” door Lechler, van de Universiteit van Leipzig; A. Neander, “Allgemeine Geschichte der Christlichen Religion,” periode 6, sektie 2, deel 1, par. 8; Flathe, “Vorläufer der Ref.,” II, 155-240.

Noot 14. Bladz. 99. Onfeilbaarheid.— Over de leer van de Onfeilbaarheid zie Catholic Encyclopædia, art. “Infallibility” (bijgedragen door P. J. Turner, S. T. D.); Geo. Salmon, “The Infallibility of the Church;” Chas. Elliott, “Delineation of Roman Catholicism,” boek 1, kap. 4; Kardinaal Gibbons, “The Faith of Our Fathers,” kap. 7 (49ste ed., 1897).

Onfeilbaarheid.— Zie Hettinger, cath., ” Fundamental-theologie, ” II, 686-750; Hauck, RE., XX, art. “Vat. Council”; Hase, “Polemik,” pp. 155-201.

Noot 15. Bladz. 118. Aflaten.— Zie Noot 9.

Noot 16. Bladz. 118. Koncilie van Constance.— Over de bijeenroeping van het Koncilie van Constance door Paus Johannes XXIII., op last van Keizer Sigismund, zie Mosheim, “Ecclesiastical History,” boek 3, 15de eeuw, deel 2, kap. 2. sektie 3; J. Dowling, “History of Romanism,” boek 6, kap. 2, par. 13; A. Bower, “History of the Popes,” Deel VII, pp. 141-143 (Londen, ed., 1766); Neander, “History of the Christian Religion and Church,” periode 6, sektie 1 (1854, 5-delen ed., vert, door Torrey, Deel V, pp. 94-101).

Koncilie van Constance.— Dit werd bijeengeroepen “door de volhardende pogingen” van Sigismund, zie Palacky Gesch. Bohems VI, 310; “Hist. Eccl.,” boek 3, 15de eeuw, deel 2, kap. 2, sektie 3. Neander, “Gesch. Christ. Rel. u. Kir.,” Periode 6, sektie 1; Hauck, RE. LL., 31, art. “Konstanz.”.

Noot 17. Bladz. 118. Sigismund, Vrijgeleide.— De keizer stond aan Huss een “levend vrijgeleide” toe. Niettegenstaande de tegenstand van de paus, de tegenwerpingen van ridder Chlum, het protest in schrift van de keizer, werd Huss de 6de Desember gevangen gezet. Nadat de keizer aangekomen was, op de 24ste Des., had hij onmiddellik verscheiden heftige gesprekken met de kardinalen over de zaak; hij dreigde zelfs het koncilie te zullen verlaten, maar de kardinalen dreigden van hun kant het uiteen te zullen laten gaan. Zie Palacky, “Gesch. Bohems,” VI, 327-330; Hefele, Koncil., VII, 76; Oncken, W. G., II, 2, S., 377. Daar Huss niet van voldoende waarde was voor de keizer om te zijnen behoeve zijn verwachtingen betreffende de hervorming van de kerk, welke hij zich van dit koncilie had voorgesteld, teleurgesteld te zien, troostte hij zich “met het gezag van de mening die aangevoerd werd, dat. volgens menselik en Goddelik recht, geen belofte, tot nadeel van de kerk gegeven, geldig zijn kon, en hij dus onder geen verplichting was om zijn woord, aan een ketter gegeven, gestand te doen.” (Von der Hardt IV, 521 seg.) In overeenstemming hiermede nam het koncilie op zijn 19de zitting, de 23ste Sept. 1415, hetzelfde besluit. Ranke noemt het “een ijdele poging om de koning van de beschuldiging, van zijn woord gebroken te hebben, te ontheffen. Sigismund wist dit zelf: hij wilde zijn woord houden, maar het werd hem niet toegelaten.” (W. G., IX, 186.) Maar wat de Boheemse adel het meest beledigde, was, dat Sigismund zelf Huss beschuldigde; dat kostte hem de kroon van Bohemen.

Noot 18. Bladz. 148. Aflaten.— Zie Noot 9.

Noot 19. Hoofdst. 10. Fanatisme.— In de dagen van de Hervorming waren er velen in Europa wier harten zich tot het Woord van God keerden, en toch de Duitse hervormers niet navolgden. Sommige onder deze mannen waren ernstige geleerden, en van hen kwamen vertalingen van gedeelten van de Schrift, de uitnemendheid waarvan door Luther erkend werd. Er waren er onder hen, die in sommige opzichten van Luther verschilden, gelijk bij voorbeeld over de kinderdoop, en die geloofden, dat alleen gedoopte gelovigen leden van de kerk van Christus waren. Somtijds werd er over verschilpunten hevig gestreden.

Er stonden ook geestdrijvers op, dwepers, die zich door overgrote ijver tot onjuiste gevolgtrekkingen en fanaticisme lieten voeren. Som- mige van de kundigste mannen waren ongetwijfeld in sympathie met deze drijvers, wegens de krachtige, onbuigzame houding, welke de Hervormers tegen hen aannamen; en toch, wanneer die geestdrijvers de overhand hadden verkregen, zou hun leer de Hervorming hebben doen verongelukken. Deze verschillen, tegenkantingen, vertoningen van onverstandige menselike ijver, vijandschappen, onverdraagzaamheid en fanatisme hebben zich van de dagen van de apostelen af in verband met iedere hervorming getoond. Het zijn de pogingen van Satan, die door middel van de zwakheden en gebreken van mensen werkt om het Evangelie van God te schande te maken en tegen te houden. De oprechte geest zal gemakkelik kunnen onderscheiden tussen wat waar en wat vals is, door de beginselen, die zich openbaren, en de vruchten, die er gedragen worden.

Noot 20. Bladz. 270. Jezuietisme.— Voor een verklaring aangaande de oorsprong, de beginselen, en de doeleinden van het “Genootschap van Jezus,” als omschreven door leden van deze Orde, zie een werk, getiteld “Concerning Jesuits,” voor de pers gereed gemaakt door de Eerw. John Gerard, S. J., en in 1902 te Londen uitgegeven door het Katholieko Waarheids Genootschap. In dit werk wordt gezegd, dat het “hoofdmotief van de gehele organisatie van het Genootschap een geest van volslagen gehoorzaamheid is. ‘Laat iedereen,’ schrijft St. Ignatius, ‘zichzelf overtuigen, dat zij, die in gehoorzaamheid leven, zich moeten laten bewegen en leiden door Goddelike Voorzienigheid door middel van hun superieuren, juist alsof ze een dood lichaam waren, dat zich overal laat heendragen, en zich op iedere wijze laat behandelen, of als de staf van een oude man, welke hem, die hem in de hand houdt, ten dienste staat, op welke wijze hij maar verlangt.’

“Deze algehele onderwerping wordt veredeld door de drijfveer ervan, en behoort, vervolgt de . . . stichter, ‘stipt, blijmoedig, en volhardend te zijn; ... de gehoorzame vrome verricht blijmoedig wat zijn superieuren hem toevertrouwd hebben voor het algemeen welzijn, ervan verzekerd zijnde, dat hij zodoende waarlik in overeenstemming met de Goddelike wil handelt.’”—The Comtesse R. de Courso, in “Concerning Jesuits,” p. 6.

Zie ook L. E. Dupin, “L’Histoire de l’Eglise,” 16de eeuw, kap. 33 (Londen, ed., 1713, Deel IV, pp. 132-135); Mosheim, “Hist. Eccl.,” 16de eeuw, sektie 3, deel 1, kap. 1, par. 10 (noot 5 en 6 ingesloten); Encyclopædia Britannica (negende ed.). art. “Jesuits”; C. Paroissien, “The Principles of the Jesuits, Developed in a Collection of Extracts from Their Own Authors” (Londen, 1860 — een vroegere uitgave verscheen in 1839).

Noot 21. Bladz. 271. De Inkwisitie.— Zie Catholic Encyclopædia, art. “Inquisition” (bijgedragen door J. Blötzer, S. J., Münich); H. C. Lea, “History of the Inquisition in the Middle Ages”; Limborch, “Historie Inquisitiones,” Deel I, boek 1, kap. 25, 27-31; L. von Ranke, “Die Römischen Papste,” boek 2, kap. 6.

Noot 22. Bladz. 271. Protestantse Vervolgingen.— Geen Bijbelprotestant kan onverdraagzaamheid betonen jegens hen, van wie hij in godsdienstige kwesties van gevoelen verschilt; ook kan hij hen niet ver-volgen, omdat het tegen de leer van Hem is, Die gezegd heeft: “De Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden” (Lukas 9:56). “En indien iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben. Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik do wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make” (Joh. 12:47). En door Zijn apostelen leerde Hij: “Gelijk Hij is, zijn wij ook in deze wereld” (1 Joh. 4:17). “Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers van uw blijdschap; want gij staat door het geloof” (2 Kor. 1:24). “Zo dan, oordeelt niets vor de tijd, totdat de Heer zal gekomen zijn” (1 Kor. 4:5). “Wij dan, wetende de schrik des Heren, bewegen de mensen” (2 Kor. 5: 11). De Hervormers zagen het grote beginsel van rechtvaardigmaking door het geloof in, alsmede de voorname plaats, die het Woord inneemt; maar zij vatten de verreikende gevolgen van de beginselen niet, welke hen hadden moeten losmaken van menselike geloofsleer, en organiese verbinding met menselike regeringen. Menselike geloofsleer doodt het woord van God, en vereniging van de godsdienst met de staat stelt een mens in de plaats van God. Zulk een vereniging van godsienst en staat heeft geen deel of plaats in het evangelieplau. Maar laat men zodanige verbinding toe, gelijk gedeelten van de vroege Hervorming van de zestiende eeuw dat deden, dan moet onverdraagzaamheid, en vervolging van die zich afscheiden, volgen.

Mannen van sterk karakter, die geloven dat hun geloofsleer de rechte is, en dat de staat het recht heeft om de rechte geloofsleer te handhaven, worden, door dit verkeerde beginsel gedreven, onverdraagzaam. De ware beginselen van het Protestantisme, wanneer die goed begrepen worden, verwerpen zowel geloofsleer als vereniging met de burgerlike macht, en bij gevolg hebben de Protestanten over het algemeen niet alleen Pauselike vervolgingen, maar ook Protestantse vervolgingen veroordeeld. Zij rechtvaardigen Calvijn in zijn houding tegenover Servetus niet; evenmin het Protestantse Engeland in zijn vervolging van de Rooms Katholieken, Puriteinen en Baptisten; evenmin de Puriteinen in Amerika in hun onverdraagzaamheid tegen andersgezinden. De beginselen van het evangelie, die Jezus Christus leerde, konden weer wortel schieten in de kolonie, door Roger Williams in Rhode Island aangelegd, en zijn door andere godsdienstige lichamen aangenomen. Hierin verschillen het Rooms Katholicisme en het Protestantisme: het Rooms Katholicisme verdedigt zijn vervolgingen, omdat het het valse beginsel van vereniging van kerk en staat handhaaft; het ware Protestantisme betreurt ze in het verleden en verwerpt ze in het tegenwoordige.

Noot 23. Bladz. 305. Oorzaken van de Franse Revolutie.— Over de verreikende gevolgen van de verwerping van de Bijbel, en de godsdienst van de Bijbel, door het volk van Frankrijk, zie H. von Sybel, “Geschichte der Revolutionszeit,” boek 5, kap. 1, par. 3-7; H. T. Buckle, “History of Civilization in England,” kap. 8, 12 (N. Y. ed., 1895, Deel I, pp. 364-366, 369-371, 437, 550, 540, 541); J. Cr. Lorimer, “An Historical Sketch of the Protestant Church in France,” kap. 8, par. 6, 7.

Noot 24. Bladz. 306. Profetiese Datums.— Zie Noot 34.

Noot 25. Bladz. 308. Pogingen om de Bijbel te Onderdrukken en Te Niet te Doen.— Verwijzende naar de langvoortgezette pogingen in Frankrijk om de Bijbel te onderdrukken — voornamelik vertalingen ervan in de volkstaal, zegt Gaussen het volgende: “Het dekreet van Toulouse, 1229,” waardoor opgericht werd de “rechtbank van de Inkwisitie tegen alle lezers van de Bijbel in de volkstaal, . . . was een edikt van vuur, bloedvergieting, en verwoesting. In het 3de, 4de, 5de en 6de hoofdstuk ervan verordineerda het de volkomen verwoesting van de huizen, de nederigste schuilplaatsen, en zelfs de onderaardse verblijfplaatsen van mensen, die veroordeeld waren wegens het bezit van de Schrift; dat ze moesten vervolgd worden tot in de bossen en grotten van de aarde; en dat zelfs zij, die hun huisvesting gaven, streng gestraft moesten worden.” Als gevolg hiervan werd de Bijbel “overal verboden; hij verdween, als het ware, onder de grond; hij daalde neer in het graf.” Deze dekreten werden “vijf honderd jaren lang gevolgd door talloze straffen, waarin het bloed van de heiligen als water vloeide.”—L. Gaussen, “The Canon of the Holy Scriptures,” deel 2, kap. 7, sektie 5, prop. 561; en kap. 18, sektie 2, prop. 641, par. 2.

Over de speciale pogingen aangewend om de Bijbel te vernietigen gedurende Het Schrikbewind aan het einde van het jaar 1793, zegt Dr. Lorimer: “Waar er maar een Bijbel gevonden kon worden, kon men zeggen, dat die tot de dood toe vervolgd werd; zelfs z— erg, dat verscheidene achtenswaardige bijbelverklaarders het doden van de twee getuigen in het elfde hoofdstuk van de Openbaring aannemen te zijn de algemene onderdrukking, neen, te niet doening van het Oude en Nieuwe Testament in Frankrijk in die tijd.”—J. G. Lorimer, “An Historical Sketch of the Protestant Church in France,” kap. 8, par. 4, 5.

Zie ook G. P. Fisher, “The Reformation,” kap. 15, par. 16; E. Petavel, “The Bible in France,” kap. 2, par. 3, 8-10, 13, 21 (Paris ed., 1834); G. H. Putman, “The Censorship of the Church of Rome,” Deel II, kap. 4 (1906 ed., pp. 97, 99, 101, 102); Deel II, kap. 2 (pp. 15-19).

Noot 26. Bladz. 320. Het Schrikbewind.— Over het verantwoordelik staan van misleide voormannen, in kerk en staat beide, en voornamelik in de kerk, voor de tonelen van de Franse Revolutie, zie W. M. Sloane, “The French Revolution and Religious Reform,” Voorrede, en kap. 2, par. 1, 2, 10-14 (1901 ed., pp. vii-ix, 19, 20, 26-31, 40) ; P. Schaff, in “Papers of the American Society of Church History,” Deel I, pp. 38, 44; J. G. Lorimer, “An Historical Sketch of the Protestant Church of France,” kap. 8, par. 6, 7; A. Galton, “Church and State in France, 1300-1907,” kap. 3, sektie 2 (Londen, ed., 1907); Sir J. Stephen, “Lectures on the History of France,” lecture 16, par. 60.

Noot 27. Bladz. 324. Het Volk en de Bevoorrechte Klassen.— Over sociale toestanden, die in Frankrijk heersten vor het tijdperk van de Revolutie, zie H. von Holst, “Lowell Lectures on the French Revolution,” lecture 1; ook Taine, “Ancient Régime,” en A. Young, “Travels in France.”

Noot 28. Bladz. 329. Wedervergelding.— Voor verdere biezonderheden aangaande het wedervergeldende karakter van de Franse Revolutie, zie Thos. H. Gill, “The Papal Drama,” boek 10; E. de Pressensé, “L’Eglise et la Révolution Française,” boek 3, kap. 1.

Noot 29. Bladz. 330. De Gruwelen van het Schrikbewind.— Zie M. A. Thiers, “Histoire de la Révolution Française, ” Deel III, pp. 42-44, 62-74, 106 (N. Y. ed., 1890, vert. door F. Shoberl) ; F. A. Mignet, “Histoire de la Révolution Française,” kap. 9, par. 1 (Bohn ed., 1894) ; A. Alison, “History of Europe,” 1789-1815, Deel I, kap. 14 (N. Y. ed., 1872, Deel I, pp. 293-312).

Noot 30. Bladz. 333. De Verspreiding van de Schrift.— Volgens de heer William Canton van het Britse en Buitenlandse Bijbel Genootschap werd er in 1804 geschat, dat “al de Bijbels, die er in de wereld waren, in manuskript of in druk, iedere vertaling in ieder land rekenende, niet veel meer dan vier miljoen telden. ... De verschillende talen, waarin die vier miljoen geschreven waren, zulke oude spreekwijzen als de Moeso-Gothiese van Ulfilas en de Anglo-Saksiese van Bede mederekenende, worden aangegeven als ongeveer vijftig bedragende.”—“What Is the Bible Society?” p. 23 (herz. ed., 1904).

Honderd jaren later, aan het einde van de eerste eeuw van zijn bestaan, was het Britse en Buitenlandse Bijbelgenootschap in staat te rapporteren, dat er door dit genootschap alleen in het geheel een aantal van 186,80,01 Bijbels, Testamenten, of gedeelten ervan verspreid waren geworden,— een totaal, dat in 1910 tot 220,00,00 eksemplaren gestegen was, in bijna vier honderd verschillende talen.

Aan deze totalen moeten de miljoenen eksemplaren van de Schrift, of gedeelten ervan, in veel talen, toegevoegd worden, die door andere Bijbelgenootschappen en door verschillende handelsagentschappen verspreid zijn. Het Amerikaanse Bijbelgenootschap,— het grootste van de spruiten van het oorspronkelike Britse genootschap,— rapporteerde een totale verspreiding van 87,96,82 eksemplaren, gedurende de eerste vier en negentig jaren van zijn werkzaamheid. (Zie “Bible Society Record,” Junie 1910.) Volgens matige beramingen worden er jaarliks ongeveer zes miljoen eksemplaren van de Bijbel gedrukt door handelshuizen, hetgeen, gevoegd bij de verenigde levering van de Bijbelgenootschappen, een totale jaarlikse verspreiding van meer dan vijftien miljoen eksemplaren aangeeft.

De Schrift in zijn geheel, of in gedeelten, is in meer dan vijf honderd verschillende talen gedrukt; en het werk van vertaling in nieuwe talen en dialekten wordt nog met onverflauwde ijver voortgezet.

Noot 31. Bladz. 333. Buitenlandse Zendingen.— Dr. G. P. Fisher schetst in een hoofdstuk over “Christian Missions” in zijn “History of the Christian Church,” het begin van de zendingsbeweging, die in “de latere jaren van de achttiende eeuw tot een schitterend tijdperk van werkzaamheid op het gebied van de zending heeft geleid, een tijdperk dat, in de geschiedenis van zendingen, in merkwaardigheid alleen onderdoet voor de eerste eeuwen van de Christelike bedeling.” In 1792 “werd het Baptisten genootschap gesticht, met Carey als een van zijn eerste zendelingen. Carey vertrok naar Indië, en stichtte daar met behulp van andere leden van hetzelfde genootschap de zending van Serampore.” In 1795 werd het Londense Zendinggenootschap gesticht in 1799 vormde zich een genootschap, dat in 1812 de “Church Missionary Society” werd. Spoedig daarna werd het Wesleyaanse Zendinggenootschap gesticht.

“Terwijl de werkzaamheid op het gebied van zending in Groot-Britannië toenam, werden de Christenen van Amerika met een gelijksoortige ijver bezield.” In 1812 werd de “American Board of Commissioners” voor Buitenlandse Zending gesticht; en in 1814 de “American Baptist Missionary Union.” Adoniram Judson, een van de eerste zendelingen die van Amerika uitgingen, vertrok in 1812 naar Calcutta, en kwam o.p 20 Julie 1813 te Burma aan. In 1837 werd het Presbyteriaanse Bestuur gevormd. (Zie Fisher, “History of the Christian Church,” periode 9, kap. 7, par. 3-25).

Dr. A. T. Pierson verklaart in een artikel, gepubliceerd in de Missionary Review of the World, van Januarie 1910: “Een halve eeuw geleden sliepen China, Manchurije, Japan en Korea, Turkije en Arabië, en zelfs het ontzaglike vasteland van Afrika — kluizenaarsvolken, omgeven door de celwanden van lange afzondering en buitensluiting. Evenals Midden-Afrika was ook Midden-Azië betrekkelik nog weinig bezocht. In vele landen was Satans lange bezit onbetwist en zijn rijk niet aangeraakt. Pauselike landen waren even onverdraagzaam als heidenlanden; Italië en Spanje zetten iedereen gevangen, die het waagde een Bijbel te verkopen, of het evangelie te prediken. Frankrijk was prakties godloochenend, en Duitschland doortrokken van het rationalisme; en over een groot deel van het zendingveld waren de deuren gesloten en verzegeld door een meer of minder strikte buitensluiting en het kaste-stelsel. Tans zijn do veranderingen aan alle kanten z— opmerkelik en z— doortastend, dat voor degene, die plotseling uit dat tijdperk van de vorige eeuw verschijnen zou, ... de wereld onherkenbaar zou wezen. Hij, die de sleutels heeft van de poorten met dubbele deuren, heeft ze opengesloten, en alle landen geopend voor de Boodschapper van het Kruis. Zelfs in de Eeuwige Stad, waar een bezoeker een halve eeuw geleden zijn Bijbel buiten de muren moest laten, zijn er tans Protestantse kapellen bij de twintigtallen, en bestaat er vrije verspreiding van de Schrift.”

Noot 32. Hoofdst. 18. William Miller.— De advent-boodschap in Amerika ontwikkelde zich grotendeels door toedoen van William Miller en zijn medewerkers, die God krachtig gebruikte in het grote kosmopolitiese land van de Verenigde Staten, een volk, welks kinderen uit al de beschaafde landen van Europa kwamen. De advent-boodschap was echter wereldwijd, gelijk voorafgaande hoofdstukken duidelik aanwijzen. De heer Miller was juist in zijn berekening van de profetiese tijd en het jaar-dag beginsel, waarop die berekening berustte. Zijn vergissing in de aard van de gebeurtenis aan het ernde van het profetiese tijdperk is in dit boekwerk aangetoond. Volgende op de teleurstelling van de heer Miller, verdeelden zich belijdende advent-gelovigen in verschillende partijen, welke, de grond, waarop de boodschap van de heer Miller berustte, verlatende, de profetiese tijdvakken trachtten te regelen, en tijd vast te stellen voor de komst van de Heer, of die geheel en al voorbij te zien. Sommigen van hen, die beweren Zijn volgelingen te zijn — met onschriftuurlike beschouwingen over Christus en Zijn priesterschap, over een toekomstige genadetijd, over een plan der eeuwen, over de Goddelikheid van Christus,— staan even ver verwijderd van de beginselen, die door William Miller gevolgd werden, als de evenachtslijn van de polen is. De ware opvolgers van William Miller en al Gods hervormers zijn zij, die de rechte beginselen van schriftverklaring volgen, en geleid worden door het zich volgens deze beginselen steeds ontwikkelende woord. Miller was een van Gods wachters, roepende, “De morgenstond daagt,” en een menigte stemmen uit alle landen paarden zich aan de zijne.

Noot 33. Bladz. 380. Profetiese Datums.— Zie Noot 34.

Noot 34. Bladz. 382. Profetiese Datums.— De historiese en chronologiese feiten in verband met do profetiese perioden van Daniël 8 en 9, tezamen met veel bewijzen, die onbetwistbaar wijzen op het jaar 457 v. C., als de rechte tijd, vanwaar men beginnen moet deze perioden te rekenen, zijn door veel onderzoekers van de profetieën duidelik aangegeven. Zie Stanley Leathes, “Old Testament Prophecy,” lectures 10, 11 (Warburton Lectures voor 1876-1880); W. Goode, “Fulfilled Prophecy,” preek 10, Noot A ingesloten (Warburton Lectures for 1854-1858); A. Thom, “Chronology of Prophecy,” pp. 26-106 (Londen, ed., 1848) ; Sir Isaac Newton, “Observations upon the Prophecies of Daniel, and the Apocalypse of St. John,” kap. 10 (Londen, ed., 1733, pp. 128-143); Uriah Smith, “Thoughts on Daniel and the Revelation,” deel 1, kap. 8, 9. Over de datum van de kruisiging zie Wm. Hales, “Analysis of Chronology,” Deel I, pp. 94-101; Deel III, pp. 164-258 (2de Londen, ed., 1830); D. D. Aelisil “Biblisches Handwörterbuch, Notes on Dan. 9:24-27.”

Noot 35. Bladz. 390. Val van het Ottomaanse Rijk.— Voor verdere biezonderheden aangaande de voorspelde val van het Ottomaanse rijk in de maand Augustus 1840, zie J. Litch, “The Probability of the Second Coming of Christ about a. d. 1843” (uitgegeven in Junie 1838) ; J. Litch, “An Address to the Clergy” (uitgegeven in de lente van 1840; een tweede uitgave, met historiese gegevens tot handhaving van de juistheid van voorgaande berekeningen van het profetiese tijdvak, strekkende tot de val het Ottomaanse rijk, werd in 1841 uitgegeven) ; de Advent Shield and Review, Deel I (1844), No. 1, artikel 2, pp. 56, 57, 59-61; J. N. Loughborough, “The Great Advent Movement,” pp. 129-132 (1905 ed.); J. Litch, artikel in Signs of the Times, and Expositor of Prophecy, 1 Aug. 1840. Zie ook artikel in Signs of the Times, and Expositor of Prophecy, 1 Febr. 1841.

Noot 36. Bladz. 396. Het Onthouden van de Bijbel aan het Volk. — Over de houding van de Rooms Katholieke Kerk betreffende de verspreiding van de Heilige Schrift, in de landstaal, onder de leken, zie Catholic Encyclopædia, art. “Bible”; ook G. P. Fisher, “The Ref-ormation,” kap. 15, par. 16 (1873 ed., pp. 530-532); J. Kardinaal Gibbons, “The Faith of Our Fathers,” kap. 8; J. Dowling, “History of Romanism,” boek 7, kap. 2, sektie 14, en boek 9, kap. 3, sektie 24-27 (1871 ed., pp. 491-496, 621-625); L. F. Bungener, “Histoire du Concile de Trent,” pp. 101-110 (2de Edinburgh ed., 1853, vert, door D. D. Scott); G. H. Putnam, “Books and Their Makers during the Middle Ages,” Deel 1, deel 2, par. 49, 54-56.

Noot 37. Hoofdst. 18. Advent-boodschap in Duitschland.— Bengel stond niet alleen met zijn boodschap der waarheid. Pred. Buehrlin, Roos, Peters, Kelber, Stilling en anderen predikten de spoedige komst van Christus. Bengel grondde zijn boodschap op het gezag van de Openbaring. Stilling leerde, dat de letterlike vervulling van dat boek begonnen was. Roos en Kelber, eerstgenoemde schrijvende in 1770 en laatstgenoemde in 1805, grondden hun boodschappen op de profetiese perioden van Daniël. Stilling verklaarde in hetzefde jaar, dat de waarschuwing van de Derde Engel van Openb. 14:9-12 niet gegeven was, maar spoedig gegeven zou worden. Over de advent schreef Kelber, “The End Comes,” en “Antichrist”; de vierde uitgave van laatstgenoemd werk verscheen in 1842.

Noot 38. Bladz. 435. Hemelvaartsklederen.— Het vertelsel, dat de Adventisten kleren maakten om op te varen “om de Heer in de lucht te ontmoeten,” werd verzonnen door hen, die de zaak te schande wilden maken. Het werd zo ijverig verspreid, dat velen het geloofden; maar strikte navraag bewees, dat het vals was. Jaren lang is er een grote beloning geboden voor een bewijs, dat er één enkel zodanig geval geweest is, maar het bewijs is niet geleverd. Niemand, die de verschijning van de Heiland liefhad, was zo onwetend aangaande wat de Schrift leerde, dat hij zou veronderstellen dat klederen, die gemaakt konden worden, voor die gelegenheid nodig zouden zijn. Het enige kleed, dat de heiligen nodig zullen hebben om de Heer te ontmoeten, is de mantel van de gerechtigheid van Christus. Zie Openb. 19: 8.

Noot 39. Bladz. 436. De Tijdrekening van de Profetie.— Dr. Geo. Bush, Professor van de Hebreeuwse en Oosterse Littératuur aan de Universiteit van Nieuw York, erkende in een brief, gericht aan de heer Miller, en uitgegeven in de Advent Herald, and Signs of the Times Reporter, Boston, 6 en 13 Maart 1844, enige belangrijke zaken betreffende diens berekening van de profetiese tijden. De heer Bush schreef:

“Ook kan er, volgens mijn mening, niets tegen u en uw vrienden ingebracht worden, omdat ge veel tijd en aandacht besteed hebt aan het onderzoeken van de tijdrekening van de profetie, en veel moeite gedaan hebt om de aanvangsen sluitingsdatums van de grote perioden ervan vast te stellen. Wanneer die tijdperken werkelik door de Heilige Geest in de profetiese boeken aangegeven zijn, was het ongetwijfeld met de bedoeling dat ze moesten bestudeerd, en waarschijnlik in het eind volkomen verstaan worden; en geen mens kan beschuldigd worden van aanmatigende dwaasheid, die eerbiedig tracht zulks te doen. . . . In het nemen van een dag als de profetiese term van een jaar, geloof ik, dat ge gesteund wordt door de gezondste exegese, zowel als gesterkt door de grote namen van Mede, Sir Isaac Newton, Kirby, Scott, Keith, en een menigte andere, die reeds sedert lange tijd ertoe gekomen zijn om uw gevolgtrekkingen op dit punt te bevestigen. Zij stemmen er allen mede overeen, dat de voornaamste perioden, waar Daniël en Johannes melding van maken, werkelik ongeveer in deze eeuw van de wereld tot een eind komen, en het zou een vreemde logika wezen, die u van ketterij beschuldigen wilde, omdat gij inderdaad dezelfde inzichten hebt, die zulk een in het oog vallende plaats innemen in de opmerkingen van deze grote godgeleerden.” “Wat u in dit veld van onderzoek zegt gevonden te hebben, schijnt mij niet zo zeer buitengewoon, dat het invloed zou hebben op een van de grote punten van belang van waarheid of plicht.” “Uw dwaling ligt, vrees ik, in een andere richting, dan in uw tijdrekening.” “U heeft u geheel en al vergist in de aard van de gebeurtenissen, die plaats zullen hebben, wanneer deze tijdperken verstreken zullen zijn. Dit is het begin en het einde van uw verkeerde uitleg. ”

Noot 40. Bladz. 465. Profetiese Datums.— Zie Noot 34.

Noot 41. Bladz. 510. Een Drievoudige Boodschap.— Openb. 14:6, 7, voorzegt de verkondiging van de boodschap van de derde engel. Daarna vervolgt de profeet: “Er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, ... en een derde engel is hen gevolgd.” Het woord, dat hier gegeven wordt als “gevolgd,” betékent in zinsbouw, gelijk in deze tekst voorkomt, ” mede gaan. ” Liddell en Scott geven het woord als volgt: “Iemand te volgen, na hem of met hem te gaan.” Robinson zegt: “Te volgen, mede te gaan, iemand te vergezellen.” Het is hetzelfde woord, dat in Markus 5: 24 gebruikt is: Jezus ” ging met hem; en een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen Hem.” Het wordt eveneens gebruikt, sprekende van de verloste honderd vier en veertig duizend, waar er gezegd wordt: “Deze zijn het, die het Lam volgen, wáár het ook heengaat.” Openb. 14: 4. In deze beide teksten is het duidelik, dat het idee, dat men geven wil, is dat van samengaan, in gezelschap met. Zo is in 1 Kor. 10:4, waar we lezen van de kinderen van Israël, dat “ze dronken uit de geestelike Steenrots, die volgde,” het woord “volgde” vertaald van hetzelfde Griekse woord, en de kanttekening geeft aan, “met hen ging.” Hieruit zien we, dat de gedachte in Openb. 14, 8, 9 uitgedrukt, niet eenvoudig is, dat de tweede en derde engel de eerste volgden, wat tijd aangaat, maar dat ze met met hem medegingen. De drie boodschappen zijn maar één drievoudige boodschap. Ze zijn slechts drie in de volgorde, waarin ze opkomen. Maar nadat ze opgekomen zijn, gaan ze samen, en zijn onafscheidelik.

Noot 42. Bladz. 523. Oppermacht van de Bisschop van Rome.— Sommige van de voornaamste omstandigheden in verband met de aanmatiging van oppermacht door de bisschoppen van Rome, worden in Mosheim’s “Hist. Eccl.,” 2de eeuw, deel 2, kap. 4, sektie 9-11, onischreven. Zie ook G. P. Fislier, “History of the Christian Church”; Gieseler, “Hist. Eccl.,” periode 1, afd. 3, kap. 4, sektie 66, par. 3, noot 8 ingesloten (N. Y. ed., 1836, vert, door F. Cunningham) ; J. N. Andrews, “History of the Sabbath,” pp. 276-279 (3de ed. herz.).

Noot 43. Bladz. 670. Edikt van Konstantijn.— Zie Noot 3.

Noot 44. Bladz. 675. De Abyssiniese Kerk.— Over het houden van de Sabbat van de Bijbel in Abyssinië zie Deken A. P. Stanley, “Lectures on the History of the Eastern Church,” lecture 1, par. 15 (N. Y. ed., 1862, pp. 96, 97); Gibbon, “Decline and Fall of the Roman Empire,” kap. 47, par. 37-39; Samuel Gobat, “Journal of Three Years’ Residence in Abyssinia,” pp. 55-58, 83, 93, 97, 98 (N. Y. ed., 1850) ; A. H. Lewis, “A Critical History of the Sabbath and the Sunday in the Christian Church,” pp. 208-215 (2de ed., herz.),

Noot 45. Bladz. 678. Diktaten van Hildebrand.— Zie Noot 6.

Biografiese aantekeningen

Columba.— Het Evangelie werd in de tweede eeuw voor het eerst naar Groot-Brittannië overgebracht; en vandaar breidde het zich in de vierde eeuw naar Ierland uit door het werk van Succat, of St. Patrick. De inval in Brittannië door de heidense Saksers, 449 n. C., had ten gevolge, dat de Christelike godsdienst in Engeland en Schotland nagenoeg uitgeroeid werd. Maar honderd jaren later werd deze weer verlevendigd door het werk van Columba, een inboorling van Ierland, uit een van de kerken, die gesticht waren onder het werk van Succat. Columba beijverde zich zeer om het evangelie in zijn eigen land te verbreiden, toen zijn aandacht bepaald werd bij de toestand van de heidense Pieten, en hij besloot de taak van hun bekering te ondernemen. Met een paar vol-gelingen vestigde hij zich op het kleine eiland Iona, of Icolmhill, aan de westkust van Schotland. Hier ontstond een kerk en school; en door de evangelisten, die vandaar uitgezonden werden, werd het evangelie door een aanzienlik deel van Europa verbreid.

Columba was van vorstelike afkomst, “hoog van gestalte en van edele houding. Hij was iemand met een helder inzicht en van een sterk karakter; een van die grote geesten, die anderen vormen en leiden.” “Hij had een vurige liefde voor het woord van God, en bracht veel tijd door met het te lezen, te bestuderen en het over te schrijven. Ook gaf hij veel tijd aan het gebed en aan de leiding van de gemeenten, die zich onder zijn zorg stelden, er naar trachtende hen op te leiden in nuttige kunsten zowel als in Christelike kennis.”

Columba arbeidde in persoon, en met veel sukses, in Schotland en Engeland, en bezocht Ierland meermalen. Hij bracht zijn laatste dagen door op Iona “het eiland van zijn hart,” zoals hij het placht te noemen. Het laatste toneel van zijn leven was zeer aandoenlik. De dag vor zijn dood, naar de heuvel gebracht zijude, vanwaar hij het gezicht had over het zendingshuis en de kleine boekerij, daarbij behorende, stond hij er een tijd lang naar te kijken, en toen, zijn beide handen opheffende, smeekte hij er de Goddelike zegen over af. Naar zijn hut teruggekeerd, hervatte hij zijn dageliks werk, het afschrijven van het boek der Psalmen, en ging door tot aan de plaats, waar geschreven staat: “Die de Heer vrezen, hebben geen gebrek.” “Hier,” zei hij aan het eind vau het blad, “moet ik ophouden. ” Toen de bel voor de vroegmis luidde, spoedde hij zich naar de kerk, en eer de broederen bij hem konden komen, was hij vor het altaar in zwijm gevallen. Niet in staat te spreken, deed hij een zwakke poging om de rechterhand nog eenmaal op te heffen om hen te zegenen, en met een van vreugde stralend gelaat ging hij tot zijn rust in.

Columba werd in 521 n. C. te Gartan, in het Distrikt Donegal, in Ierland, geboren, en stierf op Iona, in Schotland, 597.

De Waldenzen.— De naam Waldenzen wordt gezegd afgeleid te zijn van Peter Waldo, een koopman van Lyon, in Frankrijk, die omtrent het jaar 1150 n. C. leefde. Te midden van een leven van handelsbezigheid gelegenheid vindende voor de studie van de letterkunde, werd hij tot de Bijbel geleid, en na de waarheden van het evangelie aangenomen te hebben, wijdde hij zijn leven aan evangelie werk. Hij bewees de zaak van de Hervorming een belangrijke dienst door op eigen kosten en onder zijn toezicht een vertaling te laten maken van het Nieuwe Testament in de Romaanse taal, toen de volkstaal van het Zuiden van Frankrijk. Dit was de eerste volledige vertaling van de Schriften in een van de talen van het Europa van de Middeleeuwen, en was de enige, waarvan men voor het volk gebruik kon maken.

Maar de primitieve Christenen, bekend als Waldenzen, bestonden vor de dagen van Waldo. Van de vroegste tijden aan zijn er Christenen geweest, die zich aan het geloof van de apostoliese kerk gehouden hebben en opgekomen zijn tegen het verderf en de tirannie van Rome. Het bisdom van Milaan — dat de vlakten van Lombardije, de Alpen van Piedmont, en de zuidelike provincieën van Frankrijk insloot — overtrof in uitgestrektheid het wereldlik gebied van het bisdom ran Rome; en niet vor het midden van de elfde eeuw erkende Milaan de oppermacht van de Paus. Zelfs toen keurden vele mensen de handeling van hun geesteliken af, en handhaafden in de bergen van Piedmont hun onafhankelikheid van Rome. In het zuiden van Frankrijk boden de Albigenzen een gelijke tegenstand tegen de pauselike aanmatigingen.

De vervolging, die in de dertiende eeuw onder Innocentius III. begon, leidde tot de uitroeiing van de Albigenzen, en deze vervolging werd met moordzuchtige woede honderden jaren lang tegen de Waldenzen voort-gezet. Om vredeswil namen velen ten laatste de toevlucht tot een uiterlike gelijkvormigheid aan Rome. Maar met de Hervorming bezielde een nieuw leven de bewoners van de Piedmontse valleien. Opnieuw legden ze getuigenis van hun geloof af, en werden de brandstapels van de ver-volging weer ontstoken. Keer op keer werden troepen soldaten tegen hen afgezonden. Slachting volgde op slachting. De gruwelikste folteringen, die ooit door duivels in menselike gedaante uitgedacht zijn, wer- den uitgeoefend op oude mannen, hulpeloze vrouwen en kleine kinderen. In 1785 was de overwinning voltooid. Al de overlevende bewoners van de valleien werden weggesleept, om de gevangenissen van hun overwinnaars te vullen. Verwaarlozing, barbaarsheid en pestilentie deden hun gruwelik werk; en in minder dan een jaar kwamen er van de veertien duizend, die er in waren gegaan, slechts drie duizend uit, toen de deuren van de gevangenis geopend werden. Dezen werden veroordeeld tot verbanning; en in het hart van de winter baande een groot aantal zich een weg over de Alpen, naar een toevluchtsoord. Honderden kwamen er om, en na vreselik lijden bereikten de overlevenden de poorten van Génève. Een paar jaren later keerde een deel van deze schare naar hun bergen terug, en nam weer bezit van hun verlaten woonsteden.

In de achttiende eeuw hield de godsdienstige vervolging over het algemeen op. Toch stonden de Waldenzen in 1799 nog onder veel burgerlike beperkingen; hun kinderen werden dikwels gestolen, of hun met geweld ontnomen, ten einde in het Roomse geloof opgevoed te worden; en ze moesten tienden aan de Roomse geestelikheid betalen. Het was eerst in het jaar 1848 dat hun door de beheerders van Piedmont hetzelfde genot als anderen van alle burgerlike en politieke rechten werd toegestaan. In de Kerkelike Staten echter heerste de Paus nog steeds als oppermachtig gebieder, en was zijn macht nog altijd een gevaar voor godsdienstvrijheid. Maar in 1870 viel het bolwerk van het pausdom. Spoedig werd het Nieuwe Testament door een jonge Waldens te Rome bijna onder de vensters van het Vatikaan gedrukt. Een van de gevangenissen werd in een uitgeverskantoor veranderd, en in de folterkamer, waarin de kreten van de martelaars van Jezus eenmaal weerklonken, werd de drukpers opgezet, vanwaar het evangelie des vredes over het gehele land heen uitgezonden werd.

Johan Wycliffe.— Johan Wycliffe, of Johan van Wycliffe, de grootste van do “hervormers vor de Hervorming,” werd omtrent 1324 in het dorp van dezelfde naam in Yorkshire, Engeland, geboren. Hij stierf in 1384. Van zijn jeugd is weinig bekend. Hij ontving zijn opvoeding aan de Universiteit van Oxford, die zelfs in die ver verleden tijden niet minder dan dertig duizend studenten telde. Tot dicht bij het einde van zijn leven bleef hij daar wonen en leren. Door zijn verdediging van Eduard III., die weigerde aan de Paus schatting te geven, en zijn voorstaan van volksrechten, toen hij afgevaardigd werd om met do Pauselike nuncio’s in de Nederlanden te onderhandelen, won Wycliffe het vertrouwen en de bijval van de koning en het volk. Ofschoon vervolgd door de meedogenloze vijandschap van de Paus en zijn ondersteuners, en eindelik van de universiteit verdreven, werd hij tot rector van Lutterworth aangesteld, waar hij zich aan de vertaling van de Bijbel in de moedertaal wijdde. “Wycliffe was groot als geleerde, als diplomaat en als prediker.” “Zijn verwonderlike geleerdheid en geestesgaven bezorgden hem een overwegende invloed aan de universiteit. Maar de Bijbel was zijn standaard; en het voornaamste voortbrengsel van zijn geest, zijn preken, zijn er waarlik vol van. Zijn doel was altijd, de waarheid van Christus te verdedigen.”

Johannes Huss.— Jobannes Huss, te Hussinetz in Bohemen geboren in 1378, was de voornaamste onder degenen, door wie de fakkel van de waarheid van Wycliffe tot de hervormers van de zestiende eeuw werd overgebracht. Hij werd opgevoed aan de universiteit van Praag, en in 1402 tot rector van de universiteit en prediker van de Bethlehem Kapel benoemd. Hij had niet zulk een duidelik inzicht in de waarheid als Wycliffe; hij hield zich aan pauselike leerstellingen, die de Engelse hervormer verworpen had, maar handhaafde de grote fundamentele waarheid van de onfeilbaarheid der Schriften, en bestrafte getrouw de ondeugden van de kerk; en hij legde zijn leven af als een getuigenis van zijn getrouwheid. Hij werd in 1415 te Constance verbrand.

“Huss was veel minder merkwaardig om zijn geestegaven en bekwaamheden dan om de eerlikheid, waarmede hij zijn overtuigingen vormde, en de volharding, waarmede hij die uitsprak. Er kan niet van hem gezegd worden, dat hij de intellektuële rijkdom van de wereld vermeerderd heeft; maar zijn bijdrage tot het zedelik kapitaal ervan was ontzaglik groot. Hij is met recht genoemd een van de moedigste martelaars, die ooit gestorven zijn voor de zaak van eerlikheid en vrijheid, van vooruitgang en nadering tot het licht.”

Hieronymus.— Hieronymus van Praag, de boezemvriend van Huss, was een afstammeling van een edele Boheemse familie. Na verscheidene jaren aan de Universiteit van Praag doorgebracht te hebben, zette hij zijn studieën voort aan de voornaamste universiteiten van Frankrijk, Duitschland en England, waar hij overal de doktorsgraad behaalde. Te Oxford werd hij bekend met de geschriften van Wycliffe, en bestudeerde ze met grote ingenomenheid. “Tot nu toe,” zei hij, “hebben we niets gehad dan de buitenste schaal van de wetenschap;” “Wycliffe heeft voor het eerst de pit opengelegd.” Hij ondernam de vertaling van Wycliffe’s geschriften in de Boheemse taal, en werkte bij zijn terugkeer naar Bohemen met Huss samen tot verspreiding van de hervormde leer. Hieronymus werd omtrent 1365 geboren, en in 1416 te Constance op de brandstapel verbrand.

Martin Luther.— Eisleben, een klein stadje in het Thüringer woud in Saksen, was de geboorteplaats van Luther, de grootste van de hervormers. In 1483 geboren, toen de herleving van de letterkunde begonnen was, en de geesten van de mensen begonnen te ontwaken uit de zwijmel van de middeleeuwen, was Luther door God bestemd, om hen uit de gevanschap van het bijgeloof uit te leiden. In zijn jongelingsjaren was hij op school gedaan te Mansfeld, te Maagdenburg en te Eisenach, en verried toen reeds een scherp vernuft. Te Eisenach, terwijl hij langs de huizen zong, en in Christus’ naam om brood smeekte, trok hij de aandacht van de vriendelike Ursula Cotts, die hem in haar huis opnam, en moederlike zorg aan de arme, jonge scholier besteedde. In 1501 ging Luther naar de Universiteit van Erfurt; vier jaren later gaf hij zijn studieën op voor het kloosterleven. In 1507 werd hij tot priester gewijd, en het volgende jaar werd hem een professoraat aan de Universiteit te Wittenberg aangeboden. De beruchte stellingen tegen de aflaatbrieven werden in 1517 aangeplakt; en in 1521 verscheen hij voor de rijksdag te Worms. Vijf en twintig jaren lang hing het dekreet van vogelvrijheid hem boven het hoofd; maar, evenals Wycliffe, zou hij in vrede sterven. Ofschoon bijna zijn gehele werkzame leven te Wittenberg gesleten werd, stierf hij te Eisleben, zijn geboortestad, waar hij, uitgeput door zijn grote werkzaamheden, op de 18de Februarie 1546 overleed.

“Luthers fysies bestaan was grotendeels een leven van lijden. Hij was in zijn jonge jaren tenger van gestalte, ofschoon hij in zijn later leven zwaarlijvig werd. De volheid van gezicht, die hem in zijn latere afbeeldingen gegeven wordt, wordt echter gezegd veroorzaakt te zijn, niet door krachtige gezondheid, maar door waterzuchtigheid als gevolg van zijn vroegere strenge levenswijze. Zijn gewoonten waren matig. Zijn stem was hard noch-sterk; het was hun bliksem, niet hun donder, die de machtige uitwerking van zijn woorden teweegbracht.”

“Het karakter van Luther ligt zo open in zijn leven, dat het nauweliks nodig is, de trekken ervan te tekenen. Hij was z— openhartig, dat, als de gehele wereld samengewerkt had om zijn fouten te bedekken, zijn eigen hand ze ontdekt zou hebben. Zijn heftigheid was die van een machtige natuur, een sterke overtuiging, die de strijd der waarheid tegen onverzoenlike vijanden voerde. Dat hij onzelfzuchtig, ernstig, eerlik, onwrikbaar moedig in gevaar, vol tederheid en menslievendheid, dat hij een van de grote scheppende geesten van zijn geslacht was, machtig in woord en daad, onovertroffen als volksredenaar, iemand uit het volk, en toch een prins onder prinsen, een kind van geloof, een kind van God,— dat wordt door allen toegegeven.”

Philippus Melanchton.— Philippus Melanchton, de vriend van Luther, en zijn medearbeider in de Duitse Hervorming, werd in 1497 geboren. Hij was de zoon van een meester wapensmid van Bretton, in het hertogdom Baden, en was een verwante en leerling van de beroemde Reuchlin, die zoveel gedaan heeft om de studie van het Grieks en Hebreeuws in Duitschland in te voeren. De kracht en klaarheid van Melanchtons verstand maakten het verkrijgen van kennis een genot. Op twaalfjarige leeftijd ging hij naar de Universiteit van Heidelberg, en verkreeg de doktorstitel toen hij zeventien was. Het was omstreeks die tijd, dat hij zijn naam Schwartzerd (“zwarte grond”) in het Griekse “Melanchton” veranderde, hetgeen hetzelfde betekent. In die tijden was het niets ongewoons voor geleerden, om hun namen uit het Duits in het Latijn of Grieks te vertalen. Toen hij een en twintig jaar was, werd Melanchton het Griekse professoraat te Wittenberg aangeboden, en toen begon de vriendschap met Luther, die tot de dood van de grote hervormer duurde. Melanchton vergelijkt Luther met Elia, en noemt hem “de man vol van de Heilige Geest.” En Luther, zichzelf met Melanchton ver-gelijkend, schreef: “Ik was verplicht, met gespuis en duivels te vechten, om welke reden mijn boeken zeer strijdlustig zijn. Ik ben een ruwe pionier, die de weg breken moet; maar Meester Philippus wandelt zachtjes en stilletjes, zaait en bewatert hartelik, daar God hem rijkelik met gaven bedeeld heeft.” Het was Melanchtons logiese geest en gepolijste pen, die de Augsburgse Konfessie schreef, de klaarheid, kracht, eenvoud, en bevalligheid waarvan zelfs door zijn tegenstanders erkend werden. Hij stierf te Wittenberg in 1560, en werd naast Luther in de kerk van het kasteel begraven.

Ulrich Zwingli.—Ulrich Zwingli werd op Nieuwjaarsdag 1484 in het kleine dorp Wildhaus, in een nauwe vallei van Zuidoostelik Zwitserland, geboren. Hij was de eerste van de Zwitserse Hervormers, en zijn werk oefende een uitgebreide invloed uit. Zürich was het toneel van zijn belangrijkste werkzaamheden; hij werd in 1519 naar deze stad geroepen, en in 1525 was de Hervorming hier zonder geweld, en bijna zonder rustverstoring gevestigd. Toen andere steden en gehele distrikten het hervormde geloof aannamen, namen de pauselik gezinde kantons de wapenen op, om zich tegen het recht van godsdienstige vrijheid te verzetten. In de strijd, die er volgde, viel Zwingli, die dienst deed als kapelaan van de hervormde macht, op het slagveld van Cappel, op de 11de Oktober 1531.

“Zwingli was een moedige hervormer, een bekwaam geleerde, een welsprekend prediker, een vaderlandslievend republikein, en een verziend staatsman. Hem ontbrak het genie en de diepte van Luther en Calvijn, de geleerdheid van Melanchton en Oecolampadius; maar hij stond hun gelijk in eerlikheid van doel, eerbaarheid van karakter, heldemoed, en toewijding aan de zaak van de Hervorming, en hij overtrof hen in vrijzinnigheid.”

Johannes Oecolampadius.— Oecolampadius wordt de “hervormer van Bazel” genoemd, maar de ruime omvang van zijn invloed geeft hem recht op een meer omvattende naam. In zijn intellektuële en morele hoedanigheden gelijkt hij sprekend op Melanchton. “Er zijn verscheidene voorbeelden uit de tijd van de Hervorming, dat het de Heer behaagt, Zijn discipelen in paren uit te zenden, wanneer Hij een groot werk te doen heeft. Luther stond naast Melanchton; Calvijn naast Beza, en Oecolampadius naast Zwingli.”

Oecolampadius werd in 1482 in het vroegere koninkrijk Wurtemburg geboren. Hij was al zeer vroeg met Luthers leer ingenomen, en nadat hij in 1522 naar Bazel beroepen was, begon hij zijn werk als hervormer. De stad was in die tijd het belangrijkste intellektuële centrum in Zwitserland, de zetel van zijn enige universiteit, en de verblijfplaats van de voornaamste boekdrukkers. Aan Oecolampadius werd al spoedig een professoraat aan de universiteit aangeboden, en in 1529 was de Hervorming te Bazel gevestigd. Hier stierf Oecolampadius in 1531.

Jacques Lefevre.— Lefèvre, een groot geleerde, en een van de eerste Franse hervormers, werd omstreeks 1450 geboren, en stierf in 1536. Lefèvre was professor aan de Universiteit van Parijs, toen hij omstreeks 1507 de Bijbel begon te bestuderen. Hij publiceerde kommentaren over verschillende delen van de Schriften, en in 1521 werd een van zijn werken als ketters veroordeeld. Maar door de gunst van Frans I. en van prinses Margaretha werden de gerechtelike handelingen tegen hem gestaakt. In 1523 werd zijn Franse vertaling van het Nieuwe Testament uitgegeven. Na de slag van Pavia en de gevangenzetting van Frans te Madrid namen de pauseliken de krachtigste stappen tegen de hervormers, en vluchtte Lefèvre, toen vijf en zeventig jaren oud, naar Straatsburg. Kort na de vrijstelling van de koning werd hij teruggeroepen, en na zijn vertaling van het Oude Testament uitgegeven te hebben, trok hij zich terug te Nerac, de verblijfplaats van Margaretha van Navarre, waar hij stierf. Lefèvre had de grondbeginselen van de Hervorming aangenomen, en handhaafde ze in zijn geschriften; toch bleef hij in de Roomse Kerk, hopende dat er een hervorming in de kerk zelf zou plaats hebben. Leerzaam en vredelievend van aard schrikte hij terug voor openlike botsing. Maar zijn gebrek aan moed om de waarheid te belijden veroorzaakte hem bittere wroeging in zijn laatste uren. Met tranen en hartverscheurende zielsangst riep hij uit: “Ik ben verdoemd. Ik heb de waarheid bedekt, die ik had moeten belijden, en waarvoor ik openlik had moeten uitkomen.” Dag en nacht uitte hij deze kreet, maar ontving eindelik genade om zijn last op Christus te werpen, en stierf, vertrouwende op de genade Gods.

Willem Farel.— Farel, een van de stoutmoedigste pioniers van de Hervorming in Zwitserland en Frankrijk, werd in 1589 in Dauphiné, een provincie in het Oosten van Frankrijk, geboren. Hij was een ijverig en voorspoedig student, en werd professor aan een van de Kolleges van Parijs. De beginselen van de hervormde leer aangenomen hebbende, wijdde hij zich met al de kracht van zijn vurige natuur aan het werk van het evangelie. Genoodzaakt zijnde uit Frankrijk te vluchten, ging hij naar Bazel, en knoopte een warme vriendschap aan met Zwingli en Oecolampadius, die niet anders dan aangetrokken konden worden door zijn geestdrift en zelfopoffering, hoewel ze zijn gemis aan bescheidenheid opmerkten, dat hem somtijds tot onvoorzichtigheid en zelfs roekeloosheid leidde. Maar Erasmus, de politieke en konservatieve geleerde, kon de ruwe hervormer niet verdragen, en door zijn invloed werd Farel genoodzaakt, Bazel te verlaten. Een groot deel van zijn lang en werkzaam leven werd echter in Zwitserland gesleten, in arbeid, die zo uitgebreid als gevaarvol was, en waarvan het gevolg was, dat het hervormde geloof in een aanzienlik deel van dat land gevestigd werd.

In 1532 ging Farel als afgevaardigde van de hervormers naar de Waldenziese synode in de Angrogna vallei. De Waldenzen hadden altijd grote achting voor hem, en hij oefende een sterke invloed over hen uit. Onder vele wisselvalligheden, gevaren en veel lijden zette hij zijn werkzaamheden voor de Hervorming voort, tot zelfs de dag van zijn dood, in 1565, te Neufchâtel. “Farel was een vurig, impulsief mens; meer een zendeling dan een organiseerder; meer een beeldstormer dan een theoloog.” Beza zegt, dat hij in zijn prediking “uitmuntte door een zekere soort van verhevenheid, zodat niemand zonder beven naar zijn donderen kon luisteren.”

Johannes Calvijn.— Te Noyen, in Picardië, ongeveer zeventig mijlen ten noordoosten van Parijs, werd Calvijn in 1509 geboren; hij stierf te Génève in 1564. Calvijn gaf al spoedig het Romanisme op, en werd in 1534 genoodzaakt, uit Frankrijk te vluchten. In 1536 gaf hij te Bazel het beroemdste van al zijn werken, “De Instituten van de Christelike godsdienst,” uit. In hetzelfde jaar begon hij zijn werk zaamheden te Génève, alwaar hij bijna zijn gehele verdere leven sleet. Hier werden zijn methoden van bestuur en hervorming strikt nagekomen, daar dit de voorwaarde was, waarop alleen hij er in bewilligde te blijven. Onder zijn bestuur werd onzedelikheid van elke aarde streng onderdrukt. Behalve de vluchtelingen, die uit bijna alle delen van Europa naar Génève stroomden, gingen duizenden studenten daarheen, aangetrokken door de faam van zijn lezingen en die van Besa.

“Calvijn was van een sobere, stille levensaard. Hij had een klaar verstand, een buitengewoon geheugen, en een flinkheid en onbuigzaamheid van doel, die geen tegenstand overwinnen, geen verscheidenheid van doeleinden verijdelen, geen wisselvalligheden schokken konden. In zijn beginselen was hij ernstig en oprecht.” Enkele daden van onverdraagzaamheid hebben een schaduw geworpen op zijn publieke levensloop, maar in zijn privaat leven was zijn karakter vlekkeloos. Als prediker, schrijver, herder en leider van de Hervorming door geheel Europa, was de omvang van zijn werkzaamheden bijna ongelooflik. Zijn gezondheid was zwak; toch zette hij zijn werk voort tot bijna op de dag van zijn dood. Hij verkoos arm te zijn, weigerde vermeerdering van zijn geringe salaris, en wees geschenken van de hand, behalve om ze aan de armen te geven. Ofschoon dikwels beschuldigd van rijkdommen te vergaderen, liet hij bij zijn dood weinig meer na dan twee en vijftig pond sterling. Op zijn eigen verzoek werd hij zonder enig eerbewijs begraven, en geen monument toont zijn graf aan.

Menno Simons.— Simons was “een hervormer, wiens apostoliese geest en werkzaamheden tot nog toe niet naar verdienste erkend zijn.” Hij werd in 1492 in Noord-Holland geboren. Hij stierf in 1559 in Holstein.

In 1536 scheidde Menno zich van de Roomse Kerk af. Zijn verzet tegen de leer van de kinderdoop deed hem van de Lutherse en Hervormde Kerk verschillen. Het was zijn ernstig streven, terwijl hij zich scherp tegen geestdrijverij kantte, in de kerk de zuiverheid en eenvoud van de apostoliese dagen te herstellen; een persoonlike bekentenis van geloof in Christus werd verlangd als een vereiste voor de doop, en reinheid van leven was een voorwaarde voor lidmaatschap.

Hans Tausen.— Tausen, geboren in Denemarken, in 1491; overleden in 1561. In 1524 begon hij de hervormde leerstellingen te prediken. Hij was de eerste prediker van de Hervorming in Denemarken, en was, met Bugenhagen, het voornaamste middel tot de vestiging ervan in dat land.

Olaf en Laurentius Petri.— Olaf en Laurentius Petri werden te Orebro in Zweden geboren, eerstgenoemde in 1497, laatstgenoemde in 1499. Olaf stierf te Stockholm in 1552, Laurentius te Upsala in 1573. Zij waren hoofdzakelik het middel tot de vestiging van de Hervorming in Zweden, onder bescherming van Koning Gustavus Vasa.

William Tyndale.— Tyndale, een van de voornaamste Engelse hervormers van de zestiende eeuw, werd ongeveer 1481 geboren. Spoedig nadat hij het hervormde geloof aangenomen had, vormdo hij het plan, de Schriften in de Engelse taal over te zetten, en werd genoodzaakt naar het vasteland te vluchten om aan de vervolging te ontkomen. Het Nieuwe Testament werd in 1625 te Keulen en Worms gedrukt. Zijn verdere geschiedenis is in duisternis gehuld. Hij hield zich bezig met de vertaling en het drukken van het Oude Testament, en de uitgave van verschillende werken, die over de hervormde leerstellingen Handelden. Om te ontkomen aan de boodschappers van de Engelse koning en de geesteliken, zette hij zijn werk in het geheim voort, en verborg hij zijn schuilplaatsen z— zorgvuldig, dat die zelfs nu nog onbekend zijn. In 1534 waagde hij het, zich te Antwerpen te vestigen, waar hij gevat werd. Op het kasteel te Vilvorden, een paar mijlen van Brussel, werd hij geworgd en verbrand, op 6 Oktober 1536. Er kan niet bewezen worden, dat Hendrik VIII. iets direkts te doen han met zijn ter dood brenging, maar hij deed geen poging om hem te redden. Het laatste gebed van de martelaar was: “Heer, open de ogen van de koning van Engeland.”

De waarde van Tyndale’s werkzaamheden als vertaler van de Schriften en bevorderaar van de Hervorming in Engeland, is nooit op de rechte prijs gesteld. De miljoenen, die in alle delen van de aarde de zegeningen van de Engelse Bijbel genieten, zijn hem grote dank verschuldigd, want de geautoriseerde vertaling is op de zijne gegrond. In zijn eigen tijd vormden zijh leringen de inzichten van velen van de leiders van de Engelse Hervorming, die ook hun getuigenis met hun bloed bezegelden.

Hugh Latimer.— Latimer, somtijds de “John Knox van Engeland” genoemd, werd ongeveer 1470 geboren. Zijn vader was een eenvoudige vrij pachter, “die,” naar Latimer zegt, “zijn kinderen in vroomheid en godsvrucht grootbracht.” Latimer werd te Cambridge opgevoed, en was een ijverig pausgezinde, maar door de bemoeiingen van de martelaar Bilney nam hij de leerstellingen van de Hervorming aan. Zijn onbeschroomde voorstelling van de waarheid verwierf hem de gunst van Hendrik VIII., die hem tot bisschop van Worcester aanstelde; maar na de aanneming van de “bloody act of six articles,” die een geloof in transsubstantiatie, benevens andere paapse dwalingen, verplichtend maakte, legde Latimer zijn post neder. Hij werd later gevat, en zes jaren lang in de “Tower” gevangen gehouden. In vrijheid gesteld bij de troonsbeklimming van Eduard VI., werd hem zijn bisdom aangeboden, maar hij wees de eer vastberaden van de hand, en ging voort, de ondeugden van zijn tijd getrouw te bestraffen. Toen Maria op de troon kwam, werd hij weer in de “Tower” geworpen. Ofschoon hij nu tachtig jaren oud was, toonde men geen ontzag voor zijn hoge ouderdom. Hij handhaafde standvastig zijn geloof, en werd in 1555 te Oxford verbrand. Latimer was geen man van grote geleerdheid; zijn taal was eenvoudig; maar hij was moedig, eerlik en vol toewijding, en een bestraffer van de zonde zowel in voornamen als in geringen.

Nicholas Ridley.— Ridley, een Engelse bisschop en martelaar, vermaard om zijn geleerdheid en vroomheid, werd omstreeks 1500 geboren. Hij studeerde te Cambridge, alsook aan de beroemdste universiteiten van Frankrijk en de Nederlanden. Door de gunst van Cranmer werd hij tot kapelaan van Koning Hendrik aangesteld, en onder de regering van Eduard werd hij bisschop van Londen. Na de troonsbeklimming van Maria werd hij, tezamen met Latimer, in 1555 op de brandstapel verbrand. Daar hem geweigerd werd te spreken, tenzij hij herriep, zei hij: “Zolang er adem in mijn lichaam is, zal ik nooit mijn Heer Christus en Zijn bekende waarheid verloochenen. Gods wil worde in mij volbracht. ”

In zijn privaat leven werd bisschop Ridley genoemd “een voorbeeld van godsvrucht, eenvoud, matigheid en regel. ” Fox spreekt van hem als “een man, versierd met uitstekende eigenschappen, . . . van God geleerd, en nu ongetwijfeld in het boek des levens ingeschreven. ”

John Knox.— Knox, de hervormer van Schotland, werd in 1505 geboren. Hij werd opgevoed aan de Universiteit van Glasgow, en tot Katholiek priester geordend. De geschriften van Jérome en Augustinus, en de invloed van de martelaar Wishart bevrijdden hem van de banden van Rome, en hij werd een prediker van het evangelie. Toen het kasteel van St. Andrews door de Fransen ingenomen werd, werd Knox gevangen genomen, en naar Rouaan gebracht zijnde, diende hij negentien maanden als een galeislaaf. Bij zijn vrijlating maakte de staat van zaken in Schotland zijn terugkeer onmogelik, en bracht hij enige tijd in Engeland door, dienst doende als kapelaan voor Eduard VI. Toen Maria op de troon kwam, ging hij naar Frankrijk en Génève, en werd op elk van deze plaatsen herder van de Engelse bannelingen. Hij was zeer geacht door Calvijn, wiens leerstellingen hij voorstond. Toen hij in 1559 naar Schotland terugkeerde, werd hij door de invloed van de Roomsen vogelvrij en tot rebel verklaard, maar desniettegenstaande zette hij zijn werkzaamheden voort, en nam aandeel aan de vestiging van de Hervorming in dat land, tot zijn dood in 1572.

John Bunyan.— Bunyan, zo algemeen bekend als de schrijver van “Des Pelgrims reize naar de eeuwigheid,” werd in 1682 in Engeland geboren. Hij was de zoon van een blikslager van Elstow, en werd in het handwerk van zijn vader opgeleid. Hij leerde echter enige van de gewone beginselen van onderwijs, en, ofschoon weinig godsdienstig gezind, stond hij in zedelikheid ver boven de meesten van zijn klasse. Hij diende voor een tijd in het parlementsleger, en hier werd een van zijn kameraden, terwijl hij op zijn post was, gedood. Bunyan gevoelde, dat er een Goddelike hand tussenbeide gekomen was om zijn leven te redden, en daardoor werd hij ertoe geleid, zijn aandacht aan godsdienstige dingen te schenken. Na een lange en zware strijd vond hij vrede in Christus. Hij voegde zich bij de Baptisten, ontving van hen vrijheid tot prediken, en werd na enige tijd een van hun beste leraren.

In 1660 werd Bunyan onder de onderdrukkende maatregelen, die er bij de “Restoratie” genomen werden, in de Bedfordse gevangenis geworpen, waar hij twaalf jaren bleef. Tot onderhoud van zijn gezin begon hij garen schoenveters met nestels te maken; maar hij weigerde volstandig òf om zijn geloof op te geven, òf door list uit zijn gevangenis te ontsnappen, hetgeen hij gemakkelik had kunnen doen. Hem werd de vrijheid aangeboden, als hij het prediken wilde opgeven, en gezegd, dat, als hij volhardde in het tegenstaan van de wet, hij tot verbanning veroordeeld zou worden, en ter dood, zo hij naar Engeland terugkeerde. Zijn antwoord was: “Als ge er mij vandaag uitlaat, preek ik morgen weer.” Maar het doel van zijn vervolgers werd verijdeld, want “De Pelgrimsreize, ” die hij in zijn gevangenis schreef, heeft de heilswaarheden geleerd, waar de Engelse taal ook maar gesproken wordt, en is in elke taal van de Christenheid vertaald. Het is een van de geliefkoosde boeken, dat na de Bijbel door de zendeling, die tot de heidenen gaat, voor zijn bekeerlingen vertaald wordt.

Na zijn vrijlating predikte Bunyan met grote ijver en goed gevolg, en verkreeg do bijnaam van “Bisschop Bunyan.” De Bijbel was zijn gedurige metgezel, de bron van zijn wijsheid, en de bezieling van zijn genie. Zelfopoffering om der waarheid wil en voor het welzijn van anderen was zijn levensregel. Hij. stierf op zestigjarige ouderdom ten gevolge van blootstelling aan een onweer, terwijl hij terugkeerde van een goedgeslaagde poging om een vader met zijn zoon te verzoenen. Er zijn weinig meer opvallende voorbeelden van do opvoedende, hervormende kracht van de Heilige Schriften op het verstand en hart beide, dan dat ons gegeven wordt in de geschiedenis van John Bunyan.

John Wesley.— Wesley, de stichter van het Methodisme, werd in 1703 te Epworth in Engeland geboren. Zijn vader was predikant van do Engelse Kerk. Zijn moeder, van wie hij zijn opvoeding en opleiding kreeg, was een vrouw van groot verstand en innige vroomheid, flink maar wijs in tucht, en een bekwame onderwijzeres. Hij studeerde te Oxford, en verkreeg een grote naam voor geleerdheid. Het was hier dat de beroemde “Heilige Club” gevormd werd, waarin John en Charles Wesley, Whitefield en anderen zich verenigden voor godsdienstoefeningen, het verzorgen van zieken en armen, het bezoeken van de gevangenissen, enz.

In 1725 werd Wesley tot het predikambt geordend. Toen het plan gemaakt werd voor een zending naar Georgia voor de bekering van de Indianen, en er gevraagd werd om “een predikant, gewoon aan verzaking van de versierselen en gemakken van het leven, aan strenge levenswijze en ernstige gedachten,” bood Wesley zich aan. Hij bleef twee jaren in de Kolonie, maar had geen gelegenheid om het doel van zijn zending te volbrengen. In 1738 keerde hij naar Engeland terug, nam het volgende jaar de leer van do rechtvaardiging door het geloof ten volle aan, en begon die te prediken. Hij wijdde zich hoofdzakelik aan het werk van het evangelie onder de arme en verwaarloosde klassen. Daar hij de kerken gesloten vond, nam hij eindelik de toevlucht tot prediken in do open lucht. “Ik kon mij nauweliks verzoenen,” zei hij, “met deze vreemde wijze van in het veld te prediken . . . daar ik mijn leven lang (tot zeer onlangs) zozeer vasthoudend geweest ben op elk punt betreffende gepastheid en regel, dat ik de redding van zielen bijna een zonde geacht zou hebben, als die niet in een kerk gedaan was.” Tot aan zijn dood in 1791 zette hij zijn werkzaamheden in Engeland, Schotland en Ierland voort. Gedurende zijn leven reisde hij ongeveer twee honderd vijftig duizend mijlen, en predikte veertig duizend preken, behalve nog het overzicht over al zijn kerken en gemeenten, een ontzaglike korrespondentie, en het bezorgen van zijn vele geschriften.

George Whitefield.— Whitefield, een van de beroemde evangelisten van de nieuwere tijd, was geboortig uit Gloucester in Engeland. Opgevoed te Oxford, en een lid van de Methodisten Klub, was hij de eerste van hen, die getuigenis van bekering aflegde. Hij werd in 1736 geordend, en arbeidde voornamelik tot welzijn van de menigten, die niet bereikt werden door de gewone bediening van de kerk. Hij bezocht Amerika zevenmaal, en predikte in al de grote steden. Ook arbeidde hij zeer veel in Engeland, Schotland en Ierland, en bracht een bezoek aan Holland. Whitefield verschilde van Wesley met betrekking tot de leer van de uitverkiezing, en de verwijdering, die daardoor ontstond, leidde tot de twee takken, Calvinistiese en Wesleyaanse Methodisten. Hij stierf in 1770, in de ouderdom van zes en vijftig jaren, terwijl hij zich aan het klaarmaken was voor een zevende zendingsreis door de Verenigde Staten.

De kracht van Whitefields prediking werd door alle klassen erkend; scharen stroomden tezamen om hem te horen, en uitgebreide opwekkingen volgden op zijn werkzaamheden. Niet zelden predikte hij drie of vier-maal per dag. De dag vor zijn dood sprak hij te Exeter, Mass., waar hij twee uren lang een groot gehoor boeide. Hij ging naar Newberyport met het doel .om daar de volgende dag te preken. Toen hij ‘s avonds naar zijn kamer ging, en de mensen in het voorportaal beneden verzameld zag, sprak hij hen van de trap toe, tot zijn kaars in de kandelaar uitgebrand was. De volgende morgen was hij dood.

John Robinson.— Robinson, de Pelgrimherder, werd in 1575 in Engeland geboren. Hij studeerde te Cambridge, en werd predikant van do Staatskerk; maar gevoelende dat de geestelike oppermacht, die aan de koning toegekend was, tegen de leer van Christus was, besloot hij zich af te scheiden. Het besluit was pijnlik, en erop doelende zegt hij: “Was de waarheid niet in mijn hart geweest, ‘als een brandend vuur in mijn beenderen,’ ik zou nooit die banden verbroken hebben, . . . maar zou het licht Gods door de duisternis van andere mensen in mijn eigen ondankbaar hart hebben laten uitdoven. ” Robinson was onder de vluchtelingen, die een toevluchtsoord in Holland vonden en werd de herder van de Pelgrim gemeente te Leiden, waar hij in hoge achting stond beide om zijn vroomheid en geleerdheid. Toen de Pelgrims besloten, een woonplaats in Amerika te zoeken, werd het nodig gevonden, de gemeente te verdelen, en daar de meerderheid te Leiden bleef, om hun broederen op een latere tijd te volgen, maakten ze aanspraak op de bediening van hun voorganger. Maar Robinson zou zijn kudde niet naar de Nieuwe Wereld vergezellen. Hij stierf te Leiden in 1625. Zijn gezin voegde zich later bij de vluchtelingen, en zijn nakomelingen waren onder de Kolonisten van Nieuw-Engeland.

Robinsons karakter is te lezen in zijn afscheidswoord aan de Pelgrims. Hij was een van de weinige mannen, die in alle eeuwen de hoop van de hervorming geweest zijn — mannen die in plaats van hun geloof te gronden op de geloofsartikelen of de leer van de kerk, alleen bouwen willen op het eeuwige fondament van het woord van God.

Roger Williams.— Williams, bij uitstek de voorstander van godsdienstvrijheid, was afkomstig uit Wallis, geboren omstreeks 1600. Hij stierf te Rhode Island, in 1683. Williams werd geordend in de kerk van Engeland; maar spoedig, naar hij zegt: “werd zijn geweten overtuigd tegen de nationale kerk en ceremonieën en bisschoppen. ” Hij ging naar Amerika in 1631, maar, te radikaal en rondborstig zijnde zelfs voor de Puriteinse kolonieën, werd hij tot verbanning veroordeeld. Een van de bepalingen, door die wetgevers uitgevaardigd, was: “Indien enig persoon of enige personen binnen dit rechtsgebied . . . hun (van de magistraten) wettig recht of gezag zal of zullen ontkennen . . . om de uiterlike overtreding van de eerste tafel (van de tien geboden) te straffen . . . zal ieder zodanig persoon of zullen alle zodanige personen tot verbanning veroordeeld worden.” Daar Williams het rechterlike gezag van de magistraten in godsdienstige zaken rondweg ontkende, werd hij veroordeeld.

Hij was beschuldigd van denkwijzen te verspreiden, die gevaarlik waren voor de vrede en de orde van de republiek; maar nadat hij naar Rhode Island gegaan was, stichtte hij een maatschappij, waarin volkomen godsdienstvrijheid heerste, en waar deze zelfde leringen vrij toegestaan werden; toch waren het leven, het eigendom en het burgerlike bestuur hier even zeker als in Massachusetts. Aldus werd aangetoond, dat Williams’ leringen met gevaarlik waren voor de vrede en de orde van de staat; dat de beschuldigingen, tegen hem ingebracht, ongegrond waren, en dat zijn verbanning uit Massachusetts onrechtvaardig was.

Williams karakter als man en als Christen was onbesproken. Zelfs zijn bitterste tegenstanders spraken van hem persoonlik in termen van hoge achting. Hij was een biezonder vriend van de Indianen. Hij leerde hun taal, respekteerde en verdedigde hun recht op hun landerijen, en, toen de Kolonie van Massachusetts en andere blanke nederzettingen bedreigd werden door Indiaanse vijandelikheden, was hij in staat, door zijn bekendheid en vriendschap met voorname opperhoofden, om de dreigende gevaren af te wenden. ” Het was op deze wijze, dat Williams de onrechtvaardigheid, die hem aangedaan was, vergold.”

William Miller.— Miller, de welbekende uitlegger van de profetieën, werd geboren te Pittsfield, Mass., in 1782. Gedurende het grootste deel van zijn leven echter was zijn tehuis te Low Hampton, Nieuw York, waar hij. in 1849 stierf. Als zoon van een officier in het leger van de Revolutie, diende de heer Miller zelf in de oorlog van 1812, een aanstelling hebbende als kapitein in het staande leger. Hij had deïstiese gevoelens ingezogen, vor hij in het leger gegaan was, maar zijn rechtschapenheid van karakter maakte de losbandigheid van het kamp z— hinderlik voor hem, dat hij na afloop van de oorlog blij was, het militaire leven vaarwel te zeggen.

Het feit, dat deïsme een toekomstig bestaan ontkent, maakte dat hij niet van ganser harte die leer toegedaan kon zijn, al nam hij ook de Schriften niet als ingegeven aan. Toen hij echter de Bijbel begon te beschouwen als zijn eigen verklaarder, in plaats van de aangenomen theologiese lering als de verklaarder van do openbaring aan te nemen, werden al zijn moeilikheden weggevaagd. Van het jaar 1818, toen hij tot de overtuiging kwam, dat de persoonlike komst van Christus nabij was, ging hij dertien jaren door, dit onderwerp met gebed te onderzoeken, en sprak slechts privaat over zijn inzichten. In 1831 begon hij ze in het publiek bloot te leggen, en hield tussen dat jaar en 1844 vier duizend lezingen in vijf honderd verschillende steden. Ongeveer twee honderd predikanten namen zijn inzichten aan, en vijf honderd publieke redenaars begonnen ze te verspreiden. Op bijna duizend plaatsen weerden er gemeenten van gelovigen gesticht, die omtrent vijftig duizend personen vertegenwoordigden. Onder de werkzaamheden van de heer Miller alleen werden er niet minder dan zes duizend zielen tot Christus bekeerd, en het aantal was waarschijnlik veel groter. Van de bekeerlingen waren er ruim zeven honderd erkende ongelovigen, vor ze de samenkomsten bij woonden.

Ofschoon hij zich vergist had, wat de juiste tijd van de wederkomst aangaat, bleef zijn geloof onveranderd betreffende de wijze en nabijheid van de komst van de Zaligmaker. In 1845 schreef hij: “Ik heb eerlik de tegenwerpingen overwogen, die tegen deze inzichten aangevoerd worden; maar ik heb geen argumenten gezien, uit de Schrift geput, welke mijns inziens mijn positie onhoudbaar maken. Ik kan me dus, volgens mijn geweten, niet onthouden van naar mijn Heer uit te zien, noch ook mijn medemensen, naar de gelegenheid zich voordoet, te vermanen, om voorbereid te zijn op die grote gebeurtenis.” Toch gevoelde hij, dat zijn eigen werk bijna ten einde was. “Ik zal aan mijn jongere broederen,” zei hij, “de taak overgeven om voor do waarheid te strijden. Vele jaren heb ik alleen gearbeid; God heeft nu dezulken opgewekt, die mijn plaats zullen innemen.” Hij bleef echter nu en dan prediken, wanneer de toenemende ouderdomskwalen het hem toelieten; en hij stierf in het volle geloof aan de leerstellingen, die hij had verkondigd.

Joseph Wolff.— Wolff, de beroemde Hebreeuwse zendeling en reiziger, werd in 1795 in Beieren geboren. “Begaafd met een bijna onovertroffen aanleg voor talen, een vlug waarnemingsvermogen, levendig temperament, en grote voorzichtigheid, werd hij op zeer jeugdige leeftijd bekend met de meest uitstekende mannen in verschillende landen van Europa. In 1812 werd hij te Praag door een Benediktijner monnik gedoopt. Te Rome, waarheen hij ging om tot zendeling opgeleid te worden, wijdde hij zich aan de studie van de Oosterse talen, met het doel om het evangelie aan Joden en Mohammedanen te brengen. Hij deelde in de gunst van de mannen van aanzien, ook van Paus Pius VII.; maar de vrije inzichten, die hij bij verschillende gelegenheden uitsprak, maakten hem verdacht in de ogen van de Inkwisitie, en hij moest het kollege en de eeuwige stad verlaten. In Engeland vond hij spoedig vrienden. De stichters van de Londense Vereniging voor de Joden, zijn biezondere geschiktheid voor zendingwerk ziende, bewerkten zijn op- name aan de Universiteit van Cambridge, waar hij zijn Oosterse studieën voortzette.

“Gedurende zijn avontuurlik leven als reiziger,— in Europa, Azië, Amerika en een deel van Afrika,— raakte hij bekend met koningen en prinsen, zowel als met de meest geleerde mannen in allerlei geestelike betrekkingen. In de grootste gevaren toonde hij een onverschrokken moed en grote tegenwoordigheid van geest. Hij preekte overal,— nu eens in deze taal, dan weer in een andere; en waar hij ook ging, wist hij de aanzienlikste mannen en vrouwen voor zijn zending belang in te boezemen. ” Uitgeput door zijn werkzaamheden en de ontberingen van zijn lange reizen, sleet hij zijn laatste jaren als rector van een Engelse parochie op het platteland, waar hij in 1862 stierf.

John Albert Bengel.— Bengel werd in 1687 in Wurtemburg geboren, en stierf in 1751. Hij wordt algemeen beschouwd als een man van krities oordeel, van uitgebreide geleerdheid en echte vroomheid. Hij was de schrijver van verschillende bijbelse werken van grote waarde, beoordelend zowel als verklarend, die nog steeds een deel vormen van de schatten van hen, die een studie van de Bijbel maken. Bengels regel in schriftverklaring was, niets in de Schriften te zetten, maar er alles uit te trekken, en niets verborgen te laten blijven, dat er waarlik in is.

Louis Gaussen.— Gaussen, geboren in 1790, was afkomstig van Génève, en predikant van de Hervormde Kerk. Hij was bekend door geheel Zwitserland als een ernstig voorstander van een evangelies Christendom, en werkte in verband met Dr. Merle d’ Aubigné en anderen, om een geloof volgens de Schriften in de plaats te stellen van de rationalistiese filosofie, waarvan Génève doordrongen was. Hij ontmoette sterke tegenstand, en werd eindelik door het Konsistorie geschorst. In 1834 werd hij tot professor in de theologie aan de nieuw gestichte evangeliese school te Génève aangesteld, en werd de schrijver van verscheidene werken over de Schriften. Hij stierf in 1863.

Pius IX. Onfeilbaarheids-Verklaring.— Uit het blaadje van de heer Gladstone, “De Dekreten van het Vatikaan,” nemen we in verkorte vorm het volgende verhaal over van de afkondiging van het dekreet van de onfeilbaarheid van Paus Pius IX. “De zitting van de Vatikaan Raad werd onder het geluid van ontelbare klokken en het gedonder van de kanonnen van St. Angelo op 8 Desember 1869 in het Basilica van het Vatikaan plechtig geopend. In de vierde publieke zitting, 18 Julie 1870, werd het dekreet van de pauselike onfeilbaarheid afgekondigd. Dit dekreet maakt met alleen aanspraak op de macht van de Roomse paus over al de andere kerken, maar kent hem ‘een onmiddellike rechtspleging toe, waaraan alle Katholieken, beiden leraars en volk, gebonden zijn zich te onderwerpen in zaken niet alleen van geloof en zeden, maar zelfs van tucht en regering.” Het verklaart, dat de paus, “wanneer hij in zijn officiële bevoegdheid tot de Christelike wereld spreekt over zaken betreffende geloof en zeden, onfeilbaar is,” en dat zijn besluiten finaal en onherroepelik zijn.

Deze kroningsdaad van de pauselike godslastering werd spoedig gevolgd door de val van de wereldlike heerschappij van de paus.

Op de tweede September 1870, zes weken na de tijd, waarop het dekreet van de onfeilbaarheid geproklameerd was, “ging het Franse rijk, dat de voornaamste steun was geweest van de wereldlike macht van de paus, te gronde met de overgave van Napoleon III., bij de oude Hugenoten vesting van Sedan, aan de Protestantse koning Willem van Pruisen; en op de twintigste September namen de Italiaanse troepen, in de naam van Koning Victor Emanuël bezit van Rome als de toekomstige hoofdstad van het verenigde Italië.” Na de dag, waarop Pius IX. voor het volk van Rome verscheen bij de afkondiging van zijn onfeilbaarheid, werd hij nooit weer in het publiek gezien. Ontdaan van zijn wereldlike macht, en onwillig, zich een onderdaan te verklaren van de nationale overheid, bleef de trotse bisschop van Rome tot zijn dood in 1878 een eigenwillige gevangene in het paleis van het Vatikaan.